§ 5.1 Baby's;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;
§ 5.2 Peuters;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;
§ 5.3 Kleuters;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;
§ 5.4 Jonge schoolkind;
§ Doelgroep;
§ Doelen;
§ Activiteiten;
§ 5.5 Speciale activiteiten;
§ 5.5.1 Leren uiten van gevoelens;
§ 5.5.2 Leren omgaan met angsten;
§ 5.5.3 Vergroten van de weerbaarheid;
§ 5.5.4 Inzichten in familieverband;
§ 5.5.5 Omgaan met gemis;
§ 5.6 Overige activiteiten;
§ Zintuiglijke activiteiten;
§ Procesgerichte activiteiten;
§ Creatieve activiteiten;
HOOFDSTUK
5
In dit hoofdstuk staan verschillende
activiteiten beschreven, die steeds onafhankelijk van elkaar kunnen worden
gebruikt. De doelen van de verschillende activiteiten zijn divers. Zo zijn er
activiteiten die gericht zijn op de ontwikkeling van het lichaam en
activiteiten die gericht zijn op de hulpverlening. De laatste genoemde
activiteiten bestaan uit de volgende thema’s:
-
het uiten van gevoelens;
-
omgaan met angsten;
-
het vergroten van weerbaarheid;
-
inzicht in familiebanden;
-
omgaan met gemis.
Opbouw
van het hoofdstuk
Per ontwikkelingsfase wordt kort weergegeven
wat de interesses en behoeften van het kind zijn. Daarnaast worden de doelen
van de activiteiten kort weergegeven. De activiteiten die met het kind gedaan
kunnen worden, worden kort vermeld tezamen met de verwijzing naar de bladzijde
waarop de activiteit uitgebreid staat beschreven.
De activiteiten zijn onderverdeeld onder
de noemers ‘speciale activiteiten’ en ‘overige activiteiten’.
De speciale activiteiten zijn bedoeld om
spelenderwijs de kinderen om te leren gaan met hun problemen. De overige
activiteiten zijn erop gericht om de kinderen tot rust te laten komen, zichzelf
of materialen te ontdekken en vaardigheden te ontwikkelen.
5.1
De babyleeftijd duurt tot ongeveer anderhalf jaar
Baby’s
vinden het leuk als er met hen ‘getutteld’ wordt. Dingen als vasthouden,
praten, liedjes zingen en versjes opzeggen.
Baby’s
hebben behoefte aan veiligheid en warmte en daarnaast een vast persoon die hen
verzorgt. Het belang van een vast persoon komt voort uit de behoefte van een
baby zich aan één persoon te hechten. Vasthouden, tegen de baby praten, versjes
zeggen, liedjes zingen, geluidjes maken en aanraken zijn dingen die onder dat
verzorgen vallen. Daarnaast slaapt een baby natuurlijk veel. Er zijn drie
dingen heel belangrijk in het leven van een baby (de drie r’s):
-
rust;
-
regelmaat;
-
reinheid.
-
reacties
uitlokken;
-
individuele
aandacht geven;
-
laten
voelen; laten zien; laten horen, laten ruiken/proeven,
-
proberen
het ‘herkennen’ te bevorderen;
-
tot
rust laten komen.
-
ontwikkelen
van de zintuigen.
-
A
spel met water (in bad gaan);
-
B spel met lapjes;
-
C spel met voelzakjes.
5.2
De
peuterleeftijd loopt van ongeveer anderhalf jaar tot vier jaar.
Peuters
hebben belangstelling voor dingen die ze direct om zich heen zien, ze vinden
het leuk om dingen uit te proberen. Spelen is voor peuters de belangrijkste
manier om te leren hoe de wereld in elkaar zit; al spelend wordt hun wereld
groter.
Peuters
houden van afwisseling. Peuters willen veel kunnen en veel doen. ‘Zelf doen’ is
dan ook vaak een soort lijfspreuk.
Peuters
hebben behoefte aan heel veel bewegen, lang stil zitten kunnen ze niet. Lopen
is vaak niet genoeg, ze willen hollen en rennen.
-
leren
uitten van gevoelens
-
ontwikkelen
van de zintuigen;
-
het
verkennen van het materiaal;
-
ervaren
hoe het is om spelenderwijs bezig te zijn;
-
peuters
de mogelijkheid bieden zich uit te leven en af te reageren;
-
een
verhaal lijfelijk laten beleven.
-
leren
een tijdje met iets bezig te zijn;
-
leren
netjes en secuur te werken;
-
oefenen
van vaardigheden;
-
oefenen
van motoriek.
-
A
herken het gevoel
-
D
spel met vingerverf
-
E spel met snippers
-
F stempelen en sjabloneren
5.3
De kleuterleeftijd
loopt van ongeveer vier tot zes jaar.
Kleuters
houden van verhaaltjes, versjes, liedjes, puzzeltjes, spelletjes, kleien,
knippen, plakken, tekenen en schilderen.
Kleuters
willen graag hun fantasie uitleven in spel. Werkelijkheid en fantasie lopen nog
door elkaar heen. Een prettige en vriendelijke sfeer zijn heel belangrijk.
Speciale activiteiten
-
leren
uitten van gevoelens
-
leren
omgaan met angsten
-
familiebanden
duidelijk krijgen
-
leren
omgaan met gemis
-
leren
een tijdje met iets bezig te zijn;
-
leren
netjes en secuur te werken;
-
oefenen
van vaardigheden;
-
oefenen
van motoriek.
