HOOFDSTUK 2 INVLOED VAN DE MAATSCHAPPELIJKE OPVANG OP HET KIND                    


Inleiding;

§ 2.1 Opvang;
§ Ruimtelijke omgeving;

2.2 De relatie tussen ouder en het kind;
§ Loyaliteit tussen ouders en kinderen;
§ Opvallend aan kind - ouder relatie tijdens het verblijf;

§ 2.3 Situatie;
§ 2.3.1 P.T.S.S.
- Gevolgen van P.T.S.S.
§ 2.3.2 Echtscheiding;
- Directe gevolgen van echtscheiding voor het kind;
- Reacties van kinderen op de echtscheiding;
- Invloed per ontwikkelingsfase;
§ 2.3.3. Geweld;
- Invloed per ontwikkelingsfase;

§ 2.4 Weerbaarheid - Kwetsbaarheid;
§ Omschrijving termen weerbaarheid - kwetsbaarheid;
§ Bronnen van kwetsbaarheid;
§ Weerbare kinderen versus kwetsbare kinderen;
§ Verwerkingsstrategieën;
§ Aangepast versus onaangepast verwerkingsgedrag;
§ Weerbaarheid - kwetsbaarheid ten aanzien van kinderen in de opvang;
§ Risico factoren;

§ 2.5 Verhoudingen tussen het kind en de leefgroep;
§ De verhouding tussen het kind en de (leef)groep;
§ Positieve en negatieve effecten op het kind in een leefgroep;
§ Positieve en negatieve effecten van de aanwezigheid van het kind in de groep;

§ 2.6 Positieve en negatieve effecten voor kinderen in de opvang;
§ Casus;
§ Nadelige effecten;
§ Positieve effecten;

§ Resumé

 

 

Hoofdstuk 2

 

INVLOED VAN DE MAATSCHAPPELIJKE OPVANG OP HET KIND

 

 

Inleiding

 

In dit hoofdstuk willen we kijken naar de invloed dat het verblijf in een maatschappelijke/ crisisopvang heeft op kinderen.

 

In de eerste plaats willen wij kijken naar de relatie tussen ouder en kind. Het gaat hierbij om de ouder die samen met het kind in de opvang wordt opgenomen. Er is gebleken dat dit vaak de moeder van de kinderen is.

 

Vervolgens willen wij aandacht besteden aan de situatie waaruit het kind komt. Wij beperken ons tot echtscheiding en geweld. Dit zijn de meest voorkomende redenen waarom volwassenen zich aanmelden bij een maatschappelijke opvang.

 

Ook willen we een paragraaf besteden aan het karakter van het kind. Wij richten ons hierbij op de vraag in hoeverre het kind weerbaar of kwetsbaar is. Dit zal voor een groot deel de invloed bepalen die het verblijf op het kind heeft. Aan opname in een opvanghuis is verbonden dat men in een groep leeft. Wij willen om deze reden een paragraaf besteden aan de vraag wat voor invloed de groep op het kind heeft en welke invloed het kind op de groep heeft.

 

Ten slotte willen wij kijken naar wat positieve en negatieve aspecten van het verblijf in een opvanghuis kunnen zijn op de ontwikkeling van een kind.

 

 

2.1

 

OPVANG

 

Kinderen die voor korte of langere tijd in een opvangvoorziening moeten verblijven hebben in die tijd daarvoor vaak een aantal ingrijpende veranderingen ondergaan in hun leven. Ze zijn uit hun vertrouwde omgeving weggegaan en dus ook uit de vertrouwde gezinssituatie. Ze hebben vaak één van hun ouders en hun vriendjes achtergelaten en zijn bovendien ook weggegaan zonder hun speelgoed. In het opvanghuis blijkt vaak alleen de slaapkamer iets veiligs en vertrouwd te hebben. Dit is de enige kamer waar ze zich kunnen terug trekken. Naast de ouder(s) en broertjes en zusjes mogen andere bewoners daar niet komen. De rest van het huis is vaak ingericht op gemeenschappelijk gebruik. In sommige opvanghuizen mogen de kinderen niet zonder hun ouders in bepaalde ruimtes komen. Regels in huis kunnen goed zijn voor de fysieke veiligheid maar zo zijn er ook regels die deze veiligheid belemmeren. We zullen hier nu niet verder op ingaan omdat dit thema nog wordt besproken.

 

Een verblijf in een maatschappelijke opvang bestaat uit de volgende drie fasen:

 

Fase 1: aankomst en de beginperiode in de opvang.

Fase 2: cliënten geven invulling aan hun verblijf.

Fase 3: het vertrek en het daadwerkelijke afscheid.

 

Fase 1:

Kinderen hebben, als ze aankomen in het opvanghuis, speciale aandacht nodig. De eerste indrukken kunnen blijvend deel uitmaken van hun herinneringen aan het verblijf. Gedurende deze fase zoekt het kind aansluiting bij andere kinderen, in het geval dat deze aanwezig zijn.

 

Fase 2:

In deze fase heeft het kind zijn weg in het opvangcentrum gevonden. Het past zich zoveel mogelijk aan de nieuwe regels aan en het heeft de andere bewoners leren kennen.

Er zijn ook kinderen die geen speciale aandacht vragen terwijl ze die wel nodig hebben. Dit zijn vaak de rustige kinderen die zich gemakkelijk aanpassen.

 

Fase 3:

In deze fase zijn de kinderen al aardig gewend om met meerdere mensen in het opvanghuis te wonen. De kinderen zetten tijdens deze fase de voor- en nadelen op en rij. Deze voor- en nadelen wegen zij af tegen een gewone thuissituatie.  Uit onderzoek van de NIZW blijkt dat zij vooral de andere kinderen uit de opvang verwachten te missen nadat zij uit het opvanghuis vertrokken zijn.

 

 
Ruimtelijke omgeving

 

De belangrijkste informatie die kinderen geven over de ruimtelijke omgeving van de opvang, blijkt uit onderzoek van het NIZW te zijn:

-         Je bent er altijd met anderen

-         Je kunt je nergens terugtrekken

-         Het is anders dan thuis

 

Omdat de meeste ruimten gemeenschappelijk zijn is er voor de kinderen vaak geen eigen plekje, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Vaak is de slaapkamer de enige ruimte waar ze zich kunnen terug trekken.

Criteria aan ruimtes die door kinderen als positief worden ervaren zijn:

-         Het is er gezellig.

-         Je mag er spelen.

