HOOFDSTUK 5 ACTIVITEITEN

Inleiding;

§ 5.1 Baby's;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;

§ 5.2 Peuters;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;

§ 5.3 Kleuters;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;

§ 5.4 Jonge schoolkind;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;

§ 5.5 Speciale activiteiten;
§ 5.5.1 Leren uiten van gevoelens;
§ 5.5.2 Leren omgaan met angsten;
§ 5.5.3 Vergroten van de weerbaarheid;
§ 5.5.4 Inzichten in familieverband;
§ 5.5.5 Omgaan met gemis;

§ 5.6 Overige activiteiten;
§ Zintuiglijke activiteiten;
§ Procesgerichte activiteiten;
§ Creatieve activiteiten;

 

 

 

HOOFDSTUK 5

 

ACTIVITEITEN

 

 

Inleiding

 

In dit hoofdstuk staan verschillende activiteiten beschreven, die steeds onafhankelijk van elkaar kunnen worden gebruikt. De doelen van de verschillende activiteiten zijn divers. Zo zijn er activiteiten die gericht zijn op de ontwikkeling van het lichaam en activiteiten die gericht zijn op de hulpverlening. De laatste genoemde activiteiten bestaan uit de volgende thema’s:

-         het uiten van gevoelens;

-         omgaan met angsten;

-         het vergroten van weerbaarheid;

-         inzicht in familiebanden;

-         omgaan met gemis.

 

Opbouw van het hoofdstuk

Per ontwikkelingsfase wordt kort weergegeven wat de interesses en behoeften van het kind zijn. Daarnaast worden de doelen van de activiteiten kort weergegeven. De activiteiten die met het kind gedaan kunnen worden, worden kort vermeld tezamen met de verwijzing naar de bladzijde waarop de activiteit uitgebreid staat beschreven.

De activiteiten zijn onderverdeeld onder de noemers ‘speciale activiteiten’ en ‘overige activiteiten’.

De speciale activiteiten zijn bedoeld om spelenderwijs de kinderen om te leren gaan met hun problemen. De overige activiteiten zijn erop gericht om de kinderen tot rust te laten komen, zichzelf of materialen te ontdekken en vaardigheden te ontwikkelen.

 

 

5.1

 

BABY’S

 

 

Doelgroep

De babyleeftijd duurt tot ongeveer anderhalf jaar

 

Interesses

Baby’s vinden het leuk als er met hen ‘getutteld’ wordt. Dingen als vasthouden, praten, liedjes zingen en versjes opzeggen.

 

Behoeftes

Baby’s hebben behoefte aan veiligheid en warmte en daarnaast een vast persoon die hen verzorgt. Het belang van een vast persoon komt voort uit de behoefte van een baby zich aan één persoon te hechten. Vasthouden, tegen de baby praten, versjes zeggen, liedjes zingen, geluidjes maken en aanraken zijn dingen die onder dat verzorgen vallen. Daarnaast slaapt een baby natuurlijk veel. Er zijn drie dingen heel belangrijk in het leven van een baby (de drie r’s):

-         rust;

-         regelmaat;

-         reinheid.

 

 

Doelen

 

Bevorderen van het contact met de buitenwereld

-         reacties uitlokken;

-         individuele aandacht geven;

-         laten voelen; laten zien; laten horen, laten ruiken/proeven,

-         proberen het ‘herkennen’ te bevorderen;

-         tot rust laten komen.

 

Aanreiken basisvoorwaarden voor de ontwikkeling

-         ontwikkelen van de zintuigen.

 

 

Activiteiten

 

Speciale activiteiten zijn voor baby’s nog niet van toepassing

 

Overige activiteiten                                                             

-         A spel met water (in bad gaan);                                  

-         B  spel met lapjes;                                                     

-         C  spel met voelzakjes.                                                                                                                     

 

 

5.2

 

PEUTERS

 

 

Doelgroep

De peuterleeftijd loopt van ongeveer anderhalf jaar tot vier jaar.

 

Interesses

Peuters hebben belangstelling voor dingen die ze direct om zich heen zien, ze vinden het leuk om dingen uit te proberen. Spelen is voor peuters de belangrijkste manier om te leren hoe de wereld in elkaar zit; al spelend wordt hun wereld groter.

 

Behoeftes

Peuters houden van afwisseling. Peuters willen veel kunnen en veel doen. ‘Zelf doen’ is dan ook vaak een soort lijfspreuk.

Peuters hebben behoefte aan heel veel bewegen, lang stil zitten kunnen ze niet. Lopen is vaak niet genoeg, ze willen hollen en rennen.

 


Doelen

 

Speciale activiteit

-         leren uitten van gevoelens

 

 

Bevorderen van de ontwikkeling

-         ontwikkelen van de zintuigen;

-         het verkennen van het materiaal;

-         ervaren hoe het is om spelenderwijs bezig te zijn;

-         peuters de mogelijkheid bieden zich uit te leven en af te reageren;

-         een verhaal lijfelijk laten beleven.

 

Uitbreiden van de mogelijkheden

-         leren een tijdje met iets bezig te zijn;

-         leren netjes en secuur te werken;

-         oefenen van vaardigheden;

-         oefenen van motoriek.

 

 

Activiteiten

 

Speciale activiteit                                                                 

-         A herken het gevoel                                                   

 

Overige activiteiten                                                             

-         D spel met vingerverf                                                 

-         E  spel met snippers                                                   

-         F  stempelen en sjabloneren                                       

 

 

5.3

 

KLEUTERS

 

 

Doelgroep

De kleuterleeftijd loopt van ongeveer vier tot zes jaar.

 

Interesses

Kleuters houden van verhaaltjes, versjes, liedjes, puzzeltjes, spelletjes, kleien, knippen, plakken, tekenen en schilderen.

