HOOFDSTUK 4 GESPREKSVOERING MET KINDEREN

§ Inleiding;

§ 4.1 Gespreksvoering met kinderen in verschillende leeftijdscategorieën;
- Communicatievoorwaarden;
- Metacommunicatie; 52
§ 4.1.1 Gespreksvoering met kinderen van 4 tot 6 jaar;
§ 4.1.2 Gespreksvoering met kinderen van 6 tot 8 jaar;
§ 4.1.3 Gespreksvoering met kinderen van 8 tot 10 jaar;
§ 4.1.4 Gespreksvoering met kinderen van 10 tot 12 jaar;

 

 

HOOFDSTUK 4

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN

 

 

Inleiding

 

Niet alleen hoeven kinderen problemen te hebben met hun ouders of met de opvoeding die zij genieten, maar zij kunnen een persoonlijk probleem hebben, waar een ouder niets aan kan doen. Zij worden bijvoorbeeld gepest op school of vinden het vreselijk dat ze tijdelijk in een opvanghuis wonen. In een soortgelijke situatie is het belangrijk hier aandacht aan te schenken en in gesprek te gaan met het kind.

Hoe een hulpverlener moet praten met een kind, hangt van de leeftijd af en daarom wordt de gespreksvoering naar leeftijd beschreven.

Voordat de hulpverlener met het kind in gesprek gaat, is het noodzakelijk een grove inschatting te maken van de mentale leeftijd van het kind. De hulpverlener in het Johanniter Opvanghuis kent het kind al een beetje, want het kind wordt hier dagelijks gezien. Door te observeren kan de hulpverlener veel dingen duidelijk krijgen. Ter illustratie:

Een kind dat dolgraag knikkert, is –afgezien van zijn kalenderleeftijd – in principe mentaal jonger dan dertien jaar. Een kind dat geïnteresseerd is in de ontstaansgeschiedenis van de wereld is – eveneens afgezien van de kalenderleeftijd – mentaal ouder dan tien jaar.

 

 

4.1

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN IN VERSCHILLENDE LEEFTIJDSCATEGORIEËN

 

Er zijn een aantal voorwaarden van belang in het gesprek met kinderen van alle leeftijden. Deze zijn:

 

·        Communicatievoorwaarden

-         De hulpverlener zit op dezelfde ooghoogte als het kind;

-         De hulpverlener kijkt het kind aan terwijl hij spreekt;

-         De hulpverlener stelt het kind op zijn gemak;

-         De hulpverlener luistert naar wat het kind zegt;

-         De hulpverlener laat met behulp van voorbeelden zien dat wat het kind zegt, effect heeft;

-         De hulpverlener maakt het kind duidelijk dat het een eigen mening mag uiten;

-         De hulpverlener combineert spelen en praten;

-         De hulpverlener signaleert wanneer het kind afhaakt en breekt vervolgens het gesprek af;

-         De hulpverlener zorgt ervoor dat het kind tot zichzelf kan komen, als het een moeilijk gesprek is geweest.

 

·        Metacommunicatie

-         De hulpverlener maakt het doel van het gesprek duidelijk;

-         De hulpverlener laat het kind weten wat zijn intenties zijn;

-         De hulpverlener laat het kind weten dat hij feedback nodig heeft;

-         De hulpverlener nodigt het kind uit zijn mening over het onderwerp te geven.

 


Bij gespreksvoering met kinderen moet aan de volgende aspecten worden gedacht:

1.      Metacommunicatie

·        De hulpverlener legt het doel van het gesprek uit;

·        De hulpverlener maakt gebruik van metacommunicatie, om gewenste uitingen te stimuleren.

 

2.      Vorm waarin het gesprek plaatsvindt

·        De hulpverlener combineert praten en spelen;

·        Per leeftijdscategorie wordt de tijd van het gesprek bepaald.

 

3.      Verbaal aspect

·        De hulpverlener gebruikt korte en concrete taal.

 

4.      Non-verbaal aspect

·        De hulpverlener uit dit aspect vooral door middel van lichaamstaal

 

5.      Vraagtechnieken

·        De hulpverlener wisselt open en gesloten vragen af.

 

6.      Motivatie

·        De hulpverlener werkt het hele gesprek aan de motivatie van het gesprek;

·        De hulpverlener beloont het kind, zowel materieel, drinken/ snoepjes als immaterieel, complimentjes.

4.1.1

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN VAN VIER TOT ZES JAAR

 

Gespreksvoering met kinderen wordt aan de hand van het boek; ‘luister je wel naar mij?’ , van Martine F. Delfos, beschreven.