-         Je kan er alleen zijn.

 

“ Het kind beoordeelt zijn omgeving aan de hand van existentiële en functionele criteria. Zo kan een speelkamer met weinig speelgoed, die bovendien met oude, versleten spullen is ingericht, bij een kind het gevoel oproepen dat het geen goede spullen waard is”. (NIZW p.46, 1993)

 

Hieruit blijkt dat ook materiële dingen invloed hebben op het gevoel van eigenwaarde van het kind.

 

Waar op gelet moet worden bij kinderen die in een opvang komen is de fysieke vrijheid en de emotionele vrijheid die het kind nodig heeft. Fysieke vrijheid is de vrijheid die het kind heeft in het leren kennen en ontdekken van de ruimtelijke omgeving van de woonsituatie en de directe omgeving daarbuiten. Mag het kind in bepaalde ruimtes niet komen dan kan het kind ook niet leren welke gevaren er aan die ruimtes kunnen zitten. Zo kan een kind dat niet alleen in de woonkamer mag komen niet leren dat hij niet met zijn handjes aan de kachel mag komen omdat hij dan zijn handen brand.

Kinderen schamen zich vaak voor hun verblijf in de opvang. Hierdoor beperken zij zichzelf in hun emotionele vrijheid en ook uit loyaliteitsgevoelens naar zijn ouder toe kan het kind zichzelf beperkingen opleggen. Veel kinderen zeggen tijdens het verblijf liever niet dat ze verdrietig zijn. Ze hebben het gevoel dat zij het niet moeilijk mogen hebben omdat mama het al moeilijk genoeg heeft. Het kind zou wellicht bang kunnen zijn om de moeder af te vallen. Het wil zijn ouder steun geven door zich sterker voor te doen dan het is.

 

 

2.2

 

DE RELATIE TUSSEN DE OUDER EN HET KIND

 

Zoals wij in het hoofdstuk van ontwikkelingsfasen hebben beschreven, is het bij baby’s belangrijk dat zij zich goed hechten aan de ouder(s).

 

Thomas Chess en medewerkers begonnen in 1975 in New York een longitudinaal onderzoek waarin zij een aantal baby’s en hun gezinnen vanaf de geboorte tot in de volwassenheid volgden.

Het onderzoek was niet altijd makkelijk te verrichten aangezien sommige baby’s veel huilden, zich niet gemakkelijk aanpasten aan veranderingen enz. Uit het longitudinale onderzoek bleek dat een aantal ouders in staat was rekening te houden met de moeilijke aard van de baby. Ouders en baby waren als het ware goed op elkaar afgestemd. In die gezinnen verliep de ontwikkeling normaal en de kinderen waren later in staat zelf rekening te houden met hun moeilijke aard. Andere ouders en baby’s waren daarentegen slecht op elkaar afgestemd. In die gezinnen liepen de transacties uit op gedragsproblemen van de kinderen.

 

Hieruit kan worden geconcludeerd dat het belangrijk is dat ouders en baby’s goed op elkaar afgestemd zijn. Dit kan bijdragen aan een gunstige ontwikkeling van het kind.

Deze theorie wordt ondersteund door onderzoek van Sameroff en Chandler (1975).

 

Sameroff en Chandler was het opgevallen dat kinderen met pré- of perinatale stoornissen zich alleen in bepaalde gezinnen ongunstig ontwikkelen maar in andere niet. Zoals Sameroff meer in het algemeen zegt, kunnen de problemen verklaard worden, doordat sommige ouders of verzorgers in staat zijn een bepaalde ‘moeilijkheid’ van het kind op te vangen maar andere niet.

 

Behalve de afstemming van ouder en kind op elkaar, draagt ook de manier waarop ouders hun ouderrol vervullen bij aan de ontwikkeling van het kind. Dit blijkt ook uit een zeer bekend geworden onderzoek van Baumrind (1971).

 

Baumrind heeft gevonden dat gezaghebbende ouders, d.w.z. ouders die begrip tonen voor hun kinderen, maar ook regels stellen, beter aangepaste kleuters van 5 jaar hebben dan ouders die erg tolerant of erg autoritair zijn.

 

Hierbij dient wel gezegd te worden dat het mogelijk is dat kalme, gemakkelijke kinderen door hun gedrag de ouders gezaghebbend hebben gemaakt, terwijl moeilijke kinderen door hun gedrag de ouders aanleiding tot straffen hebben gegeven en de ouders dit volhouden uit angst dat het anders helemaal misgaat.


Het gericht zijn op het kind is belangrijk om te kunnen aansluiten bij zijn temperament en zijn ontwikkelingsniveau. Een stimulerend milieu, zowel emotioneel als verstandelijk is een milieu waar men aandacht heeft voor datgene wat een kind uit zichzelf doet en dan op zo’n manier reageert dat het kind er plezier in krijgt het nog eens te doen.

 

 

Loyaliteit tussen ouders en kinderen

 

De primaire loyaliteitsband tussen ouder en kind, het beschikbaar zijn en het in staat zijn om te kunnen geven, zijn voor een kind (en volwassene) van invloed op de houding die aangenomen zal worden ten opzichte van de wereld buiten het gezin van herkomst.

Mocht het kind zich op latere leeftijd alle banden verbroken hebben met het gezin van herkomst dan zal het toch nog loyaal zijn aan de banden van het gezin waar het in opgroeide, omdat deze hierin een voorbeeld heeft.

 

De herinnering van de relatie tussen en ouder en kind, zal het kind altijd met zich meenemen in volgende relaties. Bij een gezin dat uiteengevallen is zal de overgebleven hoofd(opvoeder) een voorbeeld moeten zijn voor het kind. Iedere ouder zal dat op zijn eigen manier doen en zal hierin een positief óf een negatief voorbeeld zijn.

De relatie tussen ouder en kind is een belangrijke factor omdat er een voorbeeld wordt gegeven aan het kind hoe het later zal ontwikkelen. Een gulden middenweg om het goede voorbeeld te geven is van belang, maar niet gemakkelijk. Wordt het kind vooral positief gestimuleerd, de ouder beloont het kind als het goede dingen doet, dan leert het kind dit gedrag en geeft het over aan anderen (bijvoorbeeld later aan zijn eigen kinderen). Geeft de ouder altijd kritiek dan zal het kind zich niet gewaardeerd voelen. (zie de paragraaf over ‘belonen en straffen’ in hoofdstuk 1.2)

 

 

Opvallend aan kind –ouder relatie tijdens het verblijf

 

Volgens ouders gedragen kinderen zich tijdens het verblijf in een opvanghuis niet heel anders dan ervoor. De kinderen moeten wel vaak wennen aan de hoeveelheid mensen van wie ze aandacht krijgen.