 

Behoeftes

Kleuters willen graag hun fantasie uitleven in spel. Werkelijkheid en fantasie lopen nog door elkaar heen. Een prettige en vriendelijke sfeer zijn heel belangrijk.

 

 

 

 

Doelen

 

Speciale activiteiten                                                             

-         leren uitten van gevoelens

-         leren omgaan met angsten

-         familiebanden duidelijk krijgen

-         leren omgaan met gemis

 

Uitbreiden van de mogelijkheden

-         leren een tijdje met iets bezig te zijn;

-         leren netjes en secuur te werken;

-         oefenen van vaardigheden;

-         oefenen van motoriek.

 

Aanreiken basisvoorwaarden voor de ontwikkeling

-         ontwikkelen van de zintuigen;

-         verkennen van het materiaal;

-         ervaren hoe het is om met materiaal spelenderwijs bezig te zijn;

-         een verhaal lijfelijk laten beleven;

-         kleuters de mogelijkheid bieden zich uit te leven en af te reageren.

 

 

Activiteiten

 

Speciale activiteiten                                                             

-         A  herken het gevoel                                                  

-         B  de spiegel met gevoel                                            

-         C  wat vertellen de gezichtjes                         

-         G  motorische ontlading van agressie              

-         H  ik kan niet slapen                                       

-         J   het gezin kleien                                          

-         K een lieve doos voor iemand die je mist        

 

Overige activiteiten

-         D  spel met vingerverf                         

-         E  spel met snippers                           

-         F  stempelen                                      

 

5.4

 

JONGE SCHOOLKIND

 

 

Doelgroep

Dat is ongeveer de leeftijd van zes tot tien jaar.

 

Interesses

De interesse van de kinderen gaat uit naar alledaagse herkenbare dingen. Hun belevingswereld ligt dicht bij huis: vader, moeder, broertjes, zusjes, opa’s en oma’s, dieren in huis, bloemen en vlinders in de tuin. Ook vinden ze het leuk als het met het jaarritme te maken heeft: met name de feesten en seizoenen

Thema’s over herkenbare beroepen, de dierentuin, het circus, de boerderij, het bos e.d. liggen in hun belangstellingssfeer.

Kenmerkend voor deze leeftijd is de fantasie en het geweldige enthousiasme. Verhaaltjes en sprookjes vinden ze vaak heel leuk.

 

Behoeftes

De kinderen willen graag nieuwe dingen leren. Bij dat leren houden ze van afwisseling. Kinderen van deze leeftijd hebben veel energie, die zich uit in een niet te stuiten bewegingsdrang. Zich lang concentreren is nog moeilijk.

 

 

Doelen

 

Speciale activiteiten

-         het leren uitten van gevoelens

-         leren omgaan met angsten

-         het vergroten van weerbaarheid

-         inzicht in familiebanden

-         leren omgaan met gemis

 

Uitbreiden van de mogelijkheden

-         stimuleren van het eigen initiatief

-         stimuleren van het vermogen tot ordenen

-         stimuleren van het logisch denken

-         leren een tijdje met iets bezig te zijn

-         leren netjes en secuur te werken

-         oefenen van vaardigheden

-         oefenen van de motoriek

 

 

Activiteiten

 

Speciale activiteiten                                                              pagina

-         D  teken je oude en nieuwe huis          

-         E  de boze tekening                            

-         F  het lelijke gedachte doosje                         

-         G  motorische ontlading van agressie              

-         H  ik kan niet slapen                                       

-         J   het gezin kleien                                          

-         K  een lieve doos voor iemand die je mist       

 

Overige activiteiten

-         G  tekenen als taal                                          

-         H  collages maken                              

 

 


5.5

 

SPECIALE ACTIVITEITEN

 

Al de volgende activiteiten komen uit het boek: spelenderwijs, doelgericht spelen voor kinderen in de hulpverlening.

 

 

5.5.1

 

LEREN UITEN VAN GEVOELENS

 

A Herken het gevoel

 

Activiteit: plaatjes benoemen

Doel         : leren differentiëren en herkennen van gevoelens

Leeftijd   : vanaf 3 tot 6 jaar

Aantal     : niet al te grote groep kinderen, is ook prima toe te passen bij één kind.

Materiaal: plaatjes met verschillende afbeeldingen van kinderen die een emotie uitbeelden. Zie de bijlage van dit hoofdstuk.

 

Vooraf knip je plaatjes uit met verschillende afbeeldingen van kinderen met een emotie en plak je ze op een stuk karton, het is wellicht handig om ze hierna te plastificeren. De vraag die je aan de kinderen (of het kind) stelt is als volgt: ‘wie weet er hoe het kind van het plaatje zich zou kunnen voelen?’ Probeer samen met de kinderen (of het kind) de situatie te omschrijven en het gevoel te benoemen.

 

Houdt er wel rekening mee, dat kinderen verschillende gevoelens in een zelfde situatie kunnen hebben. Het ene kind zal zich in een bepaalde situatie vooral boos voelen en het andere kind eerder verdrietig. Kijk vervolgens met de kinderen naar het kind op het plaatje. Wat is zijn uitdrukking? Is die jongen vooral boos? Of lijkt hij eerder verdrietig? Probeer op deze manier zo veel mogelijk te differentiëren en laat de kinderen steeds weer goed kijken naar de uitdrukking van de figuur die op het kaartje staat afgebeeld.

B De spiegel met gevoel

 

Activiteit: mimiek en beweging

Doel        : bewustwording bij kinderen van hun eigen lichaam

Leeftijd   : vanaf 4 tot 6 jaar

Aantal     : niet al te grote groep kinderen, is ook prima toe te passen bij één kind.

Materiaal: een grote spiegel

 

Voor deze activiteit heb je een grote ruimte nodig, waarin kinderen (of het kind) vrij kunnen bewegen. Als eerste laat je de kinderen (of het kind) de spiegel zien en je vertelt dat het geen gewone spiegel is, het is namelijk een spiegel met gevoel.

