I n h o u d
Voorwoord
Inhoud
Samenvatting
Inleiding 1
Hoofdstuk 1: onderzoeksplan
1.1 Aanleiding
van scriptie en probleemstelling 3
1.2 Probleemstelling 4
1.3 Onderzoeksopzet 7
- Vooronderzoek
- Hoofdonderzoek
Hoofdstuk 2: een theoretische benadering
2.1 Crisiscommunicatie 9
2.1.1
Soorten crisissen 10
2.1.2 Communicatie 12
2.1.3
De functie van de Communicatiefunctionaris 13
2.1.4 Externe
en interne communicatie 14
2.2 Imago & Identiteit 15
2.2.1 Imago 15
2.2.2 Identiteit 18
2.2.3 Niveaus van identiteit 20
2.3 Trends 22
2.4 Trends in 2004 23
Hoofdstuk 3: product recall en afpersing bij Numico
3.1.1 Een blik in
het verleden 24
3.1.2
Incidenten en crisissen 27
3.1.3 Wanneer
kwam de zaak in het nieuws? 28
3.2 Stappenplan 30
3.2.1 Procedure tijdens de kwestie 35
3.2.2 4T-Formule 36
4.1.1 Een blik in het verleden 40
4.1.2
De crisis van Ahold 40
4.1.3 Gezondigd 42
4.1.4 Een fantastisch imago binnen een week vergooid 43
4.1.6 Tien ‘Gouden’ regels 45
Hoofdstuk 5: strategie uitzetten
5.1. Crisiscommunicatie-strategieën 47
5.2. Communicatiekanalen 51
5.3. Checklist communicatiestrategie 53
6.1
Conclusies 55
6.2
Aanbevelingen 58
Hoofdstuk 7: Nawoord 62
Bijlagen:
- E. Overheid slecht in crisiscommunicatie
-
F. Ahold verkoopt Santa Isabel
-
G. Ahold twijfelde in 2000 al aan US Foodservice
- H. Lakeman dreigt
Ahold met geding over fraude
- I. Top
tien oorzaken voor crisis
-
J. Procedure tijdens de crisis
-
K. Respons Strategieën voor crisissen (en geruchten), Rossiter & Percy
en Tybout & Sternthal
- L. Basis Respons Strategieën,
Coombs
S a m e n v a t t i n g
Aanleiding van het onderzoek
Het rapport is uit
eigen belangstelling geschreven en is het afstudeerproject voor de afronding van mijn opleiding
Communicatiemanagement Duaal te Utrecht. Het onderwerp van mijn scriptie c.q.
onderzoek is Communicatie rond een
Crisis. De reden dat ik dit onderwerp heb gekozen is dat mijn interesse
een geruime tijd naar dit onderwerp uitgaat, en omdat er een duidelijk tekort
en weinig overeenstemming is bij auteurs over crisissen in de bestaande
literatuur. Crisissen gebeuren steeds vaker bij organisaties en komen in de
belangstelling door de media. Het is belangrijk dat organisaties goed
voorbereid zijn, als een crisis de organisatie zal treffen.
De onderzoeksvraag die in dit
rapport centraal staat is:
“Hoe kan de communicatie rond een crisis
goed georganiseerd worden, zodanig dat de communicatie na de
crisis de schade en de risico’s van het imago beperken of herstellen.
Welke strategie of werkwijze heeft het meeste/beste effect? “
Ik ben het onderzoek begonnen met
literatuuronderzoek over crisissen, imago, identiteit en trends. Met behulp van
een verklarende probleemstelling heb ik onderzocht hoe mogelijke
oorzaken of bepaalde factoren van invloed zijn op crisissen en hoe organisaties
dit door communicatie kunnen beïnvloeden. In het onderzoek zijn drie dataverzamelingstechnieken
gebruikt, namelijk deskresearch, literatuuronderzoek en expertinterviews.
Conclusies
Een aantal belangrijke conclusies zijn:
Het
wordt gekenmerkt door verschillende oorzaken, zoals een
gebrek aan
tijd, organisatie, informatie en onderlinge verdeeldheid.
§
Strategieën:
Vanuit de strategieën van
Rossiter & Percy en Tybout Calder en Sternthal en van Coombs heeft De Raaf
zijn eigen crisiscommunicatie-strategieën geformuleerd namelijk:
Verwijsstrategie, Distantieerstrategie, Herinneringsstrategie,
Boetekleedstrategie en de Lijdstrategie. De vijf strategieën zijn volgens
De Raaf door organisaties te gebruiken bij een crisis.
§
Iedere
crisis die zich voordoet bij een organisatie heeft een andere aanpak
nodig. Zorg voorafgaande een crisis voor een goed crisisplan, want dit is de
kern van crisismanagement en crisiscommunicatie en heeft tot doel een
structuur te verzekeren en door middel van training en voorbereiding de crisis
en haar bedrijfsimago te beperken en te bestrijden.
Aanbevelingen
Een
aantal belangrijke aanbevelingen zijn:
·
Communiceer
transparant via
verschillende kanalen met zoveel mogelijk stakeholders over wat je aan het doen
bent. Voorkom een roddelcircuit.