Uit interviews die wij met medewerkers van opvanghuizen hebben gehouden blijkt dat veel van hen het opvallend vinden dat jonge kinderen vaak angstig worden en gaan huilen wanneer de ouder tijdelijk uit het zicht verdwijnt. Bijvoorbeeld wanneer de ouder een mentorgesprek heeft. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat kinderen vaak al een ouder verloren hebben en  bang zijn dat deze ouder hen ook gaat verlaten. Dit zal voornamelijk voorkomen wanneer een kind scheidingsangst heeft omdat het in de fase zit waarin het eenkennig is. (zie hoofdstuk 1.1 over hechting)

Naarmate het kind langer in de opvang verblijft, wordt het kind minder bang / huilerig als de ouder even weggaat.

 

Ook afhankelijkheid is een aspect dat medewerkers van opvanghuizen soms terugzien in de ouder– kind relatie. De (alleenstaande) ouder heeft vaak al veel mensen in zijn omgeving verloren, waardoor de ouder naar het kind toetrekt. Het kind is op dat moment de stabiele factor voor de ouder, waardoor de ouder vaak alles voor het kind overheeft.

Anderzijds is het ook mogelijk dat de ouder het kind het kind als zware belasting ziet, omdat hij met zijn eigen problemen bezig is. De aandacht die het kind dan van de ouder krijgt is veelal negatief en gaat soms gepaard met schreeuwen.

2.3

 

SITUATIE

 

In deze paragraaf  zullen we ingaan op Post Traumatische Stress Stoornis. Tevens bespreken wij de problematiek echtscheiding en geweld. We zullen hierbij ingaan op de gevolgen die deze problematiek kan hebben op het kind.

 

 

2.3.1

 

POST TRAUMATISCHE STRESS STOORNIS

 

Uit welke situatie het kind ook komt, voor het opgenomen wordt in een opvanghuis, kan er gesteld worden dat het altijd onrust meebrengt en een gevoel van onveiligheid op kan roepen.

Daarbij kunnen kinderen die nare dingen hebben meegemaakt een Post Traumatische Stress Stoornis oplopen. Dit geldt zeker voor kinderen die uit een gewelddadige thuissituatie komen. Wanneer er sprake is van een Post Traumatische Stress Stoornis (hierna P.T.S.S. genoemd) zullen de volgende symptomen opvallen.

 

a)        het herbeleven van het trauma

Het meest kenmerkend symptoom van een P.T.S.S. is dat het trauma wordt herbeleefd. Dit herbeleven kan zich op diverse manieren manifesteren.

-         Herinneringen aan het trauma;

-         Angstige dromen;

-         Traumaspecifiek repetitief gedrag (hallucinaties, dissociatieve flashbacks);

-         Posttraumatisch spel (tijdens het spelen wordt het trauma herbeleeft en kan het trauma verwerkt worden);

-         Intense emotie (traumaspecifieke angsten, opgeroepen door prikkels geassocieerd met het trauma).

 

b)        Vermijdingsgedrag/ gevoelsafstomping

-         Vermijdingsgedrag (ten aanzien van situaties die aan het trauma doen denken);

-         Verminderde interesse in of deelname aan gebruikelijke activiteiten;

-         Gevoelsafstomping;

-         Ingeperkt toekomstperspectief (het komt geregeld voor dat het kind het gevoel heeft een uitzichtloze en sombere toekomst te hebben);

-         Verhoogde waakzaamheid (geïntensiveerde schrikreactie, moeite met concentreren op de dagelijkse realiteit en op omgevingsprikkels wordt snel met irritatie of woede gereageerd).

 

c)         Gevoelens van schuld, schaamte, woede en wraak.

-         Schuldgevoelens (over wat ze wel of niet gedaan hebben in de traumatische situatie);

-         Schaamte (confrontatie met eigen handelen in een traumatische situatie roept soms intense schaamtegevoelens op. Het zelfgevoel van het kind kan soms ernstig beschadigd worden);

-         Woede en wraak (de agressieregulatie is vaak verstoord).

 

d)        Gestoorde beleving in tijd en plaats

Kinderen hebben achteraf vaak een vertekend beeld van de chronologische opeenvolging van de gebeurtenissen ten tijde van het trauma. Daardoor kunnen feiten die volgden op het gebeuren als eraan voorafgaand beleefd worden.

 


e) Voortekenen.

De angst voor een herhaling van trauma doet slachtoffers zoeken naar middelen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Vanuit dit streven worden aan bepaalde gebeurtenissen soms een voorteken-functie toegekend.

 

 f)  Lichamelijke klachten

Klachten als hoofdpijn, buikkrampen, bedplassen (enuresis) en benauwdheid komen vaak voor bij deze kinderen en jongeren.

 

g)       Leeftijdsinvloeden

Afhankelijk van de leeftijd ten tijde van de traumatische gebeurtenis, worden veelal bepaalde ontwikkelingsaspecten beïnvloed. Bijvoorbeeld: bij kinderen van twee jaar wordt vooral het basaal gevoel van veiligheid en het streven naar een zelfstandiger functioneren verstoord terwijl bij volwassenen vooral de ontwikkeling van de eigen identiteit bedreigd wordt.

 

 

Gevolgen van P.T.S.S.

 

1.         Psychosomatische klachten.

Somatische klachten zijn het meest voorkomend. Deze kunnen zijn: buikpijn, hoofdpijn, zwaarmoedigheid, encopresis (het ophouden van ontlasting), enuresis (niet op kunnen houden van ontlasting), overdreven oog knipperen en hysterische aanvallen. Ook slapeloosheid en nachtmerries komen voor.

 

2.         Gedragsmatige klachten.

In het algemeen kan hierbij gedacht worden aan problemen op school (o.a. slechte school prestaties). Bij jongens uit het zich vaker door middel van slechte concentratie, schuld- en schaamtegevoelens en agressiviteit. Teruggetrokkenheid en depressiviteit komen vooral bij meisjes voor. Veel huilen, extreme angsten, passiviteit, afhankelijkheid, ontwikkelingsachterstand, laag zelfbeeld, gebrek aan sociale vaardigheden, sterke weerbaarheid of juist helemaal niet en parentificatie zijn andere gedragsmatige klachten die de kinderen kunnen vertonen.