 

Daarna laat je de kinderen (of het kind) door de ruimte lopen en vraag je ze om uit te beelden wat jij zegt. Zelf loop je met de spiegel door de ruimte en houdt deze af en toe voor aan de spelende kinderen. Gevoelens die je kunt laten uitbeelden zijn onder andere:

 

-         je bent vrolijk

-         je bent verliefd

-         je voelt je boos

-         je bent bang

-         je voelt je rustig

-         je bent moedig

-         je bent jaloers

-         je schaamt je

-         je bent tevreden

-         je hebt het koud

-         je voelt je opgelucht

-         je verveelt je

-         je voelt je verdrietig

-         je bent driftig

-         je bent heel erg boos

-         je voelt je groot

-         je voelt je klein

-         je bent blij

 

Door de kinderen (of het kind) af en toe in de spiegel te laten kijken, confronteer je ze met hun non-verbale communicatie. Je zou ook nog vragen kunnen stellen als: ‘vind je dit kind boos?’ en ‘Denk je dat je er nu blij uit ziet?’

Overigens hebben kinderen de neiging om te gaan lachen zodra ze zichzelf in de spiegel zien. Toch moet je ze stimuleren om het juiste gevoel uit te beelden

 

Afronding

Aan het einde is het belangrijk altijd met een blij gevoel af te sluiten. Anders kunnen kinderen bijvoorbeeld in een boze bui blijven hangen.

 

 

C Wat vertellen de gezichtjes

 

Activiteit: dobbelspel

Doel         : vrije associatie en uiten van gevoelens

Leeftijd   : vanaf 4 jaar

Aantal     : maximaal aantal van 12 kinderen, is ook prima toe te passen op één kind

Materiaal: een grote dobbelsteen, waarop je gezichtjes plakt met ieder een verschillende uitdrukking: boos, blij, verdrietig, bang enz.

 

De dobbelsteen voor dit spel moet groot genoeg zijn, zodat je de gezichtjes er duidelijk op kunt tekenen en de afbeeldingen goed zichtbaar zijn. Alle zes de gezichtjes moeten een andere uitdrukking hebben.

 

Ga met de kinderen in een kring zitten. Wanneer er gewerkt wordt met één kind, ga dan ook met dit kind op de grond zitten.

Tijdens dit spel mag alleen het kind dat de beurt heeft praten. De kinderen mogen vervolgens om de beurt met de dobbelsteen gooien. Degene die aan de beurt is, mag een kort verhaaltje vertellen over het gezichtje dat hij heeft gegooid.

 

Overigens moet je er tijdens dit spel voor waken dat je zelf de emoties van de gezichtjes op de dobbelsteen niet benoemt. Zeg niet: ‘dit gezichtje kijk boos, wil je daar wat over vertellen?’ Maar: ‘wat zie je, wil je daar over vertellen?

 

Voorbeeld

Een jongen van twaalf jaar vertelde bij een gezichtje dat blij keek: ‘dit gezichtje kijkt wel blij, maar is niet blij, want zijn moeder houdt meer van zijn broer en zus dan van hem. Hij doet gewoon alsof hij blij is.’

 

Uiteraard gaf dit aanleiding om in een later stadium met de jongen en zijn moeder hierover te praten.

 

D Teken je oude & nieuwe huis

 

Activiteit: tekenen

Doel        : uiten en verwerken van gevoelens

Leeftijd   : vanaf 5 tot 10 jaar

Aantal     : maximaal 15 kinderen, is prima toe te passen bij één kind

Materiaal: tekenpapier formaat A3, stiften en potloden

 

Vooraf vouw je alle A3 tekenvellen door midden. Je geeft elk kind zo een tekenvel. Vervolgens vraag je de kinderen om aan de ene kant hun oude huis te teken en aan de andere kant hun nieuwe huis (eventueel opvanghuis). Je wijst de kinderen erop dat ze de voor hun belangrijke dingen bij de huizen mogen tekenen.

 

Tijdens het tekenen kun je rondlopen en af en toe open vragen stellen aan de kinderen (wie-, wat- en hoe- vragen).

 

Ter afronding kun je iedereen in de kring roepen. Ieder kind mag dan zijn tekening laten zien en er wat over vertellen. Zorg ervoor dat de tekeningen echt aandacht krijgen door ze bijvoorbeeld op te hangen.

 

E De boze tekening

 

Activiteit: tekenen

Doel        : het uiten van boze gevoelens

Leeftijd   : vanaf + 5 jaar tot + 12 jaar

Aantal     : één kind, of één kind apart nemen in een kleine groep

Materiaal: papier, stiften, pennen, potloden etc.

 

Soms merk je dat kinderen heel boos zijn. Het kan dan ook nog gebeuren, dat ze met die kwaadheid geen kant op kunnen. Ze kunnen zich dan bijvoorbeeld niet uiten. Niet tegen jou als hulpverleenster en al helemaal niet tegen degene waarop ze boos zijn.

 

In zo een geval kun je het kind een boze tekening laten maken. Het kind kan dan tekenen waarom het zo kwaad is.

Als hulpverleenster kun je dan vragen: ‘ik heb het idee dat je een boel boosheid in je hebt, maar het moeilijk vindt om te vertellen waarom’. Zou je een boze tekening willen maken?’

 
F Het lelijke gedachte doosje

 

Activiteit: praten en/of schreeuwen in een doosje

Doel        : negatieve gevoelens inperken

Leeftijd   : vanaf 6 jaar

Aantal     : één of één kind in een groep apart nemen

Materiaal: een doosje en een kookwekker

 

Deze activiteit kun je goed gebruiken wanneer een kind overloopt van negatieve gevoelens. Het komt als het ware in een vicieuze cirkel en alles is negatief, omdat hij zichzelf zo ervaart. Door het kind binnen een afgebakende tijd (vandaar de kookwekker) zijn negatieve gevoelens te laten uiten, ontstaat er ruimte voor nieuwe gevoelens en ervaringen.

