HOOFDSTUK 3 BEGELEIDING

Inleiding;

§ 3.1 Theorie over de bestaanskwaliteit voor kinderen;
§ Recht, ruimte, respect;
§ Opvang;

§ 3.2 Uitgangspunten voor pedagogische begeleiding;

§ 3.3 Concrete aanvulling van de begeleiding;

§ 3.4 Intake;
§ Intake met de ouder;
§ Intake met het kind;

q 3.5 Gesprek met ouder over het kind aan het begin van het verblijf;

q 3.6 Kennismakingsgesprek met het kind;

q 3.7 Tijdens het verblijf;
§ Relatie met het kind;
§ Relatie met de ouder;

§ 3.8 Suggestie voor grotere opvanghuizen;

§ Resumé

 

 

Hoofdstuk 3

 

BEGELEIDING

 

 

Inleiding

 

In de voorgaande hoofdstukken beschreven we voornamelijk theorie over de ontwikkeling van het kind en uit welke situatie een kind in een maatschappelijke opvang terecht komt en de gevolgen daarvan. In dit hoofdstuk willen we concrete aanbevelingen en adviezen geven over het begeleiden van kinderen die in de maatschappelijke opvang.

 

Ten eerste zullen we beschrijven waar een kind recht op heeft om door het leven te gaan, want ieder kind heeft recht op goede zorg. Dit zullen we beschrijven in de vorm van een korte inleiding op de theorie van De Winter, ontwikkelingspsycholoog, over bestaanskwaliteit voor kinderen en hoe je dit in de opvang mee kunt nemen.

 

We beschrijven ook uitgangspunten die begeleiders mee kunnen nemen in hun begeleiding met kinderen. Deze uitgangspunten zijn op pedagogisch inzicht verworven en nodig voor een optimaal functioneren in begeleiding met kinderen.

 

De paragrafen die hierna volgen zijn aanvullende aanbevelingen en adviezen in de begeleiding met kinderen en welke producten wij hiervoor hebben ontworpen.

 

Als laatst wordt er een suggestie gedaan voor grotere opvanghuizen.

 

 

3.1

 

THEORIE OVER DE BESTAANSKWALITEIT VOOR KINDEREN

 

 

Recht, ruimte en respect

 

Algemeen

De Winter (1992) geeft aan dat de goede zorg voor het kind lange tijd bestond uit 3 r’s: rust, ruimte en respect. De huidige tijd vraagt volgens deze ontwikkelingspsycholoog om 3 nieuwe r’s voor kinderlijke bestaanskwaliteit: recht, ruimte en respect.

 

Recht

Met recht bedoelt De Winter “ recht op persoonlijke integriteit, net als bij volwassenen, recht op goede voorzieningen, ook als je geen problemen hebt; maar recht op toekomst. Dat betekent dat kinderen ook een maatschappelijke stem moeten hebben. Kinderen zijn medeburgers en dienen als zodanig ook te worden behandeld. Hun belang dient verdedigd, hun stem dient te worden gehoord” (De Winter 1992, p.63).”

 

Ruimte

Met ruimte doelt hij zowel op de materiële ruimte als op de psychologische ruimte. Hierbij wordt gedacht aan ruimte om op te groeien, om te spelen, maar ook de ruimte om zich op de samenleving te oriënteren. Bovendien heeft een kind behoefte aan emotionele ruimte om zich te ontwikkelen tot een zelfstandig individu.

 

Respect

Ten slotte noemt De Winter nog respect, waarbij hij doelt op respect voor kinderen als individu in de groep, maar ook maatschappelijk respect, omdat kinderen het voortbestaan van en de toekomst van de cultuur vertegenwoordigen. Recht, ruimte en respect zijn volgens De Winter idealen die gezien kunnen worden als cruciale elementen in de vernieuwing van de zorg voor kinderen.”

 

 

Opvang

De theorie van De Winter, kan ook in een opvanghuis zijn invulling krijgen. Door in basisvoorwaarden als voldoende recht, ruimte en respect te voorzien, creëren opvangvoorzieningen een veilig en beschermd woonklimaat.