·
Imago-onderzoek biedt de
mogelijkheid om een beter inzicht te krijgen in de elementen die deze
beeldvorming bij de verschillende groepen bepalen. Iedere organisatie moet naar
mijn idee meerdere malen een soortgelijk onderzoek verrichten van de
betreffende organisatie. Op deze manier kunnen organisaties goed in de gaten
houden hoe consumenten over de organisatie denken en wat ze als organisatie
moeten doen om het beleid af te stemmen of te verbeteren.
· De keuze voor een strategie door een organisatie, tijdens een crisis om imagoschade te beperken en te herstellen, hangt af van een aantal factoren. Bijvoorbeeld of de oorzaak intern of extern is. De grootte van de organisatie, en/of de organisatie het had kunnen voorkomen, of dat het van buitenaf komt, dus niet beheersbaar is. De keuze voor de vorm van communicatie hangt ook af van de grootte van de imagoschade. Hoe meer imagoschade er moet worden hersteld, hoe meer communicatie er naar de belanghebbenden moet gegeven. Een belangrijke aanbeveling is om de bovenstaande punten duidelijk in kaart te hebben en de strategie te kiezen die de heer De Raaf heeft geformuleerd in hoofdstuk 5 en in paragraaf 6.2.
Voor u ligt het
rapport dat een onderzoek bevat naar crisiscommunicatie, en dan specifiek over
de taken van communicatie tijdens en na een crisis.
Het rapport is uit
belangstelling geschreven en is tevens het afstudeerproject voor de afronding
van mijn opleiding Communicatiemanagement Duaal te Utrecht.
De vraag die in dit
rapport centraal staat is:
Hoe kan de communicatie rond een crisis goed georganiseerd
worden, zodanig dat de communicatie na de crisis de schade en de
risico’s van het imago beperken of herstellen. Welke strategie of werkwijze
heeft het meeste/beste effect?
Hoe ik tot deze probleemstelling gekomen ben is te lezen in hoofdstuk
1, waar wordt ingegaan op de probleemstelling en een duidelijke uitleg
gegeven wordt over de woorden die onderstreept zijn. Tevens wordt in dit
hoofdstuk verteld over hoe de
probleemstelling is onderzocht en wordt er een opzet gegeven over het lezen van
het rapport.
In hoofdstuk 2 wordt
ingegaan op verschillende begrippen, zoals crisissen, imago, identiteit, trends
enz. en welke theorieën verschillende schrijvers hebben over deze begrippen. Ik
heb hierbij gebruik gemaakt van literatuur afkomstig uit de Mediatheek van de
Hogeschool van Utrecht. Meningen en reacties van schrijvers, vakpers,
interviews met twee Communicatie & Adviesbureau’s, en mijn eigen mening
zijn in dit hoofdstuk verwerkt.
In hoofdstuk 3 komt het
bedrijf Numico uitgebreid aan bod:De geschiedenis, productenaanbod, de crisis
rond Olvarit, en er zal worden aangeven wat er precies fout is gegaan binnen de
organisatie. Naar aanleiding van de crisis is er een stappenplan gegeven, waar
Olvarit zich aan had moeten houden. Ik geef aan waar ze aan hadden moeten
denken en welke belangengroepen niet vergeten hadden moeten worden. Dit
stappenplan is niet alleen voor Numico, maar ook voor organisaties die te maken
krijgen met soortgelijke crisissen.
In hoofdstuk 4
wordt Ahold onder de loep genomen. De crisis rond Ahold staat nog vers in
iedereen zijn geheugen en is een mooi voorbeeld om aan te geven waar het
verkeerd is gegaan. Ik maak gebruik van reacties van personen, literatuur,
vakpers en Internet.
In hoofdstuk 5 worden er
vijf crisiscommunicatie- strategieën beschreven, afkomstig van verschillende schrijvers.
Deze strategieën zijn voor de beperking en het herstel van imagoschade.
Hoofdstuk 6 worden conclusies en aanbevelingen
gegeven, naar aanleiding van de voorgaande hoofdstukken en theoretische kennis,
opgedaan tijdens het schrijven van mijn scriptie.
In Hoofdstuk 7 heb ik een nawoord geschreven. In dit
hoofdstuk zal ik mijn mening geven over crisiscommunicatie en aangeven wat mij
opgevallen is tijdens het schrijven van het rapport.
H o o f d s t u k 1: O n d e r z o e k s p l a n
1.1. Aanleiding
van scriptie en probleemstelling
Het onderwerp van mijn
scriptie c.q. onderzoek is Communicatie
rond een Crisis. De reden dat ik dit onderwerp heb gekozen is dat mijn
interesse al een geruime tijd naar dit onderwerp uitgaat en in het eerste blok
van het vijfde leerjaar, heb ik het vak Trends en Issuemanagement gevolgd. Ik
vond het een boeiend en leerzaam vak, omdat we als opgeleide communicatiemensen
op crisissen alert moeten blijven in het bedrijfsleven. Een goed crisisplan
zorgt er ook voor de problemen die ontstaan tijdens een crisis te beperken.