 

2.3.2

 

ECHTSCHEIDING

 

Een echtscheiding verloopt in drie fasen:

·        Crisisstadium (deze fase duurt over het algemeen niet langer dan één jaar. En geldt zowel voor de kinderen als voor de ouders)

·        Overgangsstadium

·        Stadium van hernieuwde stabiliteit

 

Crisisstadium

Dit stadium speelt zich af in de tijd voor de echte scheiding. In deze periode is er vaak sprake van toenemende conflicten binnen een gezin. Voor de kinderen is deze periode een onzekere tijd omdat ze geconfronteerd kunnen worden met onverwachte, heftige, chaotische en onvoorspelbare gebeurtenissen. Vooral de oudere kinderen kunnen zich niet ontrekken aan de onenigheden tussen de ouders. Zij maken de situatie bewust mee. Dit kan zich zelfs uiten in partij kiezen voor één van de ouders.

Dit stadium hoeft niet altijd problematisch te verlopen. Wanneer de scheiding in wederzijds vertrouwen en met overleg tot stand komt is de kans hierop klein.

Deze fase eindigt met de werkelijke scheiding.

 

Overgangsstadium

In deze periode wordt er gezocht naar een nieuwe levensstijl. Voor kinderen is dit vaak een instabiele tijd. De verhuizing verhoogt deze instabiliteit, vooral wanneer dit inhoudt dat het kind naar een nieuwe school moet en afscheid moet nemen van oude vriendjes.

In deze fase moet de relatie tussen het kind en de ouders weer opnieuw worden gedefinieerd. Dit brengt ook instabiliteit met zich mee. Hierbij kan het ook nog eens gebeuren dat het kind de dupe wordt van de machtstrijd tussen de ouders. De aanleiding van deze machtsstrijd gaat in dit geval om het feit dat één van de ouders het niet kan aanzien dat de andere ouder(s) het kind opvoedt.

 

Stadium van hernieuwde stabiliteit

In deze periode is er weer rust in het gezin. Het gezin heeft zich hersteld en zich gemaakt tot een veilig functionerende eenheid. De kinderen zijn gewend aan de nieuwe rolpatronen en hebben met beide ouders een nieuwe relatie opgebouwd.

 

 

Directe gevolgen van echtscheiding voor het kind

 

·        In de periode voor de echtscheiding maar ook vaak de periode erna zijn de ouders vaak minder beschikbaar voor het kind.

·        Bijna elk gezin gaat er financieel op achteruit met een scheiding.

·        Echtscheiding betekent vaak een verhuizing.

·        De sociale ondersteuningssystemen kunnen gedeeltelijk of geheel wegvallen.

·        Echtscheiding betekent verlies van de gezinsstructuur en het gedeeltelijk verlies van een ouder.

 

 

Reacties van kinderen op de echtscheiding

 

·        Angst

·        Opluchting

·        Verzet

·        Zich afgewezen voelen

·        Verdriet

·        Boosheid

·        Machteloosheid

·        Eenzaamheid

·        Afreageren

·        Loyaliteitsconflicten

·        Bezorgdheid om ouders

·        Hoop

·        Verhoogde zelfstandigheid  en/of weerbaarheid

 

 

 

 

Invloed per ontwikkelingsfase

 

Leeftijd  tot 2 jaar

Kinderen tot de leeftijd van twee jaar zullen weinig begrijpen van wat er gebeurt tussen de ouders. Deze kinderen kunnen hun gevoelens nog niet onder woorden brengen en zullen in de war raken van de verandering van structuur die een echtscheiding met zich mee zal brengen. Dit uit zich vaak in verandering van gedrag.

 

Leeftijd 2 tot 4 jaar

Kinderen in de leeftijd tussen twee en vier jaar beseffen wel al dat één van de ouders weg is maar begrijpen nog niets van de situatie. Kinderen op deze leeftijd verwerken en begrijpen de informatie op een eenvoudig niveau. Ze kunnen nog geen langere tijdsperiode overzien of bij gebeurtenissen de oorzaak - gevolg relatie leggen. Dit leidt tot angst, verslagenheid en woede.

 

Aangezien fantasie en werkelijkheid nog door elkaar lopen, geloven veel kleuters dat een ouder weggegaan is omdat het kind stout geweest is of omdat de ouder niet meer van het kind hield.

 

Kinderen in deze leeftijd verinnerlijken het dagritme. Dit gebeurt doordat ze regelmatig en consequent een bepaalde situatie meemaken. Als het kind de ouder bijvoorbeeld in het weekend dan niet ziet kunnen ze volkomen van slag raken. Afwijken van het vaste schema dat een kind heeft veroorzaakt bij kinderen veel verwarring.

 

Leeftijd 4 tot 7 jaar

Kinderen tot zeven jaar denken nog egocentrisch. Ze bekijken een situatie vanuit hun perspectief en kunnen zich moeilijk inleven in een standpunt van een ander. In het denken zijn ze geneigd om hun gedachten te richten op het meest duidelijke aspect van een object of situatie. Het is voor deze kinderen erg moeilijk om een probleem op te lossen waarbij ze meerdere informatiestukken binnenkrijgen die verwerkt moeten worden.

In een scheiding zal het kind zich afvragen wat deze situatie voor hem zal betekenen, het zal zich niet in de ouder kunnen verplaatsen.

 

Leeftijd 7 tot 12 jaar

Bij oudere kinderen hangt de eerste reactie nauw samen met de relatie tussen de ouders voor het uiteengaan. Aan het ene uiterste zijn er kinderen die nooit of zeer zelden conflicten tussen de ouders hebben meegemaakt of deze hebben kunnen loochenen. Voor hen is het uiteengaan een volkomen verrassing en nauwelijks te geloven.

Aan het andere uiterste zijn er kinderen die voortdurend in angst hebben geleefd tengevolge van de hevige, dikwijls fysiek uitgevochten agressie van een of beide ouders. Oudere kinderen hopen dan op het uiteengaan van de ouders en beleven dit als opluchting.

Voor verreweg de meeste kinderen ligt de situatie voor het uiteengaan tussen deze uitersten in. Zij zijn ongelukkig of bang tengevolge van de conflicten die zij zo goed mogelijk proberen te verwerken, maar zij verwachten niet dat de ouders werkelijk uit elkaar zullen gaan. Als dit toch gebeurt, wekt dit feit woede, angst, verdriet en het gevoel in de steek gelaten te zijn, op.