De volgende punten met betrekking tot ‘recht’, ‘ruimte’ en ‘respect’, lijken ons van belang.

 

Recht

In een opvanghuis hebben de kinderen recht om, net als de volwassenen, gehoord  te worden. Zij hebben recht op aandacht, in die zin dat aandacht wordt geschonken aan hun wensen, behoeften en verwachtingen. Bovendien worden gevoelens van (zelf)vertrouwen bevorderd, wanneer de omgeving consequent aandacht heeft voor de signalen van het kind.

 

Ruimte

Het begrip ruimte kan in een opvanghuis allereerst worden opgevat als een fysieke ruimte waarin kinderen zich vrij moeten kunnen bewegen en spelen.

Daarnaast heeft het kind behoefte aan emotionele ruimte, in de zin dat het kind de mogelijkheid moet hebben om alleen te zijn wanneer het dat wil of iemand te kunnen aanspreken als het verdrietig is.

 

Respect

Ten slotte kan het begrip respect worden geuit in de faciliteiten die de opvangvoorziening heeft voor de mee-opgenomen kinderen. Wanneer kinderen het gevoel hebben dat er eigenlijk maar weinig rekening met hun aanwezigheid wordt gehouden, kunnen zij zich vrij onwelkom en minder vrij voelen.

 

 

3.2

 

UITGANGSPUNTEN VOOR PEDAGOGISCHE BEGELEIDING

 

Iedere werker dient zich bewust te zijn van de specifieke problemen van de kinderen en van de specifieke methodische eisen die aan het werken met kinderen moeten worden gesteld.

De verantwoordelijkheid voor de kinderen berust bij het gehele team.

 

Behartigen van belangen

·        Het kind behoeft aandacht in de hulpverlening, dit is ook in het belang van de moeder, als er sprake is van tegenstelling in de belangen van moeder en kind. Het kind moet voorrang hebben, indien er gevaar bestaat voor psychische of lichamelijke schade.

 

Erkennen van kwetsbaarheid van kinderen

·        Begeleiders moeten alert zijn op problemen bij kinderen. Kinderen vragen niet direct zelf om hulp, maar men moet oppassen omdat het verleden en de situatie waar ze nu in zitten problemen zouden kunnen opleveren in de nabije toekomst.

 

Methodisch handelen

·        Intuïtief handelen en normativiteit

Wanneer de eigen opvoedingsnormen het uitgangspunt vormen in de hulpverlening aan kinderen, pedagogische kennis en een pedagogisch beleid in instellingen ontbreken, ontstaat het gevaar voor een normatieve opstelling waarin weinig oog is voor de culturele en waardegebondenheid van opvoedingspatronen. De werker dient hiervan bewust te zijn.

 

·        Omgaan met veranderingen in het gezinssysteem.

Veranderingen in het gezinssysteem hebben invloed op de interactie tussen de gezinsleden. Ook het leven in groepsverband beïnvloedt de gevoelens en het gedrag van ouders en kinderen omdat vele individuen interveniëren in hun leefwijze. De werkers moeten in hun ondersteuning bij de ontwikkeling van het (vernieuwde) relatiepatroon de beïnvloedende factoren zichtbaar, expliciet en bespreekbaar maken.

 

(’t Is maar voor even, NIWZ, 1993)

 

 

3.3

 

CONCRETE AANVULLING VAN DE BEGELEIDING

 

 

Vanuit het literatuur- en praktijkonderzoek dat wij hebben verricht, hebben wij zelf een aantal concrete adviezen geformuleerd, die in de begeleiding van kinderen binnen het opvanghuis kunnen worden toegepast.

De belangrijkste vragen die een begeleider van het kind zich moet stellen zijn:

 

a)      Wat heeft het kind nodig in begeleiding? en

b)      Heeft het kind wel of geen (externe) deskundige hulp nodig?

 

De antwoorden op deze vragen kunnen worden gevonden in de observatie van het kind, de gesprekken met de ouder en het contact met de kinderen, met als uitgangspunt de aandachtspunten die wij op de volgende pagina’s zullen omschrijven. Ze zijn ingedeeld naar fase van verblijf in het opvanghuis.