 

Je voorkomt dat een kind in zijn negatieve gevoelens blijft hangen. Gedurende een bepaalde tijd laat je een kind alle opgelopen frustraties spuien en daarna doe je die gevoelens symbolisch in een doosje. Je plakt dit dicht en gaat weer over op de orde van de dag. Door deze boze gevoelens ritueel op te bergen, mogen die gevoelens er zijn.

 

Het belangrijkste is dat je op deze manier ruimte creëert om ook weer positieve ervaringen op te doen. Deze activiteit kun je steeds laten terugkomen, totdat het niet meer nodig is.

 

G Motorische ontlading

 

Activiteit: slaan op voorwerpen

Doel        : motorische ontlading van agressie

Leeftijd   : vanaf 4 jaar

Aantal     : één kind

Materiaal: boxbal, kussen of papier (eventueel kookwekker)

 

Kinderen met emotionele problemen hebben vaak te maken met grote innerlijke spanningen. Ze kunnen zich daarom agressief gaan voelen. Vervolgens wordt dit dan geuit in onrustig en ontoelaatbaar gedrag. Ze doen bijvoorbeeld andere kinderen pijn, maken dingen stuk of zijn heel erg wild.

Het is goed om deze opgebouwde spanning te ontladen.

 

Als hulpverlener kun je acceptabele uitlaatkleppen bieden. Uiteraard los je hiermee het probleem van het desbetreffende kind niet op, maar geeft het wel weer ruimte.

Deze motorische ontlading is dan ook geen losstaande activiteit, maar moet onderdeel  uitmaken van andere methodische activiteiten. Hieronder volgt een aantal acceptabele uitlaatkleppen:

-         een boxbal

-         scheuren van papier

-         op een kussen slaan

-         hard rennen

 

Zodra je een kind zijn boosheid wilt laten afreageren, zorg dan dat je, als het enigszins kan, met het kind alleen bent. Spreek samen met het kind een bepaalde tijdsduur af waarin het zich mag afreageren, je kunt dit makkelijk aangeven met een kookwekker. Blijf tijdens het ontladen steeds dicht in de buurt en bevestig dat het goed is wat het kind doet.

Na afloop moet je ervoor zorgen dat het kind zich rustig voelt. Wanneer een kind jong is, kun je het misschien op schoot nemen en even rustig samen zitten. Denk er wel aan dat de boosheid opgewekt kan zijn door seksueel misbruik. Vraag dus altijd eerst of het kind het zelf wil. Bij een ouder kind zou je even rustig kunnen praten.

Probeer dan datgene wat de agressie opriep af te ronden en praat vervolgens over een neutraal onderwerp.

 

5.5.2

 

LEREN OMGAAN MET ANGSTEN

 

H Ik kan niet slapen

 

Activiteit: voorlezen en tekenen

Doel        : leren beheersen van angsten

Leeftijd   : vanaf 5 tot + 8 jaar

Aantal     : maximaal 15 kinderen, is prima toepasbaar bij één kind

Materiaal: Onderstaand verhaal, ballonnen, kleine stukjes papier, kleurtjes en touw

 

Tijdens deze activiteit maak je angsten bespreekbaar en kunnen kinderen ervaren dat ze niet de enige zijn die ‘s nachts bang zijn. Ook laat je kinderen de angsten visualiseren. Het doel: uiteindelijk macht te krijgen over de eigen angsten.

 

Verhaal:

Bart is een wilde jongen, die met zijn wilde spelletjes graag andere kinderen bang maakt. Alleen ‘s nachts is Bart bang, want dan komen de Dondermannetjes die vreemde geluiden maken. Pappa en mamma bedenken het plan om muizenvalletjes neer te zetten, maar de Dondermannetjes spelen er mee. Vervolgens bouwt Bart zijn hele bed om tot een vechthuis, maar de Dondermannetjes willen niet vechten en gaan gewoon door met plagen.

Dan komt er een brief van oma, zij komt een paar dagen logeren.

‘s Nachts als Bart weer bang is, gaat hij naar oma. Oma weet wel waar Bart bang voor is, voor Dondermannetjes. Daar was oma vroeger zelf ook bang voor. Oma weet gelukkig de oplossing.

 

De volgende dag gaat oma met Bart naar een fopwinkel en kopen een hele grote ballon. Als Bart weer thuis is, vraagt oma of hij de Dondermannetjes die hij ‘s nachts ziet wil tekenen. Daarna doet oma alle Dondermannetjes aan de luchtballon en samen laten ze de luchtballon met alle Dondermannetjes eraan wegvliegen.

 

Zo, daar heeft Bart mooi geen last meer van.

 

Na het voorlezen geef je de kinderen allemaal een klein stukje papier, waarop ze mogen tekenen waarvoor ze zelf bang zijn. Bij sommige kinderen zal dit van zelf gaan, bij anderen is dit moeilijker. Veel kinderen zijn namelijk bang voor geluiden. Laat ze toch proberen deze geluiden te visualiseren. Als kinderen het moeilijk vinden om te tekenen, kun je vragen of ze even de ogen sluiten. Ze moeten zich dan inbeelden dat ze in bed liggen en kijken naar de beelden die ze dan zien. Hierna worden alle tekeningen aan de ballon gedaan, Vervolgens laat je de ballon wegvliegen. Een andere optie is de tekeningen in een papierversnipperaar te stoppen.