-
ontwikkelen
van de zintuigen;
-
verkennen
van het materiaal;
-
ervaren
hoe het is om met materiaal spelenderwijs bezig te zijn;
-
een
verhaal lijfelijk laten beleven;
-
kleuters
de mogelijkheid bieden zich uit te leven en af te reageren.
Speciale activiteiten
-
A herken het gevoel
-
B de spiegel met gevoel
-
C wat vertellen de
gezichtjes
-
G motorische ontlading van
agressie
-
H ik kan niet slapen
-
J het gezin kleien
-
K een lieve doos voor iemand die je mist
-
D spel met vingerverf
-
E spel met snippers
-
F stempelen
5.4
Dat
is ongeveer de leeftijd van zes tot tien jaar.
De
interesse van de kinderen gaat uit naar alledaagse herkenbare dingen. Hun
belevingswereld ligt dicht bij huis: vader, moeder, broertjes, zusjes, opa’s en
oma’s, dieren in huis, bloemen en vlinders in de tuin. Ook vinden ze het leuk
als het met het jaarritme te maken heeft: met name de feesten en seizoenen
Thema’s
over herkenbare beroepen, de dierentuin, het circus, de boerderij, het bos e.d.
liggen in hun belangstellingssfeer.
Kenmerkend
voor deze leeftijd is de fantasie en het geweldige enthousiasme. Verhaaltjes en
sprookjes vinden ze vaak heel leuk.
De
kinderen willen graag nieuwe dingen leren. Bij dat leren houden ze van
afwisseling. Kinderen van deze leeftijd hebben veel energie, die zich uit in een
niet te stuiten bewegingsdrang. Zich lang concentreren is nog moeilijk.
-
het
leren uitten van gevoelens
-
leren
omgaan met angsten
-
het
vergroten van weerbaarheid
-
inzicht
in familiebanden
-
leren
omgaan met gemis
-
stimuleren
van het eigen initiatief
-
stimuleren
van het vermogen tot ordenen
-
stimuleren
van het logisch denken
-
leren
een tijdje met iets bezig te zijn
-
leren
netjes en secuur te werken
-
oefenen
van vaardigheden
-
oefenen
van de motoriek
-
D teken je oude en nieuwe
huis
-
E de boze tekening
-
F het lelijke gedachte
doosje
-
G motorische ontlading van
agressie
-
H ik kan niet slapen
-
J het gezin kleien
-
K een lieve doos voor
iemand die je mist
-
G tekenen als taal
-
H collages maken
5.5
5.5.1
Activiteit: plaatjes benoemen
Doel : leren differentiëren en
herkennen van gevoelens
Leeftijd : vanaf 3 tot 6 jaar
Aantal : niet al te grote groep kinderen, is ook prima toe te
passen bij één kind.
Materiaal: plaatjes met verschillende
afbeeldingen van kinderen die een emotie uitbeelden. Zie de bijlage van dit
hoofdstuk.
Vooraf knip je plaatjes uit met verschillende afbeeldingen
van kinderen met een emotie en plak je ze op een stuk karton, het is wellicht
handig om ze hierna te plastificeren. De vraag die je aan de kinderen (of het
kind) stelt is als volgt: ‘wie weet er hoe het kind van het plaatje zich zou
kunnen voelen?’ Probeer samen met de kinderen (of het kind) de situatie te
omschrijven en het gevoel te benoemen.
Houdt
er wel rekening mee, dat kinderen verschillende gevoelens in een zelfde
situatie kunnen hebben. Het ene kind zal zich in een bepaalde situatie vooral
boos voelen en het andere kind eerder verdrietig. Kijk vervolgens met de
kinderen naar het kind op het plaatje. Wat is zijn uitdrukking? Is die jongen
vooral boos? Of lijkt hij eerder verdrietig? Probeer op deze manier zo veel
mogelijk te differentiëren en laat de kinderen steeds weer goed kijken naar de
uitdrukking van de figuur die op het kaartje staat afgebeeld.
Activiteit: mimiek en beweging
Doel : bewustwording bij kinderen van hun eigen
lichaam
Leeftijd : vanaf 4 tot 6 jaar
Aantal : niet al te grote groep kinderen, is ook prima toe te
passen bij één kind.
Materiaal: een grote spiegel
Voor deze activiteit heb je een grote ruimte nodig, waarin
kinderen (of het kind) vrij kunnen bewegen. Als eerste laat je de kinderen (of
het kind) de spiegel zien en je vertelt dat het geen gewone spiegel is, het is
namelijk een spiegel met gevoel.
Daarna
laat je de kinderen (of het kind) door de ruimte lopen en vraag je ze om uit te
beelden wat jij zegt. Zelf loop je met de spiegel door de ruimte en houdt deze
af en toe voor aan de spelende kinderen. Gevoelens die je kunt laten uitbeelden
zijn onder andere:
-
je
bent vrolijk
-
je
bent verliefd
-
je
voelt je boos
-
je
bent bang
-
je
voelt je rustig
-
je
bent moedig
-
je
bent jaloers
-
je
schaamt je
-
je
bent tevreden
-
je
hebt het koud
-
je
voelt je opgelucht
-
je
verveelt je
-
je
voelt je verdrietig
-
je
bent driftig
-
je
bent heel erg boos
-
je
voelt je groot
-
je
voelt je klein
-
je
bent blij
Door
de kinderen (of het kind) af en toe in de spiegel te laten kijken, confronteer
je ze met hun non-verbale communicatie. Je zou ook nog vragen kunnen stellen
als: ‘vind je dit kind boos?’ en ‘Denk je dat je er nu blij uit ziet?’