 

 

3.4

 

INTAKE

 

Wij adviseren de intake gedeeltelijk met ouder en kind samen te houden en daarnaast apart met ouder en kind in gesprek te gaan. Het belang hiervan is om de interactie tussen ouder en kind te kunnen zien. Daarnaast wordt beiden de gelegenheid geboden om vrijuit te spreken.

 

 

Intake met de ouder

 

·        Het lijkt ons goed om in het intakegesprek dat met de ouder wordt gevoerd, naast de vragen die worden gesteld met betrekking tot de volwassene, een aantal vragen op te nemen die gaan over het kind. Door deze vragen zou kunnen worden nagegaan of het kind te maken heeft gehad met risicofactoren die de kans op kwetsbaarheid verhogen. In het hoofdstuk over weerbaarheid- kwetsbaarheid hebben wij belangrijke risicofactoren opgenomen.

 

·        Wij denken dat moet worden benoemd dat de ouder verantwoordelijk blijft voor het kind, maar dat het opvanghuis ook medeverantwoordelijkheid draagt zoals het ook deels verantwoordelijk is voor volwassen bewoners.

 

·        Aangezien wij zullen adviseren om ook voor het kind tijdens het verblijf een begeleider aan te wijzen, vinden wij het belangrijk dat dit al in de intake wordt benoemd. Er kan worden verteld dat in samenspraak met de ouder activiteiten met het kind zullen worden gedaan. Het doel hiervan is deels de ouder te ontlasten, maar ook om te kijken hoe het met het kind gaat. Dit laatste komt voort uit betrokkenheid.

 

Ons produkt

Voor de intake met de ouder hebben wij een formulier gemaakt waar de vragen op staan die over het kind gesteld kunnen worden. Wij raden aan dit formulier te gebruiken.

 

 

Intake met het kind

 

Het is belangrijk om duidelijk maken aan het kind wat er gaat gebeuren. Ook als hier onduidelijkheid over bestaat, is het raadzaam om dit kenbaar te maken. Uiteraard is het van belang om te praten in de taal van het kind.

 

Leeftijdsaanduiding

Wij zullen richtlijnen geven voor de leeftijd van kinderen bij het houden van een intake. Hier mag enigszins flexibel mee worden omgesprongen. De keuze om wel of niet een intakegesprek met het kind te houden hangt ook af van hoe het kind hier tegenover staat.

 

 

 

 

 

Ons produkt

Wij hebben een intake-boekje gemaakt waar vragen in staan die het kind tijdens de intake kan beantwoorden. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kunnen de vragen mondeling worden gesteld of kan het boekje aan het kind worden overhandigd zodat het de antwoorden op de vragen zelf kan noteren.

 

 

3.5

 

GESPREK MET OUDER OVER HET KIND AAN HET BEGIN VAN HET VERBLIJF

 

Hier kan eventueel een apart gesprek voor worden ingepland. Het is belangrijk om dit gesprek aan het begin van het verblijf te laten plaatsvinden, zodat de begeleider van het kind snel zicht krijgt op de weerbaarheid of kwetsbaarheid van het kind. We hebben ervoor gekozen om deze onderwerpen in een eerste gesprek te behandelen en niet in de intake, omdat het te diepgaand  is voor een intakegesprek en daar door te veel tijd in beslag neemt.

Wij denken dat het belangrijk is om in het eerste gesprek met ouder over het kind, de volgende punten te behandelen:

 

·        De psychische ontwikkeling voor de stress. Hierdoor kan worden nagegaan, hoe weerbaar of kwetsbaar het kind voor de stress was. Was het al kwetsbaar, dan zal het kind niet weerbaarder worden door deze situatie en is het noodzakelijk om voor het kind deskundige hulp te zoeken. Was het kind voor de moeilijke situatie weerbaar, dan ligt alles nog open, en zal tijdens het verblijf moeten worden gelet hoe het kind zich ontwikkelt.