 


5.5.3

 

VERGROTEN VAN DE WEERBAARHEID

 

I de hond, de egel en de oude poes

 

Activiteit : verhaal voorlezen en naspelen

Doel        : weerbaarheid vergroten

Leeftijd   : vanaf 5 jaar

Aantal     : niet al te grote groep, is prima toe te passen bij één kind

Materiaal: het hiernaast beschreven verhaal en eventueel dierenmaskers

 

Je begint met het verhaal voor te lezen en vraagt na afloop of de kinderen het willen naspelen. Tijdens het naspelen moet je weer geheel of gedeeltelijk het verhaal voorlezen, omdat kinderen het waarschijnlijk niet helemaal uit hun hoofd kunnen naspelen. Het is goed om de egel door een kind te laten spelen waarvan je denkt dat het niet zo weerbaar is. Wanneer je met één kind werkt, laat dit kind dan de egel spelen.

 

Op die manier kan het kind lichamelijk ervaren wat het verschil is tussen angstig ineenduiken en je angst onderdrukken of fier rechtop staan en iemand recht in de ogen kijken. Voor je gaat starten, moet je wel goed benadrukken dat de egel nooit echt geschopt mag worden door de hond. Om het spelen nog aantrekkelijker te maken, kun je gebruik maken van maskers.

 

Verhaal:

In het park staat een grote boom met takken zo dun dat ze niet eens rechtop kunnen blijven staan, maar allemaal heel droevig naar beneden hangen. Onder deze boom, we zullen het een treurwilg noemen, is een klein holletje. Het is zo een piepklein holletje dat er net één egel in past. En één egel is nu precies wat er in dat holletje woont.

 

Elke dag als de egel wakker wordt, rekt hij zich eens lekker uit en wast zijn snuit. Vervolgens gaat hij naar buiten om eten te zoeken en even lekker van de buitenlucht te genieten. De egel houdt van het park.

Het is een mooi park met veel oude bomen en grote vijvers. De egel houdt ook van de dieren in het park. Hij houdt van de eenden, de zwanen, de muizen en van de Vlaamse gaai. Het park lijkt precies de juiste plek voor de egel om er te wonen.

Alleen op een hele mooie zomerdag, als Egel druk op zoek is naar eten, komt er ineens een hond op Egel afstormen. Egel ziet wel vaker honden in het park, maar die zitten altijd aan een lijn en dat is bij deze hond dus niet het geval. De hond stormt op Egel af en Egel wordt bang. Egel doet wat alle egels doen als ze bang zijn. Egel rolt zich op en zet zijn stekels overeind. Je zou denken dat de hond wel uitkijkt voor de stekels van Egel, maar niets is minder waar. De hond gaat voetballen met Egel en trapt Egel tegen de treurwilg. Bij iedere schop schreeuwt Egel het uit van de pijn.

 

Het voetballen van de hond met Egel duurt een poosje. Gelukkig roept de baas van de hond hem weer terug en ze lopen langs de vijver weer het park uit. Egel voelt zijn hele lijfje. Alles doet zeer. Terwijl Egel daar zit, komt een kleine grijze muis, ‘wat is er met jou aan de hand?’ Egel vertelt het hele verhaal. De kleine muis wordt er verdrietig van. ‘Maar Egel’, vraagt de muis, ‘waarom rol je je dan ook op? Waarom doe je niet net zoals ik en ren je hard naar je holletje?’ ‘Ik doe juist alles wat alle egels doen’, zegt Egel. ‘Nou’, zegt muis, ‘als ik jou was zou ik de volgende keer toch hard wegrennen.’

 

Twee dagen later gaat het weer iets beter met Egel. De pijn aan zijn lijfje is gelukkig bijna over. Maar,…… oh wat erg daar is die hond weer. Egel rolt zich op – tot het moment waarop hij terugdenkt aan wat muis heeft gezegd. Egel rolt zich weer af en rent zo hard zijn kleine egelbeentjes hem kunnen dragen. Snel probeert hij bij zijn holletje te komen. Alleen de hond heeft Egel allang gezien en met een paar grote sprongen haalt hij Egel in. Egel krijgt weer een paar flinke trappen. De hond trapt egel in de richting van de treurwilg en daardoor kan Egel toch in zijn holletje komen. De hond gaat weer weg als zijn baas hem roept. Versuft en verdrietig blijft Egel zitten. Straks moet hij nog gaan verhuizen uit zijn fijne park en dat alleen door zo’n snert hond.

 

‘Hallo’, zegt een stem voor het holletje van Egel. Egel kijkt heel voorzichtig naar buiten en ziet een oude, grijze poes voor zijn holletje. ‘Wat is er met jou aan de hand?’, vraagt de poes en de Egel vertelt het hele verhaal. De oude poes schudt zijn wijze hoofd en zegt: ‘egel je moet je niet oprollen en je moet ook niet wegrennen, dan denkt de hond dat je bang bent! – Je moet je groot maken en heel kwaad kijken en heel hard blazen! – Net als wij poezen doen. ‘Oh’, zegt Egel, ‘maar dat durf ik niet.’ ‘Ik zal je helpen’, zegt de oude poes. De poes doet voor hoe je jezelf groot moet maken, hoe je heel kwaad kunt kijken en hoe je hard moet blazen.

Egel doet het na en na een paar keer oefenen lukt het vrij aardig. Samen spreken ze af dat de poes Egel morgen komt helpen.

 

En inderdaad zoals afgesproken, komt de oude poes de volgende dag weer naar het park om Egel te helpen. ‘Oh, gelukkig dat je gekomen bent’,  zegt Egel. ‘Weet je nog wat je moet doen?’, vraagt de poes. Alleen voor Egel antwoord kan geven, verschijnt de hond weer in het park, De oude poes gaat snel achter Egel staan. ‘Maak je groot!’, fluistert hij, ‘en kijk heel kwaad’. De hond komt inmiddels op Egel afgestormd. Egel denkt dat de poes steeds achter hem staat en is minder bang.