In de eerste maanden blijven deze gevoelens overheersen, eventueel met tobben over de toekomst en stress door loyaliteitsconflicten.

Al deze emoties worden versterkt als er geen open communicatie is en de ouder bij wie de kinderen blijven, zelf de situatie niet aankan.

Als de ouders niet goed met de scheiding om kunnen gaan en elkaar zwart maken dan wordt het voor een kind ingewikkeld. Deze kinderen kunnen in een coalitie belanden met een ouder die zich richt tegen de andere ouder.

Een kind verwerpt bijvoorbeeld de vader, omdat ze hun moeder anders misschien verliezen. Bij loyaliteit hangt er veel af van hoe de volwassene met de situatie omgaat. De ouder moet kunnen accepteren dat het kind van de andere ouder blijft houden.

 

 

2.3.3

 

GEWELD

 

Kinderen van mishandelde vrouwen hebben significant meer aanpassingsproblemen dan kinderen die geen thuisgeweld hebben ervaren. Onder deze problemen wordt verstaan: agressief, externaliserend gedrag, lager zelfvertrouwen, minder sociaalvaardig, depressief, minder empathie, en een achterstand in de taal- en motorische ontwikkeling.

Ook hebben jongetjes die opgroeien in gewelddadige thuissituaties driemaal zoveel kans om later hun vrouwelijke partner te mishandelen. Overdracht naar meisjes geldt in mindere mate. Dat wil zeggen dat meisjes waarvan de moeder slachtoffer is geweest van vrouwenmishandeling later niet vaker een gewelddadige partner kiezen.

Er kan gesteld worden dat kinderen uit gewelddadige thuissituaties door alles wat ze hebben meegemaakt een groot risico lopen te ontsporen; hetzij omdat ze problematisch gedrag vertonen, hetzij omdat ze een (te) grote ontwikkelingsachterstand hebben opgelopen.

 

Naast het bespreken van geweld tussen de ouders willen we ook even stilstaan bij kindermishandeling. Er is uit onderzoek gebleken dat bij geweld in een gezin de kinderen ook vaak slachtoffer zijn van geweld. Het blijft vaak niet alleen tussen de ouders.

Naast het geweld dat in een gezin al aanwezig is, hangt de kindermishandeling ook ergens anders vanaf. Uit onderzoek door Hyman blijkt dat kinderen die uit een lagere sociale klasse komen eerder en gemakkelijker disciplinaire klappen krijgen dan kinderen uit een hogere klasse. Kindermishandeling komt in het algemeen voort uit onmacht door de ouders of één van de ouders. Slaan wordt vaak gebruikt in de hoop het goede gedrag bij het kind te verkrijgen. Dit is voor het kind niet alleen pijnlijk maar ook vernederend. De waardigheid die het kind heeft en hierdoor dus zijn gevoel voor zelfwaarde dalen. Ook wordt de lichamelijke integriteit en veiligheid verbroken.

Slaan brengt agressie in de relatie. De ouders worden voor een kind minder waard als liefdesfiguren bij wie het graag wil horen. Het zal minder geneigd zijn hun regels als begerenswaardig symbool van ‘net zo zijn als zij’ over te nemen.

 

Mc Closkey  (1995) heeft over kindermishandeling onderzoek gedaan. Hij kwam met de volgende uitkomsten:

 

·        Verbale, fysieke en ontsporende agressie staan over het algemeen in relatie tot elkaar.

·        Fysiek geweld naar kinderen toe gaat vaak samen met emotioneel geweld en in veel mindere mate met seksueel misbruik.

·        De mannen/vaders die hun vrouw mishandelen zullen dat ook vaker bij het kind doen.

·        Kinderen die ouders hebben met mishandeling in het huwelijk zullen meer risico lopen dat ze van de beide ouders klappen krijgen.

·        Het fysieke geweld tegen de kinderen kan gebruikt worden om wraak te nemen op de partner en die onder controle te houden.

 

 

Invloed per ontwikkelingsfase

 

Algemeen

Over de invloed van geweld op ontwikkelingsfasen van kinderen kan gezegd worden dat hoe minder verbale mogelijkheden het kind heeft hoe meer het terugvalt op eerdere ontwikkelingsfasen en fysieke klachten. Als kinderen groter worden zijn ze ook vaak boos op de ouder die geen geweld heeft gebruikt. Kindermishandeling begint vaak al als het kind nog jong is. Het bouwt zich stapsgewijs op. Het begint vaak met emotionele verwaarlozing of zelfs met verwerping van het kind. Kinderen die mishandeld worden leven lang in een sfeer van psychologische tekorten.

 

Leeftijd 0 tot 2 jaar

In de babyfase staat de hechting centraal. Als de mishandeling van het kind in dit stadium begint, en dan met name door emotionele verwaarlozing of verwerping dan vindt er een onveilige hechting plaats. Dit kan het kind in deze fase beschadiging bezorgen. Het meest waarschijnlijk is het dat het kind zich hecht met onzekerheid en vastklampen. Dit komt doordat de ouder onvoorspelbaar is. Aan de ene kant heeft het kind een ouder die lief is en leuke dingen met hem doet, maar aan de andere kant slaat diezelfde ouder hem. Hierdoor heeft het kind wel kunnen proeven wat hechting is maar het is ook een angstbron, juist omdat ze niet weten hoe de ouders zullen reageren. Later zal dit zich uiten door het wel aangaan van contacten met andere mensen maar dit contact na een tijd verbreken omdat de angst de overhand neemt.

 

Leeftijd 2 tot 12 jaar

De baby, peuter en kleuter lopen het gevaar zonder een belangrijk fundament in de ontwikkeling op te groeien. Alles wat voor het vijfde tot zesde jaar gebeurt grijpt namelijk in op de ontwikkeling van het kind. Adriaenssens (1998) geeft hier als voorbeeld bij dat deze situatie vergeleken kan worden met een huis dat gebouwd wordt.

 

Ondanks een slecht fundament wordt er wel een huis op gebouwd. Later zullen de bewoners hiervan de nadelen ondervinden, hoezeer ze ook repareren aan hun huis, het heeft geen zin omdat er fouten zijn gemaakt bij de bouw. Een kind is zo’n huis dat in de steigers staat.