 

·        Communicatie in het gezin. Hoe opener de communicatie is, hoe groter de kans dat het kind weerbaarder is. Behalve dat deze vraag aan de ouder kan worden gesteld, is het belangrijk om hier als begeleider tijdens het verblijf zelf op te letten.

 

·        Sociale steun. Voor de weerbaarheid van het kind, is het belangrijk dat het sociale steun ervaart. Aan de ouder kan in dit gesprek naar dit onderwerp worden gevraagd. Voorbeelden van personen waar het kind steun van zou kunnen ervaren zijn: vriendjes en vriendinnetjes, familieleden of leerkrachten. Met de leerkracht van het kind zou eventueel contact opgenomen kunnen worden, om de steun vanuit die richting te stimuleren.

 

·        De reacties die het kind in de omgeving oproept. In een groot onderzoek van Werner bleek dat kinderen en jeugdigen die positieve reacties in hun omgeving opriepen, op alle leeftijden weerbaar waren ondanks perinatale stress en chronische armoede. Kinderen die negatieve reacties opriepen waren daarentegen kwetsbaar. Naar de reacties van de omgeving kan tijdens het eerste gesprek met de ouder worden gevraagd. Ook is het belangrijk hier tijdens het verblijf op te letten. Welke reactie roept het kind op bij de ouder, bij bezoek, bij de groep, en bij de medewerkers?

 

Ons produkt

Wij hebben een formulier ontworpen waarop vragen vermeld staan die aan de ouder gesteld kunnen worden. Wij adviseren dit formulier te gebruiken.

 

 

3.6

 

KENNISMAKINGSGESPREK MET HET KIND

 

Ook het voeren van een kennismakingsgesprek is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Het gesprek kan op de eerste dag dat het kind in het opvanghuis is, plaatsvinden. De mentor van het kind heeft de gelegenheid om het kind alvast op zijn gemak te stellen. Doordat het voor het kind duidelijk is wie zijn mentor is, weet het bij wie het terecht kan als het met iemand wil praten. Wel moet rekening worden gehouden met hoe het kind binnenkomt. Als het bang is, is het niet aan te raden het kind te overrompelen. Eventueel kan de moeder bij het gesprek aanwezig zijn.

 

·        In het kennismakingsgesprek geeft de mentor het kind een rondleiding door het huis. Ook is het aan te raden om een informatieboekje voor kinderen aan het kind te geven, waarin de gang van zaken in het opvanghuis duidelijk op een rijtje staat. Zo wordt het verblijf in het opvanghuis ook echt iets van het kind. Het kan zich welkom en betrokken voelen.

·        Tijdens het kennismakingsgesprek is de werker op de hoogte van de situatie die zich heeft afgespeeld voordat het kind in het opvanghuis werd opgenomen. Ons advies voor de hulpverlener luidt: voorkom dan dat je het kind in het ongewis laat. Maak duidelijk wat je al weet aan het kind. Hierdoor voorkom je dat het kind gaat denken "Zou die meneer/ mevrouw dat nou weten of niet? Deze houding maakt het kind en de hulpverlener vrij om in gesprek te raken.

Het gesprek kan bijvoorbeeld tijdens een activiteit plaatsvinden.

 

Leeftijdsaanduiding

De leeftijdsgrens die wij als richtlijn willen aangeven voor het voeren van een kennismakingsgesprek is 4 a 5 jaar. Het kind is vanaf deze leeftijd redelijk zelfstandig, het durft de omgeving te exploreren en het is verbaal redelijk vaardig.  Voor het vierde jaar kan al wel een rondleiding door het huis worden gegeven en het informatieboekje worden overhandigt. De ouder moet echter wel bij de rondleiding aanwezig zijn en hoewel het de woorden uit het informatieboekje nog niet kan lezen, kan het plaatjes kijken en spelenderwijs door de ouder (eventueel werker) vertrouwd worden gemaakt met het huis.

Natuurlijk zal het kind nog geen notie hebben van de huisregels, maar het kan wel aanvoelen dat er aan hem gedacht wordt.

 

Ons produkt

·        We hebben een informatieboekje ontworpen waar de relevante huisregels van het Johanniter Opvanghuis voor kinderen in verwerkt zijn.