Overigens
hebben kinderen de neiging om te gaan lachen zodra ze zichzelf in de spiegel
zien. Toch moet je ze stimuleren om het juiste gevoel uit te beelden
Aan
het einde is het belangrijk altijd met een blij gevoel af te sluiten. Anders
kunnen kinderen bijvoorbeeld in een boze bui blijven hangen.
Activiteit: dobbelspel
Doel : vrije associatie en uiten
van gevoelens
Leeftijd : vanaf 4 jaar
Aantal : maximaal aantal van 12 kinderen, is ook prima toe te
passen op één kind
Materiaal: een grote dobbelsteen,
waarop je gezichtjes plakt met ieder een verschillende uitdrukking: boos, blij,
verdrietig, bang enz.
De dobbelsteen voor dit spel moet groot genoeg zijn, zodat
je de gezichtjes er duidelijk op kunt tekenen en de afbeeldingen goed zichtbaar
zijn. Alle zes de gezichtjes moeten een andere uitdrukking hebben.
Ga met
de kinderen in een kring zitten. Wanneer er gewerkt wordt met één kind, ga dan
ook met dit kind op de grond zitten.
Tijdens
dit spel mag alleen het kind dat de beurt heeft praten. De kinderen mogen
vervolgens om de beurt met de dobbelsteen gooien. Degene die aan de beurt is,
mag een kort verhaaltje vertellen over het gezichtje dat hij heeft gegooid.
Overigens
moet je er tijdens dit spel voor waken dat je zelf de emoties van de gezichtjes
op de dobbelsteen niet benoemt. Zeg niet: ‘dit gezichtje kijk boos, wil je daar
wat over vertellen?’ Maar: ‘wat zie je, wil je daar over vertellen?
Voorbeeld
Een jongen van twaalf jaar vertelde bij een gezichtje dat
blij keek: ‘dit gezichtje kijkt wel blij, maar is niet blij, want zijn moeder
houdt meer van zijn broer en zus dan van hem. Hij doet gewoon alsof hij blij
is.’
Uiteraard gaf dit aanleiding om in een later stadium met de
jongen en zijn moeder hierover te praten.
Activiteit: tekenen
Doel : uiten en verwerken van gevoelens
Leeftijd : vanaf 5 tot 10 jaar
Aantal : maximaal 15 kinderen, is prima toe te passen bij één
kind
Materiaal: tekenpapier formaat A3, stiften
en potloden
Vooraf vouw je alle A3 tekenvellen door midden. Je geeft elk
kind zo een tekenvel. Vervolgens vraag je de kinderen om aan de ene kant hun
oude huis te teken en aan de andere kant hun nieuwe huis (eventueel
opvanghuis). Je wijst de kinderen erop dat ze de voor hun belangrijke dingen
bij de huizen mogen tekenen.
Tijdens
het tekenen kun je rondlopen en af en toe open vragen stellen aan de kinderen
(wie-, wat- en hoe- vragen).
Ter
afronding kun je iedereen in de kring roepen. Ieder kind mag dan zijn tekening
laten zien en er wat over vertellen. Zorg ervoor dat de tekeningen echt
aandacht krijgen door ze bijvoorbeeld op te hangen.
Activiteit: tekenen
Doel : het uiten van boze gevoelens
Leeftijd : vanaf + 5 jaar tot + 12 jaar
Aantal : één kind, of één kind apart nemen in een kleine
groep
Materiaal: papier, stiften, pennen,
potloden etc.
Soms merk je dat kinderen heel boos zijn. Het kan dan ook
nog gebeuren, dat ze met die kwaadheid geen kant op kunnen. Ze kunnen zich dan
bijvoorbeeld niet uiten. Niet tegen jou als hulpverleenster en al helemaal niet
tegen degene waarop ze boos zijn.
In
zo een geval kun je het kind een boze tekening laten maken. Het kind kan dan
tekenen waarom het zo kwaad is.
Als
hulpverleenster kun je dan vragen: ‘ik heb het idee dat je een boel boosheid in
je hebt, maar het moeilijk vindt om te vertellen waarom’. Zou je een boze
tekening willen maken?’
Activiteit: praten en/of schreeuwen in
een doosje
Doel : negatieve gevoelens inperken
Leeftijd : vanaf 6 jaar
Aantal : één of één kind in een groep apart nemen
Materiaal: een doosje en een kookwekker
Deze activiteit kun je goed gebruiken wanneer een kind
overloopt van negatieve gevoelens. Het komt als het ware in een vicieuze cirkel
en alles is negatief, omdat hij zichzelf zo ervaart. Door het kind binnen een
afgebakende tijd (vandaar de kookwekker) zijn negatieve gevoelens te laten
uiten, ontstaat er ruimte voor nieuwe gevoelens en ervaringen.
Je
voorkomt dat een kind in zijn negatieve gevoelens blijft hangen. Gedurende een
bepaalde tijd laat je een kind alle opgelopen frustraties spuien en daarna doe
je die gevoelens symbolisch in een doosje. Je plakt dit dicht en gaat weer over
op de orde van de dag. Door deze boze gevoelens ritueel op te bergen, mogen die
gevoelens er zijn.