 

Het kind dat mishandeld wordt kan zich ook niet totaal integreren. Het kind beleeft enerzijds positieve relaties met andere mensen, wat goed is voor het zelfbeeld. Dit wordt vaak het goede kind genoemd. Anderzijds heeft het kind een negatief zelfbeeld. Bij kinderen  die opgroeien in een normaal gezin volgt er een integratie tussen deze twee kanten, het geheel goede komt in verbinding te staan met het geheel slechte. Dit is een van de belangrijkste ontwikkelingen van het jonge kind.

Een kind dat ouder is zal zich vaak verantwoordelijk voelen voor het slecht functioneren van de ouder. De zelfbeschuldiging van het kind ontstaat vanuit twee invalshoeken. Aan de ene kant wordt er door de ouder gezegd dat het kind zelf het geweld uitlokt aan de andere kant zit deze zelfbeschuldiging geworteld in de ontwikkeling van het kind.

 


2.4

 

WEERBAARHEID – KWETSBAARHEID

 

Algemeen gesteld, kan men bij elk type moeilijke gezinsomstandigheden kinderen onderscheiden die de problemen niet aankunnen, van wie de ontwikkeling tijdelijk of blijvend  gestoord wordt, van anderen die zich daarentegen wel handhaven, al zijn zij eventueel een tijdlang verdrietig en ongelukkig. De eerste groep die wij kwetsbaren noemen, zijn gebaat bij deskundige hulp om een stoornis van de ontwikkeling te verhelpen of te voorkomen dat deze erger wordt. De laatste die wij weerbaren noemen, zijn gebaat bij troost en steun, maar kunnen er verder op eigen kracht komen.

 

 

Omschrijving termen ‘weerbaarheid’ en ‘kwetsbaarheid’

 

Wij zullen een omschrijving geven van weerbare en kwetsbare kinderen.

 

Weerbare kinderen:

Weerbare kinderen zijn kinderen die ernstige, acute of chronische stress op een zodanige wijze weten te verwerken dat zij competent zijn en zich competent voelen. Dit impliceert een actieve houding ten aanzien van de omgeving.

 

Kwetsbare kinderen:

Kinderen die tengevolge van dezelfde stress incompetent, disfunctioneel ofwel onaangepast worden, zijn kwetsbare kinderen.

 

 

Bronnen van kwetsbaarheid

 

Deze bronnen van kwetsbaarheid, kunnen een hulpmiddel zijn bij het inschatten van de probleemgevoeligheid van het kind.

 

·        Een verhoogt risico door erfelijke belasting.

·        Een moeilijk temperament.

·        Geen gunstige verwerkingsmechanismen geleerd.

·        Een gebrek aan flexibiliteit.

·        Een negatief beeld van de wereld en van zichzelf.

·        Stimulatie tot een te snelle volwassenheid.

·        Geen steun van anderen.

·        Gedragsproblemen voor de omstandigheid.

 

Van kinderen bij wie de factoren die zojuist genoemd zijn, ontbreken, kan gezegd worden dat zij weerbaarder zijn.

 

 

Weerbare kinderen versus kwetsbare kinderen

 

Weerbare kinderen zijn niet onkwetsbaar. Als er te veel stress is en/of hulpbronnen zoals bijvoorbeeld steun en aandacht van de ouders, voor het kind ontbreken, zal het toch in moeilijkheden kunnen komen.

In tegenstelling tot weerbare kinderen blijft een kind dat al voor een bepaalde gebeurtenis kwetsbaar was en geen effectieve strategieën had geleerd, kwetsbaar. Ook kan het onder ernstigere gedragsproblemen gaan lijden.

Bij onderzoek van reacties op moeilijke omstandigheden, moet dus ook steeds worden nagegaan hoe het kind zich tot aan die moeilijke situatie had ontwikkeld.

 

 

Verwerkingsstrategieën

 

Verwerkingsstrategieën spelen een belangrijke rol bij het bepalen van de weerbaarheid/ kwetsbaarheid van een kind. Door na te gaan hoe het kind vóór de moeilijke situatie omging met onbekende en onwenselijke situaties, kan worden ingeschat of het kind de betreffende situatie zal kunnen verwerken door het ontvangen van troost en steun, of dat het deskundige hulp nodig heeft .

 

Verwerkingsstrategieën zijn gedragingen die geleerd zijn door de interacties tussen het temperament van het kind, zijn voorafgaande ervaringen, het niveau van zijn ontwikkeling, het algemene niveau van zijn competentie en gebieden van kwetsbaarheid enerzijds, en de eisen van de omgeving anderzijds.

 

 

Aangepast versus onaangepast verwerkingsgedrag

 

Aangepast verwerkingsgedrag stimuleert het leren van nieuw gedrag dat dan gegeneraliseerd kan worden naar andere situaties. Onaangepast verwerkingsgedrag belemmert daarentegen het leren van nieuw gedrag, vergroot de kwetsbaarheid en kan op zijn beurt nieuwe stress veroorzaken. Het feit dat er effectieve/ adaptieve verwerkingsstrategieën en gunstige verwerkingsstijlen zijn, wijst erop dat niet alle inspanningen om stress te verwerken, ongunstige gevolgen voor de ontwikkeling hebben.

Stress die gunstig verwerkt wordt, bevordert een voorspoedige ontwikkeling en is zelfs onmisbaar. Het positief verwerken van een moeilijke situatie is bevredigend en bevordert een positief gevoel van eigenwaarde. Omgekeerd is het ontbreken van confrontatie met moeilijkheden ongunstig omdat een kind dat te weinig stressvolle gebeurtenissen meemaakt, niet wordt gestimuleerd tot het aanleren van actieve verwerkingsstrategieën en daardoor bij onverwachte stress zal falen.

 

 

Weerbaarheid -kwetsbaarheid ten aanzien van kinderen in de opvang

 

Kinderen hebben voor het verblijf in de opvang een korte of lange tijd in spanning geleefd. Emoties zoals gevoelens van angst, woede, haat, verdriet, schuld of schaamte liggen voor de hand. De opname in het verblijf betekent voor het kind een evenwichtsstoring. Er worden andere eisen gesteld en dit vraagt van het kind dat het een nieuwe handhavingstrategie moet ontwikkelen. De mate waarin het kind in het vinden van het juiste gedrag succesvol is hangt af van de mogelijkheden die het kind heeft.