 

 

3.7

 

TIJDENS HET VERBLIJF

 

Tijdens het verblijf is het belangrijk dat zowel een relatie wordt opgebouwd met het kind, als met de ouder. Wij raden aan om voor het kind een eigen begeleider te benoemen, hoe jong het kind ook is. Op die manier is de zekerheid groter dat het kind aandacht krijgt. Een kind kan zich dan ook bij anderen uiten, aangezien de ouder door de problemen soms niet in de gaten heeft wat er met het kind gebeurd.

De mentor van het kind zal zijn of haar begeleiding aan moeten passen aan de leeftijd van het kind. Begeleiding kan plaats vinden in de vorm van spel. Dit biedt kinderen de mogelijkheid om even hun problemen te vergeten of zelfs te verwerken. Ook kunnen gesprekken met het kind worden gevoerd op verzoek van de ouder(s). Er moet wel sprake zijn van duidelijk signaal van moeder of kind. Een actief hulpverleningsaanbod zoals dat plaatsvindt bij volwassenen is niet aan te raden, omdat hulpverleners in een opvanghuis vaak over onvoldoende pedagogische kennis beschikken.

Voor zowel de relatie met de ouders, als voor de relatie met het kind zullen we noteren wat wij belangrijk vinden in de begeleiding. Deze punten staan in willekeurige volgorde.

 

 

Relatie met het kind

 

Houding

Een kind zal geneigd zijn die persoon op te zoeken die hem of haar op de juiste manier weet te benaderen en een gevoel van vertrouwen geeft. Dit is een houding die niet heel concreet kan worden omschreven. In ieder geval is het van belang dat het kind aandacht en steun krijgt. Een belangrijke voorwaarde voor wat juist is in het benaderen van het kind, is dat de mentor aansluit bij de ontwikkeling van het kind. Dit kan in de manier van praten naar voren komen, maar ook in het doen van activiteiten. Hierop zullen wij terugkomen in hoofdstuk 4 en 5.

 

Observatie

Het is belangrijk om kinderen te observeren. Geobserveerd wordt onder andere het contact van het kind met andere kinderen/ volwassenen, contact met ouders, de lichamelijke verzorging van het kind, de motoriek en de spelkwaliteit van een kind. Andere punten waar opgelet moet worden zijn de volgende:

 

·        Is het kind een jongen of een meisje?

Dit is in principe bij de intake of zelfs daarvoor al duidelijk voor de begeleiders. De reden dat we het op deze plek noemen is niet omdat er iets mee gedaan moet worden, maar het is belangrijk om er rekening mee te houden. Jongens lijken over het algemeen kwetsbaarder te zijn dan meisjes. Dit wordt duidelijk uit het onderzoek naar de invloed van echtscheiding en van geweld op een kind. Deze situaties hebben op jongens meer zichtbare invloed dan meisjes.

 

·        Ontwikkeling van het kind.

Door het kind te observeren kan worden gesignaleerd hoever het kind in zijn/ haar ontwikkeling is. Hierdoor kan worden ingeschat of het kind voor-, achter-, of gelijk loopt bij leeftijdsgenoten. Ook kan worden nagegaan of er sprake is van regressie. Dit laatste kan duiden op een posttraumatische stress stoornis. Mocht het kind ernstig achterlopen in de ontwikkeling is het raadzaam om hier professionele hulp voor in te schakelen, op het gebied waar dit nodig is. Een voorbeeld is dat voor een kind met taalachterstand, een logopedist(e) kan worden ingeschakeld.

 

·        Tijdens het verblijf is het belangrijk om te signaleren of er kenmerken van een Posttraumatische Stress Stoornis bij het kind aanwezig zijn.

De kenmerken van een P.T.S.S. hebben wij beschreven in het hoofdstuk ‘situatie’ onder Post Traumatische Stress Stoornis. Er kan ook in het eerste gesprek met de ouder worden nagegaan, of het kind symptomen heeft van deze stoornis. Het is echter belangrijk om er op te blijven letten en ernaar te blijven vragen bij de ouder en bij het kind, omdat een P.T.S.S. zich ook later kan ontwikkelen.