Het
belangrijkste is dat je op deze manier ruimte creëert om ook weer positieve
ervaringen op te doen. Deze activiteit kun je steeds laten terugkomen, totdat
het niet meer nodig is.
Activiteit: slaan op voorwerpen
Doel : motorische ontlading van agressie
Leeftijd : vanaf 4 jaar
Aantal : één kind
Materiaal: boxbal, kussen of papier
(eventueel kookwekker)
Kinderen
met emotionele problemen hebben vaak te maken met grote innerlijke spanningen.
Ze kunnen zich daarom agressief gaan voelen. Vervolgens wordt dit dan geuit in
onrustig en ontoelaatbaar gedrag. Ze doen bijvoorbeeld andere kinderen pijn,
maken dingen stuk of zijn heel erg wild.
Het
is goed om deze opgebouwde spanning te ontladen.
Als hulpverlener kun je acceptabele
uitlaatkleppen bieden. Uiteraard los je hiermee het probleem van het
desbetreffende kind niet op, maar geeft het wel weer ruimte.
Deze
motorische ontlading is dan ook geen losstaande activiteit, maar moet
onderdeel uitmaken van andere
methodische activiteiten. Hieronder volgt een aantal acceptabele
uitlaatkleppen:
-
een
boxbal
-
scheuren
van papier
-
op
een kussen slaan
-
hard
rennen
Zodra
je een kind zijn boosheid wilt laten afreageren, zorg dan dat je, als het
enigszins kan, met het kind alleen bent. Spreek samen met het kind een bepaalde
tijdsduur af waarin het zich mag afreageren, je kunt dit makkelijk aangeven met
een kookwekker. Blijf tijdens het ontladen steeds dicht in de buurt en bevestig
dat het goed is wat het kind doet.
Na
afloop moet je ervoor zorgen dat het kind zich rustig voelt. Wanneer een kind
jong is, kun je het misschien op schoot nemen en even rustig samen zitten. Denk
er wel aan dat de boosheid opgewekt kan zijn door seksueel misbruik. Vraag dus
altijd eerst of het kind het zelf wil. Bij een ouder kind zou je even rustig
kunnen praten.
Probeer
dan datgene wat de agressie opriep af te ronden en praat vervolgens over een
neutraal onderwerp.
5.5.2
H Ik kan niet slapen
Activiteit: voorlezen en tekenen
Doel : leren beheersen van angsten
Leeftijd : vanaf 5 tot + 8 jaar
Aantal : maximaal 15 kinderen, is prima toepasbaar bij één
kind
Materiaal: Onderstaand verhaal,
ballonnen, kleine stukjes papier, kleurtjes en touw
Tijdens deze activiteit
maak je angsten bespreekbaar en kunnen kinderen ervaren dat ze niet de enige
zijn die ‘s nachts bang zijn. Ook laat je kinderen de angsten visualiseren. Het
doel: uiteindelijk macht te krijgen over de eigen angsten.
Verhaal:
Bart
is een wilde jongen, die met zijn wilde spelletjes graag andere kinderen bang
maakt. Alleen ‘s nachts is Bart bang, want dan komen de Dondermannetjes die
vreemde geluiden maken. Pappa en mamma bedenken het plan om muizenvalletjes
neer te zetten, maar de Dondermannetjes spelen er mee. Vervolgens bouwt Bart
zijn hele bed om tot een vechthuis, maar de Dondermannetjes willen niet vechten
en gaan gewoon door met plagen.
Dan
komt er een brief van oma, zij komt een paar dagen logeren.
‘s
Nachts als Bart weer bang is, gaat hij naar oma. Oma weet wel waar Bart bang
voor is, voor Dondermannetjes. Daar was oma vroeger zelf ook bang voor. Oma
weet gelukkig de oplossing.
De
volgende dag gaat oma met Bart naar een fopwinkel en kopen een hele grote
ballon. Als Bart weer thuis is, vraagt oma of hij de Dondermannetjes die hij ‘s
nachts ziet wil tekenen. Daarna doet oma alle Dondermannetjes aan de
luchtballon en samen laten ze de luchtballon met alle Dondermannetjes eraan
wegvliegen.
Zo,
daar heeft Bart mooi geen last meer van.
Na
het voorlezen geef je de kinderen allemaal een klein stukje papier, waarop ze
mogen tekenen waarvoor ze zelf bang zijn. Bij sommige kinderen zal dit van zelf
gaan, bij anderen is dit moeilijker. Veel kinderen zijn namelijk bang voor
geluiden. Laat ze toch proberen deze geluiden te visualiseren. Als kinderen het
moeilijk vinden om te tekenen, kun je vragen of ze even de ogen sluiten. Ze
moeten zich dan inbeelden dat ze in bed liggen en kijken naar de beelden die ze
dan zien. Hierna worden alle tekeningen aan de ballon gedaan, Vervolgens laat
je de ballon wegvliegen. Een andere optie is de tekeningen in een
papierversnipperaar te stoppen.