 

 


Risicofactoren

 

De volgende risicofactoren vergroten de kans op kwetsbaarheid bij kinderen:

 

·        Scheiding

·        Apart wonen van één der ouders

·        Verandering van school

·        Verhuizing van het gezin

·        Toename van conflicten tussen ouders

·        Kind is slachtoffer van geweld

·        Één der gezinsleden is slachtoffer van geweld

 

Kinderen die in een opvanghuis komen, hebben vaak meerdere van de genoemde factoren meegemaakt. Wij denken om deze reden dat kinderen in de maatschappelijke / crisisopvang een verhoogd risico hebben op kwetsbaarheid.

 

 

2.5

 

VERHOUDINGEN TUSSEN HET KIND EN DE LEEFGROEP

 

 

De verhouding tussen het kind en  (leef)groep

 

Tijdens het verblijf in het opvanghuis krijgt een kind te maken met medebewoners. Alles moet gedeeld worden en er zijn opeens andere mensen die zich bemoeien met hun situatie. Over het algemeen hebben kinderen, na verblijf in een opvanghuis, niet veel over de volwassen medebewoners te vertellen. Zij herinneren vaak wel de kinderen, die ook in het opvanghuis verbleven, waar zij mee omgingen. Ook komen begeleiders of andere medewerkers in hun verhalen voor. (NIZW. 1993)

 

Kinderen vinden het soms gezellig dat er veel mensen in het opvanghuis zijn, omdat er samen leuke dingen worden gedaan; het kind krijgt aandacht van veel mensen.

Het komt voor dat een kind gaat "halen" bij andere mensen wat de ouder op dat moment niet kan geven. Het kind is er goed in om ervoor te zorgen dat het  krijgt wat het zelf nodig heeft.

Kinderen hebben soms wel behoefte aan een eigen plekje, maar in een opvanghuis zijn er altijd mensen aanwezig.

 

 

Positieve en negatieve effecten op het kind in een leefgroep

 

In een groep wonen betekent veel verschillende personen die met elkaar (moeten) leven. Een kind kan in aanraking komen met personen en daar positieve ervaringen mee hebben, maar er kunnen ook mensen zijn die negatieve gevoelens bij een kind oproepen.

Positieve ervaringen die kinderen kunnen hebben met medebewoners zijn met personen waar zij leuke dingen mee doen, zoals een spelletje spelen. Het wordt als positief ervaren als bewoners echt geïnteresseerd zijn in het kind zelf.

In een leefgroep zijn er ook huisregels die bijdrage aan het gevoel van veiligheid van kinderen. Bij overschrijding van deze regels wordt er ingegrepen. (Bijvoorbeeld bij het slaan van kinderen door volwassenen).

Een positief effect op een kind tijdens het leven in een groep is leren zijn sterke kant te zien. Het is belangrijk om deze sterke kanten aan te moedigen. Ook leert een kind zichzelf kennen tijdens deze periode.

Negatieve ervaringen met medebewoners kunnen zijn: een persoon die (verbaal) agressief is; als een kind in zijn thuissituatie veel met geweld te maken heeft gehad kan dat er voor zorgen dat een kind zich onveilig voelt.

 

Positieve en negatieve effecten van de aanwezigheid van het kind voor de groep

Een kind kan een belasting zijn voor andere bewoners. De maaltijden zijn bijvoorbeeld vaak  momenten van rust voor de bewoners. Wanneer  het kind heel druk is aan tafel kan dat voor bewoners erg vervelend zijn. Een ander voorbeeld in deze situatie is dat de moeder tegen het kind schreeuwt wanneer het niet willen eten. Dit kan de andere bewoners een ongemakkelijk gevoel geven.

Aan de andere kant kan een kind ook voor ontspanning zorgen. Bijvoorbeeld door dingen die het zegt of doet waardoor de bewoners vertedert raken. Ook  spelen met het kind kan dit effect bewerkstelligen.

 

 

2.6

 

POSITIEVE EN NEGATIEVE EFFECTEN VOOR KINDEREN IN DE OPVANG

 

 

In dit hoofdstuk zullen we verder ingaan op de positieve en negatieve effecten voor kinderen tijdens of na het verblijf in een opvanghuis. Deze positieve en negatieve effecten zullen we behandelen aan de hand van een casus. We hebben voor deze manier gekozen omdat het ons inziens van belang is om theorie en praktijk met elkaar te laten integreren. Middels een fictief voorbeeld, die tot stand is gekomen door de resultaten van ons project, zullen we laten zien welke effecten tijdens en na het verblijf in een opvang mogelijk zijn bij het kind.

 

De ontwikkeling wordt beïnvloed door de interactie tussen persoonlijkheidsfactoren, ouderfactoren en omgevingsfactoren. Het kind ontleent gevoelens van veiligheid aan de continuïteit in de omgeving en aan de continuïteit in relaties met voor hen belangrijke volwassenen.

Zolang het kind zich emotioneel voldoende geborgen voelt door de beschikbaarheid van de belangrijke volwassenen hoeft verandering in de omgeving niet per definitie een slechte zaak te zijn.

 

 

Casus:

 

Hans en Joke zijn negen jaar getrouwd. Samen hebben ze een zoontje van acht jaar, Stephan, en een dochtertje van vier jaar, Miranda. Op een dag komt Hans thuis van zijn werk en vertelt aan Joke dat hij verliefd is geworden op een andere vrouw en met haar verder wil. Joke is totaal van de kaart. In een uur tijd heeft ze haar koffers ingepakt en is met de twee kinderen vertrokken. Familie heeft Joke niet meer en haar weinige vrienden kunnen haar en haar kinderen wegens ruimte- en geldgebrek geen onderdak bieden. Joke besluit dan ook om haar intrek te nemen in een hotel. Vanaf dit moment hebben Stephan en Miranda hun vader niet meer gezien.

Na acht weken komt Joke Jan tegen in de kroeg. Het klikt gelijk en ze spreken die week een paar keer af. Joke begint zich in de tussentijd zorgen te maken over het verblijf in het hotel. Ze kan de kosten niet meer opbrengen. Joke praat met Jan over haar geldzorgen, waarop Jan aanbiedt dat zij en haar kinderen bij hem intrekken. Twee weken na hun kennismaking trekken Joke en de kinderen dan ook bij Jan in. Een jaar lang gaat dit goed.

Jan heeft ruim 2 jaar voor hun ontmoeting een eigen bedrijf opgestart in het verhandelen van zeldzame vissen. Op dit moment moet Jan nog veel investeren in het bedrijf om het goed op poten te zetten. Hij verwacht dat hij over 3 jaar voldoende heeft geïnvesteerd in zijn bedrijf en dan eindelijk winst kan gaan maken. Maar dan gaat er iets mis. Jan heeft een (te) grote order gedaan bij een onbekend bedrijf. Hij heeft al wel betaald, maar tot nu niks ontvangen. Het bedrijf gaat over de kop, en Jan blijft achter met torenhoge schulden. Uiteindelijk worden Jan, Joke en de kinderen uit huis gezet. Ze belanden in de crisisopvang.