 

·        Veel kinderen die in een opvanghuis terechtkomen hebben (echt)scheiding van de ouders meegemaakt.

Als ouder, maar ook als hulpverlener is het belangrijk te benadrukken dat de scheiding niet de schuld van het kind is.

Hieronder geven wij een aantal aandachtspunten waar hulpverleners en ouders rekening mee zouden moeten houden, in geval van echtscheiding.

 

Hulpverleners

 

 

Tevens zouden zij naar de kinderen moeten luisteren en moeten beseffen dat ieder kind recht heeft op een relatie met beide ouders.

 

Ouders kunnen het best:

 

Interventie

·        Een ander aandachtspunt is het gegeven dat wanneer een kind wordt geholpen, interventies gericht kunnen worden op het verminderen van de oorzaken van stress, of het versterken van de hulpbronnen. Dit laatste wordt al gerealiseerd door het aanstellen van een begeleider van het kind. Er kan verder gezocht worden naar eventuele hulpbronnen. Te denken valt aan de leerkracht van het kind.

Het verminderen van de oorzaken van stress is een moeilijkere opgave voor de hulpverlener. Wel kan de begeleider zich inzetten om de oorzaken die tijdens het verblijf stress oproepen, te verminderen. Dit houdt in dat de begeleider goed op de hoogte moet zijn van wat er speelt in de groep. Ook kan de ouder van het kind wat rust worden gegund, doordat de mentor aandacht aan het kind besteedt. Wanneer de ouder namelijk gestresst is, zal hij of zij dit ook op het kind over kunnen brengen.

 

·        Inspelen op fasen van verblijf. Zeker in de eerste fase van verblijf heeft het kind nog veel aandacht nodig. Ook in de tweede fase is aandacht voor het kind belangrijk, al zullen sommige kinderen dit niet laten merken. In de laatste fase is het belangrijk om het contact af te bouwen, zodat ze niet afhankelijk zijn van de begeleider als het verblijf in het opvanghuis eindigt.

 

·        Continuïteit is een belangrijk punt in het leven van een kind. Het veronderstelt een zekere mate van stabiliteit en voorspelbaarheid. Binnen een opvanghuis kan continuïteit worden gecreëerd door het kind zoveel mogelijk vertrouwde dingen te laten behouden. Er gaat bijvoorbeeld een voorkeur naar uit als het kind de mogelijkheid heeft in dezelfde woonplaats en op dezelfde school te blijven. Ook zou het goed zijn voor een kind als het een eigen plekje in het opvanghuis krijgt.

 

Leeftijdsaanduiding

Zoals gezegd adviseren wij heb opvanghuis een aparte begeleider voor het kind aan te stellen, onafhankelijk van de leeftijd van het kind. De invulling van de begeleiding is daarentegen wel leeftijdsafhankelijk. Er kunnen activiteiten met de kinderen worden gedaan die bij de leeftijd van het kind horen. In hoofdstuk 5 hebben wij een aantal activiteiten opgenomen voor kinderen variërend van baby tot schoolkind.

De gespreksvoering kan wat ons betreft plaatsvinden vanaf 4 jaar. Het kind heeft dan enig besef van wat hem overkomt en is verbaal voldoende vaardig om hier uiting aan te geven.

Uiteraard moet een kind van 4 in gespreksvoering anders worden benaderd dan een kind van 12. In hoofdstuk vier zullen we hier op ingaan.

 

Ons product

We hebben een ‘binnenkomstboekje’ en een kleurplatenboekje voor de kinderen gemaakt. Deze kunnen in principe worden gebruikt van 2 tot 12 jaar, maar ze zijn het meest geschikt voor kinderen tot een jaar of 7. Daarna krijgt het kind vaak andere interesses. Dit is echter wel afhankelijk van het kind zelf.

De kinderen kunnen zelf bepalen wat ze interessant vinden. Het zijn hun eigen boekjes en niet per definitie bedoeld voor de begeleiding, alhoewel hier eventueel gebruik van gemaakt kan worden.