5.5.3
VERGROTEN
VAN DE WEERBAARHEID
I de hond, de egel en de oude poes
Activiteit : verhaal voorlezen en
naspelen
Doel : weerbaarheid vergroten
Leeftijd : vanaf 5 jaar
Aantal : niet al te grote groep, is prima toe te passen bij
één kind
Materiaal: het hiernaast beschreven
verhaal en eventueel dierenmaskers
Je begint met het
verhaal voor te lezen en vraagt na afloop of de kinderen het willen naspelen. Tijdens
het naspelen moet je weer geheel of gedeeltelijk het verhaal voorlezen, omdat
kinderen het waarschijnlijk niet helemaal uit hun hoofd kunnen naspelen. Het is
goed om de egel door een kind te laten spelen waarvan je denkt dat het niet zo
weerbaar is. Wanneer je met één kind werkt, laat dit kind dan de egel spelen.
Op die manier kan het kind lichamelijk
ervaren wat het verschil is tussen angstig ineenduiken en je angst onderdrukken
of fier rechtop staan en iemand recht in de ogen kijken. Voor je gaat starten,
moet je wel goed benadrukken dat de egel nooit echt geschopt mag worden door de
hond. Om het spelen nog aantrekkelijker te maken, kun je gebruik maken van
maskers.
Verhaal:
In
het park staat een grote boom met takken zo dun dat ze niet eens rechtop kunnen
blijven staan, maar allemaal heel droevig naar beneden hangen. Onder deze boom,
we zullen het een treurwilg noemen, is een klein holletje. Het is zo een
piepklein holletje dat er net één egel in past. En één egel is nu precies wat
er in dat holletje woont.
Elke
dag als de egel wakker wordt, rekt hij zich eens lekker uit en wast zijn snuit.
Vervolgens gaat hij naar buiten om eten te zoeken en even lekker van de
buitenlucht te genieten. De egel houdt van het park.
Het
is een mooi park met veel oude bomen en grote vijvers. De egel houdt ook van de
dieren in het park. Hij houdt van de eenden, de zwanen, de muizen en van de
Vlaamse gaai. Het park lijkt precies de juiste plek voor de egel om er te
wonen.
Alleen
op een hele mooie zomerdag, als Egel druk op zoek is naar eten, komt er ineens
een hond op Egel afstormen. Egel ziet wel vaker honden in het park, maar die
zitten altijd aan een lijn en dat is bij deze hond dus niet het geval. De hond
stormt op Egel af en Egel wordt bang. Egel doet wat alle egels doen als ze bang
zijn. Egel rolt zich op en zet zijn stekels overeind. Je zou denken dat de hond
wel uitkijkt voor de stekels van Egel, maar niets is minder waar. De hond gaat
voetballen met Egel en trapt Egel tegen de treurwilg. Bij iedere schop schreeuwt
Egel het uit van de pijn.
Het
voetballen van de hond met Egel duurt een poosje. Gelukkig roept de baas van de
hond hem weer terug en ze lopen langs de vijver weer het park uit. Egel voelt
zijn hele lijfje. Alles doet zeer. Terwijl Egel daar zit, komt een kleine
grijze muis, ‘wat is er met jou aan de hand?’ Egel vertelt het hele verhaal. De
kleine muis wordt er verdrietig van. ‘Maar Egel’, vraagt de muis, ‘waarom rol
je je dan ook op? Waarom doe je niet net zoals ik en ren je hard naar je
holletje?’ ‘Ik doe juist alles wat alle egels doen’, zegt Egel. ‘Nou’, zegt
muis, ‘als ik jou was zou ik de volgende keer toch hard wegrennen.’
Twee
dagen later gaat het weer iets beter met Egel. De pijn aan zijn lijfje is
gelukkig bijna over. Maar,…… oh wat erg daar is die hond weer. Egel rolt zich
op – tot het moment waarop hij terugdenkt aan wat muis heeft gezegd. Egel rolt
zich weer af en rent zo hard zijn kleine egelbeentjes hem kunnen dragen. Snel
probeert hij bij zijn holletje te komen. Alleen de hond heeft Egel allang
gezien en met een paar grote sprongen haalt hij Egel in. Egel krijgt weer een
paar flinke trappen. De hond trapt egel in de richting van de treurwilg en
daardoor kan Egel toch in zijn holletje komen. De hond gaat weer weg als zijn
baas hem roept. Versuft en verdrietig blijft Egel zitten. Straks moet hij nog
gaan verhuizen uit zijn fijne park en dat alleen door zo’n snert hond.
‘Hallo’,
zegt een stem voor het holletje van Egel. Egel kijkt heel voorzichtig naar
buiten en ziet een oude, grijze poes voor zijn holletje. ‘Wat is er met jou aan
de hand?’, vraagt de poes en de Egel vertelt het hele verhaal. De oude poes
schudt zijn wijze hoofd en zegt: ‘egel je moet je niet oprollen en je moet ook
niet wegrennen, dan denkt de hond dat je bang bent! – Je moet je groot maken en
heel kwaad kijken en heel hard blazen! – Net als wij poezen doen. ‘Oh’, zegt
Egel, ‘maar dat durf ik niet.’ ‘Ik zal je helpen’, zegt de oude poes. De poes
doet voor hoe je jezelf groot moet maken, hoe je heel kwaad kunt kijken en hoe
je hard moet blazen.
Egel
doet het na en na een paar keer oefenen lukt het vrij aardig. Samen spreken ze
af dat de poes Egel morgen komt helpen.