‘Vergeet niet te blazen!’ hoort hij de poes nog zeggen. En Egel laat een behoorlijk geblaas horen. De hond komt met sprongen dichterbij, maar vlak voor Egel blijft hij staan.

 

Egel wordt nu echt kwaad, blaast uit volle borst naar de hond en kijkt vreselijk boos. De hond beweegt zijn kop naar links en rechts. Egel denkt de hond is bang voor die oude poes en daarom durft hij zich nog groter te maken. Zo kan hij nog harder blazen. Egel kijkt de hond strak in de ogen. De hond doet een stapje naar achter en egel een stapje naar voren. Ineens zakt de hond door zijn voorpoten. Alsof hij voor Egel en de poes gaat knielen. Daarna draait hij zich om en rent met de staart tussen de benen weg. ‘Hoera’, roept Egel, ‘het is gelukt! – Poes, jij hebt de hond weggejaagd, van jouw geblaas was hij bang.’ De Egel draait zich om en wil de oude poes bedanken. Alleen hij ziet niks. ‘Hé, poes, waar ben je? – Je hebt de hond weggejaagd!’ De poes is nergens te zien. Egel roept nog een keer en vanachter een bosje klinkt een tevreden gespin ( het geluid wat poezen maken als ze het naar hun zin hebben). Egel loopt naar het bosje en ziet de poes lekker liggen. ‘Hé, je was geweldig’, roept Egel, ‘je hebt de hond weggejaagd!’

 

‘Hoezo ik?’, vraagt de poes, ‘dat heb je zelf gedaan, want ik lig al de hele tijd hier te kijken hoe jij het doet en ik moet zeggen ik had het niet beter gedaan!’

‘Bedoel je dat ik alleen de hond heb weggejaagd?’, vraagt Egel verbaasd. ‘Ja’, zegt de poes, ‘omdat je niet bang was, wist de hond zich geen houding te geven. Van de hond zul jij geen last meer hebben.’ Van schrik begint de Egel te bibberen, maar daarna voelt hij zich zo ontzettend blij. ‘Dank je wel lieve poes wat ik van jou heb geleerd, dar heb ik echt wat aan. Nu ik weet hoe ik de hond aan moet pakken, hoef ik niet te verhuizen naar een veiliger plekje.’ Egel kan gewoon lekker in zijn eigen park blijven genieten van een lang en gelukkig leven.


5.5.4

 

INZICHT IN FAMILIEBANDEN

 
J Gezin kleien

 

Activiteit: kleien

Doel         : inzicht krijgen in de gevoelens van kinderen over hun directe familieleden

Leeftijd   : vanaf 5 tot 12 jaar

Aantal     : maximaal 14 kinderen, is ook prima toe te passen bij één kind

Materiaal: klei, spatels, eventueel kranten en schorten

 

Vertel aan de kinderen dat ze ieder een stuk klei (of brooddeeg) krijgen, waarmee ze hun eigen gezin moeten kleien. Het is belangrijk om uit te leggen wat onder een gezin wordt verstaan. Een vader op afstand kan daar dus ook bij horen. Verder vertel je de kinderen dat ze zelf mogen weten welke gezinsleden ze gaan maken en in welke volgorde. (Als een bepaalde persoon heel belangrijk voor een kind is, ook al is die geen familie, mogen ze die eveneens kleien).

 

Het is handig om klei te gebruiken die je niet hoeft te bakken. Je kunt ook brooddeeg gebruiken, maar dit moet je wel bakken. Maak dit dan niet te ver van tevoren klaar om uitdrogen te voorkomen.

Vraag vooraf of kinderen sowieso met brooddeeg mogen spelen. Er zijn namelijk moeders van wie het spelen met eten niet mag. Gebruik dan gewone klei.

Het is overigens beter dat tijdens deze activiteit geen moeders aanwezig zijn, dit kan de kinderen remmen. Plaats om beïnvloeding tegen te gaan broers en zussen een eindje uit elkaar.

 

Tijdens het kleien observeer je de kinderen. Stel al rondlopend op vragen (wie-, wat- en hoe- vragen) over datgene wat de kinderen maken. Je kunt er ook voor kiezen zoveel mogelijk rust tijdens de activiteit in acht te nemen. Laat de kinderen dan na afloop vertellen over hun werk.

Voorbeeld:

Een meisje van zeven jaar kleide haar vader en haar poes. Ze gaf aan hen erg te missen.

Haar moeder en zichzelf wilde ze niet maken. Alsof zij en haar moeder niet naast vader konden zijn. Toen het kind haar werk aan haar moeder toonde, beweerde ze stellig dat ze moeder en de poes had gemaakt.

Dit kind had op dat moment dus een gespleten loyaliteitsgevoel. Ze durfde aan haar moeder niet haar gevoelens ten opzichte van haar vader te tonen. Ze was bang haar moeder af te vallen.

 

 


5.5.5

 

OMGAAN MET GEMIS

 

K Een lieve doos voor iemand die je mist

 

Activiteit: knutselen

Doel        : omgaan met gemis

Leeftijd   : vanaf 5 jaar

Aantal     : maximaal 14 kinderen, is ook prima toe te passen bij één kind

Materiaal: schoenendozen, mooi papier, lijm, tekenblaadjes, stiften of potloden en het verhaal van ‘Het dennenboompje’ uit het boek ‘De koning trok uit om de draak te doden’, van Brigitte Spangenberg.

 

Alle kinderen die in een hulpverleningsinstantie verblijven, hebben te maken met gemis. De één zal onder andere zijn vriendje missen, de ander zijn oma en weer een ander zijn vader. Om het gemis een plaatsje te geven en het gevoel niet verdringen, kun je met de kinderen deze doos maken.