 

De mogelijke effecten op Stephan en Miranda:

 

 

Nadelige effecten:

Miranda is vier jaar wanneer deze situaties zich voordoen in haar leven. Zij heeft de leeftijd waarin zij nog egocentrisch denkt. Bovendien kan zij nog geen onderscheid maken tussen haar (vele) fantasieën en de realiteit. Dit alles zorgt ervoor dat zij wat haar overkomen is aan zichzelf zou kunnen wijten. Schuldgevoel en angsten zijn hier het gevolg van. Hierdoor kan mogelijk regressie optreden in haar ontwikkeling.

 

Stephan is 8 jaar wanneer zijn leven ingrijpend veranderd. In deze periode wordt het geweten voor een groot deel gevormd. Hierbij is het voorbeeld dat zijn ouders geven van groot belang. Door de instabiele en gecompliceerde situatie zou het kunnen zijn dat hij niet een heel goed voorbeeld krijgt . Vader is niet meer aanwezig in zijn leven en dit maakt identificatie met hem moeilijk. Jan maakt nog maar heel kort deel van hem uit en het kan zijn dat Stephan hem beschouwt als iemand die inbreuk op zijn leven maakt. Wanneer Jan stabiel zou zijn en een duidelijke positie in het gezin in zou nemen, zou het mogelijk zijn dat Stephan dingen van hem overneemt en aanneemt. Door de eigen problemen waar Jan mee kampt,  is de kans hierop verminderd. Dit laatste geldt ook voor zijn moeder.

Dat Stephan veel naar vriendjes toe zal trekken (voor zover hij die heeft) is heel waarschijnlijk. De invloed van deze vriendjes wordt door dit alles erg groot.  Hoewel het op dit moment een hele voorbarige conclusie zou zijn, behoort het tot de mogelijkheden dat Stephan het ‘verkeerde pad’ op gaat. Ook het feit dat Stephan een jongen is, maakt hem kwetsbaarder en makkelijker te beïnvloeden.

Dat het verblijf in het opvanghuis opnieuw een tijdelijke en instabiele situatie inhoud, betekent voor beide kinderen dat hun ontwikkeling mogelijk nog een tijdje zal stagneren;

 

 

 

 

 

 

Positieve effecten:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Resumé

De opvang kan in drie fasen verdeeld worden:

De eerste indrukken in de aankomst en beginperiode in de opvang kunnen blijvend deel uitmaken van hun herinnering aan het verblijf; In de tweede fase pas het kind zich zoveel mogelijk aan nieuwe regels aan; Tijdens de vertrekfase maakt het kind de voor- en nadelen op van het verblijf in de opvang en weegt deze af.

Het kind beoordeelt zijn omgeving aan existentiële en functionele criteria. Dit houdt in dat het kind zichzelf waardeert aan de hand van het behoud van speelgoed en omgeving. Het gevolg van oud speelgoed kan dus zijn dat het kind een laag gevoel van eigenwaarde heeft.

 

Loyaliteit tussen ouders en kinderen zijn voor een kind van invloed op de houding die het kind heeft ten opzichte van de buitenwereld. Het kind zal altijd de herinnering van de relatie tussen hem en de ouder meenemen. In de opvang is het dan ook belangrijk om rekening te houden met ouders die hun kind negatief bejegenen.

 

De situatie waaruit het kind komt kan onrust en een gevoel van onveiligheid met zich meebrengen. Vanuit deze onveilige situatie is het mogelijk dat het kind een Post Traumatische Stress Stoornis oploopt. Gevolgen hiervan kunnen bestaan uit psychosomatische- en/ of gedragsmatige klachten.

Een veelvoorkomende situatie waaruit het kind komt is echtscheiding. De invloed die de echtscheiding kan hebben op het kind is veelal leeftijdsgebonden. Zo zullen kinderen tot 2 jaar weinig begrijpen van de situatie. Kinderen tussen de 2 en 4 jaar beseffen al wel dat één van de ouders weg is, maar begrijpt nog niets van de situatie. Wanneer een kind de leeftijd tussen de 4 en 7 jaar heeft bereikt, kan het kind zich moeilijk inleven in het standpunt van de ander. Het kind bekijkt de situatie al wel vanuit hun perspectief. In de leeftijd van 7 tot 12 jaar hangt de eerste reactie nauw samen met de relatie tussen de ouders voor het uiteengaan.

Een andere veelvoorkomende situatie is huiselijk geweld. Kinderen van mishandelde vrouwen hebben duidelijk meer aanpassingsproblemen dan kinderen die niet in aanraking zijn geweest met huiselijk geweld. Hierbij kan gedacht worden aan: agressief gedrag, minder sociaal vaardig en een laag zelfvertrouwen. Over de invloed van geweld op kinderen in verschillende leeftijden kan worden gezegd dat hoe minder verbale mogelijkheden het kind heeft hoe meer het terugvalt op eerdere ontwikkelingsfasen en fysieke klachten.

 

Als hulpverlener is het van belang om alert te zijn op de draagkracht van het kind. Waar het ene kind de problemen niet aankan, waardoor de ontwikkeling tijdelijk of blijvend verstoord wordt, kan het andere kind zich wel handhaven. We spreken hierbij respectievelijk van het ‘kwetsbare kind’ en het ‘weerbare kind’.

Het positief verwerken van een moeilijke situatie is bevredigend en bevordert een positief gevoel van eigenwaarde. Omgekeerd is het ontbreken van confrontatie met moeilijkheden ongunstig omdat een kind dat te weinig stressvolle gebeurtenissen meemaakt, niet wordt gestimuleerd tot het aanleren van actieve verwerkingsstrategieën en daardoor bij onverwachte stress zal falen.

 

Kinderen komen in het opvanghuis in aanraking met medebewoners. Het wonen in een groep kan zowel positieve als negatieve effecten hebben op het kind. Voorbeeld van een positief en een negatief effect van het verblijven in een groep: enerzijds krijgen ze extra aandacht van de andere bewoners en anderzijds hebben ze soms behoefte aan een eigen plekje waar zij zich even terug kunnen trekken