En
inderdaad zoals afgesproken, komt de oude poes de volgende dag weer naar het
park om Egel te helpen. ‘Oh, gelukkig dat je gekomen bent’, zegt Egel. ‘Weet je nog wat je moet doen?’,
vraagt de poes. Alleen voor Egel antwoord kan geven, verschijnt de hond weer in
het park, De oude poes gaat snel achter Egel staan. ‘Maak je groot!’, fluistert
hij, ‘en kijk heel kwaad’. De hond komt inmiddels op Egel afgestormd. Egel
denkt dat de poes steeds achter hem staat en is minder bang.
‘Vergeet
niet te blazen!’ hoort hij de poes nog zeggen. En Egel laat een behoorlijk geblaas
horen. De hond komt met sprongen dichterbij, maar vlak voor Egel blijft hij
staan.
Egel
wordt nu echt kwaad, blaast uit volle borst naar de hond en kijkt vreselijk
boos. De hond beweegt zijn kop naar links en rechts. Egel denkt de hond is bang
voor die oude poes en daarom durft hij zich nog groter te maken. Zo kan hij nog
harder blazen. Egel kijkt de hond strak in de ogen. De hond doet een stapje
naar achter en egel een stapje naar voren. Ineens zakt de hond door zijn
voorpoten. Alsof hij voor Egel en de poes gaat knielen. Daarna draait hij zich
om en rent met de staart tussen de benen weg. ‘Hoera’, roept Egel, ‘het is
gelukt! – Poes, jij hebt de hond weggejaagd, van jouw geblaas was hij bang.’ De
Egel draait zich om en wil de oude poes bedanken. Alleen hij ziet niks. ‘Hé,
poes, waar ben je? – Je hebt de hond weggejaagd!’ De poes is nergens te zien.
Egel roept nog een keer en vanachter een bosje klinkt een tevreden gespin ( het
geluid wat poezen maken als ze het naar hun zin hebben). Egel loopt naar het
bosje en ziet de poes lekker liggen. ‘Hé, je was geweldig’, roept Egel, ‘je
hebt de hond weggejaagd!’
‘Hoezo
ik?’, vraagt de poes, ‘dat heb je zelf gedaan, want ik lig al de hele tijd hier
te kijken hoe jij het doet en ik moet zeggen ik had het niet beter gedaan!’
‘Bedoel je dat ik alleen de hond heb
weggejaagd?’, vraagt Egel verbaasd. ‘Ja’, zegt de poes, ‘omdat je niet bang
was, wist de hond zich geen houding te geven. Van de hond zul jij geen last
meer hebben.’ Van schrik begint de Egel te bibberen, maar daarna voelt hij zich
zo ontzettend blij. ‘Dank je wel lieve poes wat ik van jou heb geleerd, dar heb
ik echt wat aan. Nu ik weet hoe ik de hond aan moet pakken, hoef ik niet te
verhuizen naar een veiliger plekje.’ Egel kan gewoon lekker in zijn eigen park
blijven genieten van een lang en gelukkig leven.
5.5.4
Activiteit: kleien
Doel : inzicht krijgen in de
gevoelens van kinderen over hun directe familieleden
Leeftijd : vanaf 5 tot 12 jaar
Aantal : maximaal 14 kinderen, is ook prima toe te passen bij
één kind
Materiaal: klei, spatels, eventueel
kranten en schorten
Vertel aan de kinderen dat ze ieder een stuk klei (of
brooddeeg) krijgen, waarmee ze hun eigen gezin moeten kleien. Het is belangrijk
om uit te leggen wat onder een gezin wordt verstaan. Een vader op afstand kan
daar dus ook bij horen. Verder vertel je de kinderen dat ze zelf mogen weten
welke gezinsleden ze gaan maken en in welke volgorde. (Als een bepaalde persoon
heel belangrijk voor een kind is, ook al is die geen familie, mogen ze die
eveneens kleien).
Het
is handig om klei te gebruiken die je niet hoeft te bakken. Je kunt ook
brooddeeg gebruiken, maar dit moet je wel bakken. Maak dit dan niet te ver van
tevoren klaar om uitdrogen te voorkomen.
Vraag
vooraf of kinderen sowieso met brooddeeg mogen spelen. Er zijn namelijk moeders
van wie het spelen met eten niet mag. Gebruik dan gewone klei.
Het
is overigens beter dat tijdens deze activiteit geen moeders aanwezig zijn, dit
kan de kinderen remmen. Plaats om beïnvloeding tegen te gaan broers en zussen
een eindje uit elkaar.
Tijdens
het kleien observeer je de kinderen. Stel al rondlopend op vragen (wie-, wat-
en hoe- vragen) over datgene wat de kinderen maken. Je kunt er ook voor kiezen
zoveel mogelijk rust tijdens de activiteit in acht te nemen. Laat de kinderen
dan na afloop vertellen over hun werk.
Voorbeeld:
Een
meisje van zeven jaar kleide haar vader en haar poes. Ze gaf aan hen erg te
missen.
Haar
moeder en zichzelf wilde ze niet maken. Alsof zij en haar moeder niet naast
vader konden zijn. Toen het kind haar werk aan haar moeder toonde, beweerde ze
stellig dat ze moeder en de poes had gemaakt.
Dit
kind had op dat moment dus een gespleten loyaliteitsgevoel. Ze durfde aan haar
moeder niet haar gevoelens ten opzichte van haar vader te tonen. Ze was bang
haar moeder af te vallen.