 

Lees aan de kinderen als eerste het verhaal ‘Het dennenboompje’ voor. Praat vervolgens met de kinderen over de mensen die ze missen. Hierna laat je ze een mooie doos maken voor degene die ze missen. In die doos kunnen tekeningen of andere knutselwerkjes worden opgeborgen voor die lieve persoon. Maak ook een kopie van het verhaal over ‘Het dennenboompje’ en stop dit er in. Zo kan het kind het verhaal nog eens nalezen. De doos kan een centraal plaatsje krijgen in de kamer van het kind

 

Uiteraard is het nodig om vanuit de instelling te kijken hoe je het kind contact kunt laten houden met de mensen die hij mist.

 

 


5.6

 

OVERIGE ACTIVITEITEN

 

Zintuiglijke activiteiten

 

Zintuiglijke activiteiten worden ook wel snoezelactiviteiten, reactieve activiteiten of sensopatische activiteiten genoemd. Het gaat hierbij om het aanbieden van zintuiglijke prikkels. Het specifieke van het zintuiglijke is, dat het heel concreet en heel lichamelijk is. Concreet, omdat het tastbaar, zichtbaar, hoorbaar en soms eetbaar is. Lichamelijk, omdat het dicht bij het eigen lichaam blijft.

De zintuiglijke ervaringen worden ondergaan als een prettige sensatie.

 

A Spel met water

 

Activiteit: spelen met water

Doel       : uitlokken van een reactie en tot rust laten komen

Leeftijd  : van 0 tot 18 maanden

Materiaal: water, badje, handdoek, speeldingetjes, babyolie, washandje

 

Lekker spelen met de baby in bad. De volgende spelvariaties zijn mogelijk:

-         langzaam wennen aan het water door eerst met de handen of de voeten te voelen

-         golfjes en geluidjes met het water maken

-         spetteren en spatteren; met een gietertje spelen

-         andere speeldingetjes gebruiken: visje, gekleurde balletjes en dergelijke. Het speeltje onderdompelen en omhoog laten schieten bijvoorbeeld.

-         met een zacht washandje wassen

-         afdrogen met een lekkere pluizige en warme handdoek

-         insmeren met babyolie

 

B Spel met lapjes en slierten

 

Activiteit: spelen met lapjes en slierten

Doel        : uitlokken van een reactie en tot rust laten komen

Leeftijd   : van 0 tot 18 maanden

Materiaal: lapjes en slierten

 

Baby’s vinden het fijn om een knuffellap te hebben.

Streel met de lapjes en slierten over de armen of handen van de baby.

 

C Spel met voelzakjes

 

Activiteit: spelen met voelzakjes

Doel        : uitlokken van een reactie en tot rust laten komen

Leeftijd   : van 0 tot 18 maanden

Aantal     : één baby

Materiaal: lap stof, rijst, viltstift en touwtje

 

Knip een vierkant uit de lap van stof. In het midden leg je een paar lepels ongekookte rijst. Bindt de lap met rijst middels het touwtje dusdanig samen dat je een bolletje krijgt met een lijfje eronder. Teken op het bolletje een gezichtje.

Dit is een heel geschikt snoezelmateriaal voor de baby

 

Andere spelvariaties:

-         Zakjes vullen met materiaal zoals: rijst, erwten, gedroogde bloemblaadjes, snippers, watten

-         Zakjes vastpakken en laten vallen

-         Overpakken van de ene hand in de andere

-         In de zakjes knijpen en ze heen en weer schudden. Proberen om geluiden te maken; zakjes te laten ritselen

 

 

Procesgerichte activiteiten

 

Bij dit soort spelactiviteiten gaat het niet om het maken van een werkstuk, om het product, maar om het plezier van het bezig zijn, om het proces. Dingen doen met materiaal, zonder dat het ‘iets’ hoeft te worden

 

D Spel met vingerverf

 

Activiteit: luisteren en vingerverven

Doel        : ontdekken van de mogelijkheden van materiaal, zich uit kunnen leven en het oefenen van vaardigheden.

Leeftijd   : van + 2 tot 6 jaar

Aantal     : maximaal 10 kinderen, is prima toe te passen bij één kind

Materiaal: papier en groene verf

 

Leg aan de kinderen uit dat je een verhaal voor gaat lezen en dat ze ondertussen gaan verven. Vertel de kinderen duidelijk dat jij aan zal geven wat ze zullen verven en wanneer.

 

Spelverhaal ‘Feest in kabouterbos’

Het is feest in kabouterbos. De kaboutertjes komen uit hun huisjes en lopen over het mos………….(eerste spelvariatie). Van alle kanten komen de kaboutertjes aan…………(tweede spelvariatie). Waar gaan al die kaboutertjes toch heen? Ze gaan naar het midden van het bos naar de open plek……..(derde spelvariatie). Daar dansen de kaboutertjes in het rond en hebben plezier…………….(vierde spelvariatie). Ze dansen en dansen; door al dat dansen wordt het mos glad en de kaboutertjes glijden uit………(vijfde spelvariatie). De kabouters dansen de hele nacht, maar als de volgend morgen de kinderen in het bos komen, zien ze er niets van, want de kaboutertjes hebben alle sporen uitgewist……….(zesde spelvariatie)

 

Spelvariaties

  1. Met één vinger voorzichtig stippelen; ‘tippelsporen’ maken met groene verf,
  2. Met meer vingers en vanaf alle kanten van het papier sporen maken.
  3. De sporen gaan naar het midden van het papier.
  4. Dansbewegingen maken met de vingers.
  5. Glijstrepen maken.
  6. Sporen uitwissen; het papier helemaal groen maken.


E Spel met snippers

 

Activiteit: luisteren en snippers maken

Doel       : ontdekken van de mogelijkheden van materiaal, zich uit kunnen leven en het oefenen van vaardigheden

Leeftijd   : vanaf + 2 tot 6 jaar

Aantal     : maximaal 14 kinderen, is prima toe te passen bij één kind

Materiaal: kranten

 

Leg de kinderen uit dat je een verhaal gaat voorlezen en dat er ondertussen opdrachten worden gedaan.