 

 

Relatie met de ouder

 

·        De vertrouwensband tussen de ouders en de begeleiders is belangrijk als het gaat om het zich al dan niet bemoeien met de opvoeding. Er moet een gezamenlijke strategie voor hulpverlening ontwikkeld worden tussen beide disciplines.

 

·        Opvoedingsondersteuning rendeert het best in een open communicatiesituatie en is het meest effectief als het aansluit bij de eisen die de ouder stelt. Het aanbod moet zich aansluiten op hun specifieke (culturele) situatie. Hiervoor zal de begeleider zich moeten verdiepen in de wensen van de ouder. Het is wenselijk om een aantal gesprekken met de ouder over het kind te voeren.

 

Ons product

Wij hebben een formulier ontworpen met als onderwerp ‘Post Traumatische Stress Stoornis bij het kind’. Dit kan door een medewerker worden ingevuld, maar ook door de ouder van het kind. Wanneer er zorgen over het kind ontstaan bij de medewerker of de ouder kan dit formulier aan de ouder worden uitgereikt. Nadat het formulier is ingevuld kunnen de medewerker en de ouder hierover in gesprek gaan.

 

 

3.8

 

SUGGESTIE VOOR GROTERE OPVANGHUIZEN

 

·        Om de kinderen zo goed mogelijk te kunnen opvangen kunnen er activiteiten worden georganiseerd of interventies worden gepleegd die kunnen bijdragen aan hun ontwikkeling in het opvanghuis. Sommige opvanghuizen hebben hiervoor een kinderwerk(st)er aangesteld. Dit is ook wat wij willen aanraden. De kinderwerkster kan een pedagoog, een speltherapeut of iemand met een andere achtergrond zijn die ook gespecialiseerd is in het werken met kinderen.

De kinderwerk(st)er organiseert activiteiten die hij /zij samen met de kinderen kan doen, maar biedt ook hulp en ondersteuning bij het verwerken van verdriet dat vele kinderen hebben na een scheiding van (t)huis. Activiteiten kunnen van recreatieve aard zijn, zoals naar het zwembad gaan of een film kijken, maar ook kunnen er kindervergaderingen worden gehouden. Tijdens kindervergaderingen worden er zaken besproken waar de kinderen moeite mee hebben (bijvoorbeeld het verblijf in het opvanghuis, maar ook andere zaken die zij graag zouden willen bespreken).

Behalve de vergaderingen worden er ook spreekuren voor de kinderen georganiseerd en er wordt een praatgroep voor kinderen georganiseerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Resumé

De basisvoorwaarden ‘rust, ruimte en respect’ bewerkstelligen volgens De Winter een veilig en beschermd woonklimaat. Het kind heeft ‘recht’ om gehoord te worden, dit behoort geuit te worden in aandacht. Ook heeft het kind ruimte nodig om te kunnen spelen en ruimte nodig om zichzelf terug te kunnen trekken. Tevens is het voor een kind belangrijk dat de faciliteiten, zoals bijvoorbeeld het speelgoed, er verzorgd uit ziet. Hieruit maakt het kind op dat het met respect wordt behandeld en daardoor welkom is.

 

Als pedagogisch medewerker dient men zich bewust te zijn van de volgende uitgangspunten als het gaat om de begeleiding van het kind: behartigen van belangen, erkennen van kwetsbaarheid van het kind en methodisch handelen.

 

De belangrijkste vragen die de medewerker hierbij aan zichzelf stelt aan het begin van de begeleiding: wat heeft het kind nodig in de begeleiding en heeft het kind wel of geen professionele hulp nodig?

 

Ons advies aan het Johanniter opvanghuis is om zowel met de ouder als met het kind een intake te doen. Daarnaast is het belangrijk om tezamen met de ouder een gesprek te hebben over het kind. Wij raden aan om dit gesprek aan het begin van het verblijf te laten plaatsvinden. Mede adviseren wij om een kennismakingsgesprek met het kind te houden om het kind zodoende op zijn gemak te stellen.

 

In de begeleiding met het kind is de relatie tussen de begeleider en het kind belangrijk. Hierbij zijn de aspecten houding, observatie en interventie van belang.