5.5.5
Activiteit: knutselen
Doel : omgaan met gemis
Leeftijd : vanaf 5 jaar
Aantal : maximaal 14 kinderen, is ook prima toe te passen bij
één kind
Materiaal: schoenendozen, mooi papier,
lijm, tekenblaadjes, stiften of potloden en het verhaal van ‘Het dennenboompje’
uit het boek ‘De koning trok uit om de draak te doden’, van Brigitte
Spangenberg.
Alle kinderen die in een hulpverleningsinstantie verblijven,
hebben te maken met gemis. De één zal onder andere zijn vriendje missen, de
ander zijn oma en weer een ander zijn vader. Om het gemis een plaatsje te geven
en het gevoel niet verdringen, kun je met de kinderen deze doos maken.
Lees
aan de kinderen als eerste het verhaal ‘Het dennenboompje’ voor. Praat
vervolgens met de kinderen over de mensen die ze missen. Hierna laat je ze een
mooie doos maken voor degene die ze missen. In die doos kunnen tekeningen of
andere knutselwerkjes worden opgeborgen voor die lieve persoon. Maak ook een
kopie van het verhaal over ‘Het dennenboompje’ en stop dit er in. Zo kan het
kind het verhaal nog eens nalezen. De doos kan een centraal plaatsje krijgen in
de kamer van het kind
Uiteraard
is het nodig om vanuit de instelling te kijken hoe je het kind contact kunt
laten houden met de mensen die hij mist.
5.6
Zintuiglijke activiteiten worden ook wel
snoezelactiviteiten, reactieve activiteiten of sensopatische activiteiten
genoemd. Het gaat hierbij om het aanbieden van zintuiglijke prikkels. Het
specifieke van het zintuiglijke is, dat het heel concreet en heel lichamelijk
is. Concreet, omdat het tastbaar, zichtbaar, hoorbaar en soms eetbaar is.
Lichamelijk, omdat het dicht bij het eigen lichaam blijft.
De
zintuiglijke ervaringen worden ondergaan als een prettige sensatie.
Activiteit: spelen met water
Doel : uitlokken van een reactie en tot rust laten
komen
Leeftijd : van 0 tot 18 maanden
Materiaal: water, badje, handdoek,
speeldingetjes, babyolie, washandje
Lekker spelen met de baby in bad. De volgende spelvariaties
zijn mogelijk:
-
langzaam
wennen aan het water door eerst met de handen of de voeten te voelen
-
golfjes
en geluidjes met het water maken
-
spetteren
en spatteren; met een gietertje spelen
-
andere
speeldingetjes gebruiken: visje, gekleurde balletjes en dergelijke. Het
speeltje onderdompelen en omhoog laten schieten bijvoorbeeld.
-
met
een zacht washandje wassen
-
afdrogen
met een lekkere pluizige en warme handdoek
-
insmeren
met babyolie
Activiteit: spelen met lapjes en
slierten
Doel : uitlokken van een reactie en tot rust laten
komen
Leeftijd : van 0 tot 18 maanden
Materiaal: lapjes en slierten
Baby’s vinden het fijn om een knuffellap te hebben.
Streel
met de lapjes en slierten over de armen of handen van de baby.
Activiteit: spelen met voelzakjes
Doel : uitlokken van een reactie en tot rust laten
komen
Leeftijd : van 0 tot 18 maanden
Aantal : één baby
Materiaal: lap stof, rijst, viltstift
en touwtje
Knip een vierkant uit de lap van stof. In het midden leg je
een paar lepels ongekookte rijst. Bindt de lap met rijst middels het touwtje
dusdanig samen dat je een bolletje krijgt met een lijfje eronder. Teken op het
bolletje een gezichtje.
Dit is een heel geschikt snoezelmateriaal voor de baby
Andere
spelvariaties:
-
Zakjes
vullen met materiaal zoals: rijst, erwten, gedroogde bloemblaadjes, snippers,
watten
-
Zakjes
vastpakken en laten vallen
-
Overpakken
van de ene hand in de andere
-
In
de zakjes knijpen en ze heen en weer schudden. Proberen om geluiden te maken;
zakjes te laten ritselen
Bij dit soort spelactiviteiten gaat het niet om het maken
van een werkstuk, om het product, maar om het plezier van het bezig zijn, om
het proces. Dingen doen met materiaal, zonder dat het ‘iets’ hoeft te worden
Activiteit: luisteren en vingerverven
Doel : ontdekken van de mogelijkheden van materiaal,
zich uit kunnen leven en het oefenen van vaardigheden.
Leeftijd : van + 2 tot 6 jaar
Aantal : maximaal 10 kinderen, is prima toe te passen bij één
kind
Materiaal: papier en groene verf
Leg aan de kinderen uit dat je een verhaal voor gaat lezen
en dat ze ondertussen gaan verven. Vertel de kinderen duidelijk dat jij aan zal
geven wat ze zullen verven en wanneer.