 

Spelverhaal ‘De weermannetjes’

Vandaag zijn we bij de weermannetjes op bezoek. En weet je wat voor weer we vandaag gaan maken? Sneeuw! Maar sneeuw maken is een heel werk; willen jullie wel meehelpen?

Een heleboel vlokken tegelijk; grote vlokken; kleine vlokken………(eerste vier spelvariaties).

Als we genoeg sneeuwvlokken hebben, gaan we het voorzichtig heel zachtjes laten sneeuwen……….(vijfde spelvariatie). Dan gaat het steeds harder en harder sneeuwen…………..(zesde spelvariatie).

En ineens zitten we in zo’n sneeuwbui, dat je geen hand voor ogen kunt zien………(zevende spelvariatie).

Als het wat minder hard sneeuwt, gaan de kinderen naar buiten en lopen door de sneeuw; de sneeuw dwarrelt op hen neer…………(achtste spelvariatie).

De weermannetjes hebben ervoor gezorgd dat de kinderen pret hebben, maar voor sommige ouderen is het lastig; ze zijn bang dat ze uitglijden en iets breken. Laten we die mensen maar even helpen met sneeuwruimen……..(laatste spelvariatie).

Spelvariaties:

  1. Je zit op de grond (in een kring)
  2. Kranten worden in repen gescheurd
  3. Van de repen worden stukjes gescheurd
  4. Het duurt even voordat er genoeg snippers zijn; daarom is het goed tussendoor wat variaties te geven: bergjes maken; scheurmuziek maken (tegelijk een strook scheuren)
  5. De snippers worden rustig omhoog gegooid; kijken naar het dwarrelen van de sneeuwvlokken.
  6. Opnieuw sneeuw verzamelen en het steeds harder laten sneeuwen
  7. Allemaal de snippers tegelijk in de lucht gooien (de hevige sneeuwbui)
  8. Onder de sneeuw doorlopen
  9. Met zijn allen ‘sneeuwruimen’ en de sneeuw in een plastic zak doen.

 

 

Creatieve activiteiten

 

Bij creatieve activiteiten gaat het om het zo veel mogelijk zélf bedenken van oplossingen en ideeën. In een creatieve activiteit zit altijd een stuk vrijheid ingebouwd, waardoor je het kind uitdaagt zelf na te denken, zelf oplossingen te zoeken en zelf beslissingen te nemen.

 

F Stempelen en sjabloneren

 

Activiteit: stempelen

Doel        : Ontwikkelen van fantasie

Leeftijd   : van + 2 tot 6 jaar

Aantal     : maximaal 10 kinderen, is prima toe te passen bij één kind

Materiaal: papier, verschillende soorten verf, lipstick, bladeren, kwasten e.d.

 

Ga met de kinderen naar het bos en zoek mooie grote bladeren uit.

Leg de bladeren op een vel papier en tamponneer er met een kwast omheen.

Tamponneren= stippen maken met een kwast.

Een andere mogelijkheid is het blad te verven en daarna om te keren op het vel papier. Ga er vervolgens met een roller overheen.

 

Peuters kunnen vaak nog geen ritmische beweging met een stempel maken en gaan er mee ‘verven’. Peuters vinden het dan ook vaak leuk om voorbereidend te stempelen:

-         Flink lipstick op doen en dan ‘kusjes geven’ op een blad papier

-         Voeten insmeren met verf en dan over bijvoorbeeld een rol behang lopen.

-         Handjes afdrukken op papier. Maak er een spel van door op verschillende manieren af te drukken.

-         Twee eenvoudige stempels (twee grote kurken bijvoorbeeld) in twee handen nemen en dan over het papier ‘lopen’.

 

G Tekenen als taal

 

Activiteit: tekenen

Doel        : ontwikkelen van fantasie, het kind laten vertellen waar het mee bezig is.

Leeftijd   : van 6 tot 12 jaar

Aantal     : kleine groep, is tevens prima toe te passen bij één kind

Materiaal: stiften en papier

 

Tekenen als ‘taal’ is vertellen met je potlood. Schoolkinderen maken dan ook vaak vertellende tekeningen.

 

De opdrachten die je bij tekenen als ‘taal’ kunt meegeven:

-         Auto’s en huizen waar van alles aan te zien is.

-         Mensfiguurtjes met allerlei bezigheden uit de interessesfeer van kinderen

-         Gezichten van mensen uit de directe omgeving van kinderen

-         Bloemen en beesten

 

Bespreek na het tekenen wat de kinderen met de tekening willen vertellen.

 

H Collages maken

 

Activiteit: knutselen en knippen

Doel        : ontwikkelen van fantasie, zelf leren nadenken en beslissen

Leeftijd   : van 6 tot 12 jaar

Aantal     : kleine groep, is tevens prima toe te passen bij één kind

Materiaal: tijdschriften, grote vellen karton, schaar, lijm

 

Collages van geknipte figuren; ‘tekenen met een schaar’

-         Het is beter om direct te knippen en niet eerst te tekenen; er ontstaat dan een veel spontanere ‘lijn

-         Een noodzakelijke spelregel: eerst schuiven en dan pas vastplakken; je kunt dit sturen door de lijm pas in een later stadium uit te delen

 

Collages van propjes papier

-         Het karakter van het materiaal leent zich tot het opvullen van kleurvlakken en het mengen van kleurtjes (mozaïek).

-         Kies onderwerpen met een hele eenvoudige voorstelling

-         Gebruik kleine velletjes, omdat propjes plakken een tijdrovende bezigheid is

-         De techniek leent zich goed om de concentratie te oefenen

-         De voorstelling eerst intekenen, dat geeft een beter overzicht; je kunt kinderen stimuleren door onderdeel voor onderdeel op te vullen.