 

1. Metacommunicatie

·        Het is belangrijk dat de hulpverlener het gesprekskader uitlegt, want het kind kent de regels van gespreksvoering onvoldoende;

·        De hulpverlener vertelt het kind dat de echte mening aan de orde is en niet de fantasie;

·        Het kind moet te horen krijgen, dat de hulpverlener vraagt, omdat hij het niet weet. Het principe van feedback is onvoldoende bekend bij het kind;

·        De hulpverlener maakt veel gebruik van metacommunicatie, om het kind te stimuleren te praten en om het zelfvertrouwen van het kind te bevorderen.

 

2. Vorm waarin het gesprek plaatsvindt

·        De hulpverlener combineert spelen en praten;

·        De hulpverlener voert korte gesprekjes van 10 minuten, afgewisseld met spel;

·        De hulpverlener maakt gebruik van non-verbale spelvormen en maakt verhaaltjes en zinnen af. Ook gebruik van non-verbale metaforen, zoals met poppen of autootjes spelen;

·        In een verhaaltje meer gebruik maken van familieleden, bijvoorbeeld eerder een denkbeeldig broertje dan een denkbeeldig vriendje;

·        Waneer het kind vermoeid raakt, gaat de hulpverlener door met het spel en laat het gespreksdeel even zitten;

·        De hulpverlener moet het kind niet te lang achter elkaar laten stilzitten. Het kind moet bewegen tussendoor, dit kan spanning doen afnemen.

 

3. Verbaal aspect

·        De hulpverlener gebruikt geen moeilijke woorden, maar korte en concrete taal;

·        De hulpverlener helpt het kind met formuleren, maar vraagt het kind wel of de invulling klopt.

 

4. Non-verbaal aspect

·        De hulpverlener maakt veel gebruik van non-verbale communicatie, zowel in het gebruik van voorwerpen als in het uitdrukken van lichaamstaal.

 

5. Vraagtechnieken

·        De hulpverlener wisselt met het stellen van open en gesloten vragen;

·        Gesloten vragen worden niet als hoofdvraag gebruikt, maar om het antwoord te controleren;

·        De hulpverlener vermijdt suggestieve vragen en gebruikt deze alleen als er zekerheid is over wat het kind denkt;

·        De hulpverlener stelt vragen over gebeurtenissen meer in ruimtelijke zin. (‘Waar was je toen; hoe zag je kamer eruit’) dan in temporele zin (‘Wanneer was dat’);

·        De hulpverlener stelt geen samenvattende vragen, maar herhaalt vragen op een gevarieerde manier.

 

6. Motivatie

·        De hulpverlener werkt het hele gesprek aan de motivatie voor het gesprek;

·        De hulpverlener is attent op de mate waarin het kind bij het gesprek betrokken is en hoe belangrijk de activiteit is;

·        Jonge kinderen zijn in moreel opzicht gericht op straffen en belonen. Beloning is voor een kind een signaal dat iets goed is. Op oudere leeftijd zou het betekenen dat je een kind omkoopt, op jongere leeftijd betekent dit dat een kind er goed aan heeft gedaan mee te doen aan het gesprek. Een beloning kan materiaal zijn (snoep, drinken, speeltje), maar moet ook immaterieel zijn (goedkeuring geven);

·        De hulpverlener past de afronding van het gesprek aan op de spanning van het kind;

 

 

4.1.2

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN VAN ZES TOT ACHT JAAR

 

1.      Metacommunicatie

·        Het is belangrijk dat de hulpverlener het gesprekskader uitlegt, want het kind kent de regels van gespreksvoering onvoldoende;

·        De hulpverlener vertelt het kind dat de echte mening aan de orde is en niet de fantasie;

·        De hulpverlener maakt uitgebreid gebruik van metacommunicatie.

 

2.      Vorm waarin het gesprek plaatsvindt

·        De hulpverlener wisselt praten en spelen af en doet activiteiten waar beweging bij hoort;

·        De hulpverlener voert gesprekjes van maximaal 20 minuten met daartussen spel;

·        De hulpverlener gebruikt verbale communicatie d.m.v. verhaaltjes vertellen en zinnen afmaken;

·        De hulpverlener laat het kind niet te lang achter elkaar zitten.

 

3.      Verbaal aspect

·        De hulpverlener gebruikt korte en concrete taal en geen moeilijke woorden.

 

4.      Non-verbaal aspect

·        De hulpverlener uit dit aspect vooral in de zin van lichaamstaal.