Het
is feest in kabouterbos. De kaboutertjes komen uit hun huisjes en lopen over
het mos………….(eerste spelvariatie). Van alle kanten komen de kaboutertjes
aan…………(tweede spelvariatie). Waar gaan al die kaboutertjes toch heen? Ze gaan
naar het midden van het bos naar de open plek……..(derde spelvariatie). Daar
dansen de kaboutertjes in het rond en hebben plezier…………….(vierde
spelvariatie). Ze dansen en dansen; door al dat dansen wordt het mos glad en de
kaboutertjes glijden uit………(vijfde spelvariatie). De kabouters dansen de hele
nacht, maar als de volgend morgen de kinderen in het bos komen, zien ze er
niets van, want de kaboutertjes hebben alle sporen uitgewist……….(zesde
spelvariatie)
Activiteit: luisteren en snippers maken
Doel : ontdekken van de mogelijkheden van materiaal,
zich uit kunnen leven en het oefenen van vaardigheden
Leeftijd : vanaf + 2 tot 6 jaar
Aantal : maximaal 14 kinderen, is prima toe te passen bij één
kind
Materiaal: kranten
Leg de kinderen uit dat je een verhaal gaat voorlezen en dat
er ondertussen opdrachten worden gedaan.
Vandaag
zijn we bij de weermannetjes op bezoek. En weet je wat voor weer we vandaag
gaan maken? Sneeuw! Maar sneeuw maken is een heel werk; willen jullie wel
meehelpen?
Een
heleboel vlokken tegelijk; grote vlokken; kleine vlokken………(eerste vier
spelvariaties).
Als
we genoeg sneeuwvlokken hebben, gaan we het voorzichtig heel zachtjes laten
sneeuwen……….(vijfde spelvariatie). Dan gaat het steeds harder en harder
sneeuwen…………..(zesde spelvariatie).
En
ineens zitten we in zo’n sneeuwbui, dat je geen hand voor ogen kunt
zien………(zevende spelvariatie).
Als
het wat minder hard sneeuwt, gaan de kinderen naar buiten en lopen door de
sneeuw; de sneeuw dwarrelt op hen neer…………(achtste spelvariatie).
De
weermannetjes hebben ervoor gezorgd dat de kinderen pret hebben, maar voor
sommige ouderen is het lastig; ze zijn bang dat ze uitglijden en iets breken.
Laten we die mensen maar even helpen met sneeuwruimen……..(laatste
spelvariatie).
Spelvariaties:
Bij creatieve activiteiten gaat het om het zo veel mogelijk zélf
bedenken van oplossingen en ideeën. In een creatieve activiteit zit altijd een
stuk vrijheid ingebouwd, waardoor je het kind uitdaagt zelf na te denken, zelf
oplossingen te zoeken en zelf beslissingen te nemen.
Activiteit: stempelen
Doel : Ontwikkelen van fantasie
Leeftijd : van + 2 tot 6 jaar
Aantal : maximaal 10 kinderen, is prima toe te passen bij één
kind
Materiaal: papier, verschillende
soorten verf, lipstick, bladeren, kwasten e.d.
Ga met de kinderen naar het bos en zoek mooie grote bladeren
uit.
Leg de bladeren op een vel papier en tamponneer er met een
kwast omheen.
Tamponneren= stippen maken met een kwast.
Een andere mogelijkheid is het blad te verven en daarna om
te keren op het vel papier. Ga er vervolgens met een roller overheen.
Peuters kunnen vaak nog geen ritmische beweging met een
stempel maken en gaan er mee ‘verven’. Peuters vinden het dan ook vaak leuk om
voorbereidend te stempelen:
-
Flink
lipstick op doen en dan ‘kusjes geven’ op een blad papier
-
Voeten
insmeren met verf en dan over bijvoorbeeld een rol behang lopen.
-
Handjes
afdrukken op papier. Maak er een spel van door op verschillende manieren af te
drukken.
-
Twee
eenvoudige stempels (twee grote kurken bijvoorbeeld) in twee handen nemen en dan
over het papier ‘lopen’.
G Tekenen als taal
Activiteit: tekenen
Doel : ontwikkelen van fantasie, het kind laten vertellen waar het
mee bezig is.
Leeftijd : van
6 tot 12 jaar
Aantal : kleine groep, is tevens prima toe te passen bij één kind
Materiaal: stiften en papier
Tekenen als ‘taal’ is vertellen met je potlood.
Schoolkinderen maken dan ook vaak vertellende tekeningen.
De
opdrachten die je bij tekenen als ‘taal’ kunt meegeven:
-
Auto’s
en huizen waar van alles aan te zien is.
-
Mensfiguurtjes
met allerlei bezigheden uit de interessesfeer van kinderen
-
Gezichten
van mensen uit de directe omgeving van kinderen
-
Bloemen
en beesten
Bespreek
na het tekenen wat de kinderen met de tekening willen vertellen.
Doel : ontwikkelen van fantasie, zelf leren nadenken
en beslissen
Leeftijd : van 6 tot 12 jaar
Aantal : kleine groep, is tevens prima toe te passen bij één
kind
Materiaal: tijdschriften, grote vellen
karton, schaar, lijm
-
Het
is beter om direct te knippen en niet eerst te tekenen; er ontstaat dan een
veel spontanere ‘lijn
-
Een
noodzakelijke spelregel: eerst schuiven en dan pas vastplakken; je kunt dit
sturen door de lijm pas in een later stadium uit te delen
-
Het
karakter van het materiaal leent zich tot het opvullen van kleurvlakken en het
mengen van kleurtjes (mozaïek).
-
Kies
onderwerpen met een hele eenvoudige voorstelling
-
Gebruik
kleine velletjes, omdat propjes plakken een tijdrovende bezigheid is
-
De
techniek leent zich goed om de concentratie te oefenen
-
De
voorstelling eerst intekenen, dat geeft een beter overzicht; je kunt kinderen
stimuleren door onderdeel voor onderdeel op te vullen.