 

5.      Vraagtechnieken

·        De hulpverlener vermijdt gesloten en suggestieve vragen, deze worden alleen gebruikt om te controleren;

·         De hulpverlener stelt vooral open vragen en vraagt door op details;

·        De hulpverlener stelt geen samenvattende vragen, maar herhaalt vragen op een gevarieerde manier.

 

6.      Motivatie

·        De hulpverlener werkt het hele gesprek aan de motivatie voor het gesprek;

·        Ook op deze leeftijd helpt het de hulpverleners het kind te belonen;

·        De hulpverlener rondt het gesprek af op het feit dat het onderwerp voldoende besproken is.

 

 

4.1.3

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN VAN ACHT TOT TIEN JAAR

 

1.      Metacommunicatie

·        Het gesprekskader is voor de meeste kinderen in deze leeftijd duidelijk. De hulpverlener benoemt de aard van het gesprek en legt het gesprekskader globaal uit;

·        De hulpverlener maakt uitgebreid gebruik van metacommunicatie, in het bijzonder om gewenste uitingen te stimuleren.

 

2.      Vorm waarin het gesprek plaatsvindt

·        De hulpverlener wisselt het praten soms even af met spelen, liefst bewegingsspel;

·         Het verbale gesprek duurt een half uur tot drie kwartier;

·        De hulpverlener maakt gebruik van indirecte communicatie door mening te vragen d.m.v. vragen wat vriendjes ervan zouden vinden.

 

3.      Verbaal aspect

·        De hulpverlener maakt gebruik van concrete taal en legt moeilijke woorden uit.

 

4.      Non-verbaal aspect

·        Dit aspect uit de hulpverlener door lichaamstaal te benoemen.

 

5.      Vraagtechnieken

·        De hulpverlener wisselt open en gesloten vragen af en vraagt ruim door;

·        De hulpverlener vermijdt suggestieve vragen;

·        De hulpverlener probeert actief sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen;

·        De hulpverlener vraagt naar het ‘hoe’, ‘waar’ en het ‘wanneer’;

·        De hulpverlener stelt samenvattende vragen om de structuur van het gesprek vast te houden.

 

6.      Motivatie

·        De hulpverlener controleert de motivatie tijdens het gesprek;

·        De hulpverlener legt de regels van de maatschappij uit, want kinderen vanaf acht jaar zijn gevoelig voor regels. Elementen als eerlijkheid en eigen mening zeggen, kunnen regels zijn. Ze zijn gevoelig voor beloning, zowel materieel als immaterieel;

·        De hulpverlener rondt het gesprek af wanneer het onderwerp voldoende is besproken.

 

 

4.1.4

 

GESPREKSVOERING MET KINDEREN VAN TIEN TOT TWAALF JAAR

 

1.      Metacommunicatie

·        Deze kinderen begrijpen veel gesprekskaders, de hulpverlener legt het doel van het gesprek uit;

·        De hulpverlener gebruikt weinig metacommunicatie, alleen om waardering uit te spreken voor de bijdrage aan het gesprek.

 

2.      Vorm waarin het gesprek plaatsvindt

·        De hulpverlener  en het kind praten;

·        Het gesprek kan een uur duren;

·        Er mag eventueel een leeftijdgenootje meekomen.

 

3.      Verbaal aspect

·        De hulpverlener gebruikt dit aspect door lichaamstaal te benoemen.

 

4.      Non-verbaal aspect

·        De hulpverlener gebruikt dit aspect door lichaamstaal te benoemen.

 

5.      Vraagtechnieken

·        De hulpverlener stelt open vragen en maakt metacommunicatief duidelijk dat het om echtheid gaat;

·        De hulpverlener vraagt door via open vragen en stelt gesloten vragen om interpretaties te controleren;

·        De hulpverlener gebruikt alleen suggestieve vragen om sociaal wenselijk gedrag te voorkomen. Wel: ‘Je gaat toch niet antwoorden geven waarvan je denkt dat ik ze wil horen’? Maar niet: ‘je vindt het zeker niet leuk in het opvanghuis’?

·        De hulpverlener vraagt naar het ‘hoe’, ‘waar’, ‘wanneer’ en ‘waarom’.

·        De hulpverlener stelt samenvattende vragen om de structuur van het gesprek vast te houden.

 

6.  Motivatie

·        De hulpverlener herhaalt de motivatie van het gesprek eens, maar niet vaak. Het kind voelt zich duidelijk zelf ook verantwoordelijk voor het gesprek;

·        Complimentjes zijn voor kinderen in deze leeftijd er belangrijk. Ook is het voor dit kind belangrijk te weten wat de maatschappij en leeftijdgenoten van hem vinden.

·        De hulpverlener rondt het gesprek af op tijd en op onderwerp.