Toen ik de onderstaande tekst had gelezen werd ik enthousiast om mijn scriptie
over dit onderwerp te gaan schrijven. Er is een duidelijk tekort aan informatie
over crisissen in de bestaande literatuur. En crisissen gebeuren steeds vaker
bij organisaties en komen in de belangstelling door de media.
Crisismanagement, tien
risicoscenarario´s en de oplossingen, van drs. H.C. van Eyck van Heslinga.
“Het economische
klimaat van de afgelopen jaren heeft ertoe geleid dat het onderwerp
crisismanagement van de agenda is verdwenen.
Dit werd nog eens duidelijk toen we nagingen welke literatuur en onderzoeken er
de laatste jaren over dit onderwerp zijn verschenen. De opbrengst was bijzonder
mager. De laatste grote onderzoeken
dateerden uit de jaren tachtig. Op dit moment is crisismanagement weer aan de
orde van de dag. Veel bedrijven zijn genoodzaakt
zwaar in te grijpen om het bedrijf door de crisis te leiden. Vaak wordt
gedacht dat de huidige economie de oorzaak is van een crisis. Dit is een
misvatting. De meeste crises ontstaan door interne oorzaken waar het management
wel degelijk invloed op heeft. Onze ervaring is dat veel crises hadden kunnen
worden voorkomen of minder ernstig waren geweest als in een vroeger stadium was ingegrepen.” (H.C.
Eyck van Heslinga, p.5, 2002)
Ook een
reden om over communicatie rond een crisis te schrijven is dat door allerlei
ontwikkelingen en trends in onze maatschappij organisaties veel gevoeliger zijn
geworden voor crisissen, die voor hen allerlei vervelende gevolgen kunnen
hebben. Ik wil met behulp van dit rapport een onderzoek verrichten. (theorie
& praktijk). Uit dit onderzoek zal een advies vloeien, speciaal gericht op
organisaties die met crisissen te maken hebben gehad en organisaties die in de
toekomst hiermee geconfronteerd worden.
Het
advies en de aanbevelingen kunnen door organisaties als ondersteuning en
houvast worden gebruikt bij het voordoen van een crisis.
Voor
organisaties die te maken hebben gehad met een crisis kan mijn rapport worden
gebruikt om na te gaan wat er geregeld moest worden gedurende de crisis en of
ze zich daaraan hebben gehouden. Aan de hand van twee praktijkvoorbeelden, namelijk Numico en Ahold,
zal worden nagegaan wat er fout is gegaan en waar ze aan hadden moeten denken
bij de organisatie van de communicatie tijdens een crisis. Ik zal bij Numico
aangeven waar organisaties aan had moeten denken bij de organisatie en
communicatie vooraf en tijdens een crisis.Bij Ahold zal ik aangeven wat er
intern en extern niet goed is gegaan en geef ik tien gouden regels die tijdens
een crisis nageleefd moeten worden volgens een erkend communicatie &
adviesbureau COT, gevestigd in Den Haag.
`Zo onvoorspelbaar als het weer´
(Toelichting tekst titelpagina)
Een
crisis zie ik als iets onvoorspelbaars dat te vergelijken is met het
weer.Hierop kan een mens ook geen invloed uitoefenen, maar er wel rekening mee
houden door zich bijvoorbeeld warm aan te kleden. Een crisis is hiermee te
vergelijken. Organisaties kunnen voldoende voorzorgmaatregelen treffen voordat
een crisis uitbreekt en zij kunnen de schade daardoor beperken.
1.2. Probleemstelling
De probleemstelling
heb ik voor mijn onderzoek als volgt geformuleerd:
Hoe kan de communicatie betreffende
een crisis goed georganiseerd worden, zodanig dat de communicatie
na de crisis de schade en de risico’s van het imago beperken of
herstellen. Welke strategie of werkwijze heeft het meeste/beste effect?
Door het oplossen van
de boven genoemde probleemstelling wil ik tot conclusies en aanbevelingen
komen. Deze gegevens kunnen wellicht gebruikt worden, zodat organisaties een
beter zicht hebben op de communicatie
rond een crisis en wat daarbij komt kijken.
Definiëring
begrippen
- Definiëring begrippen van de probleemstelling
In
de meest algemene zin zijn crisissen op te vatten als buitengewone
omstandigheden, ofwel situaties waarin de maatschappelijke orde geheel, of
gedeeltelijk onder druk staat. Burgers, bedrijven, belangengroepen en
bestuursorganisaties ervaren een dreiging of aantasting van waarden of
verworvenheden die voor hen van vitaal belang zijn. Het kan daarbij gaan om
zaken als gezondheid, leven en dood, maar ook om materiele belangen, religieuze
en ideologische overtuigingen, democratische en rechtsstatelijke principes. (S.H.D.
Tjeenk Willink, p.21, 1997).
En verder…
Een crisis is iets anders dan een incident, maar een incident kan wel
leiden tot een crisis. Incidenten komen vaak voor binnen organisaties in de
levensmiddelenbranche. Denk bijvoorbeeld aan producten waar een productiefout
in zit, waardoor het product niet geconsumeerd mag worden. Het product voldoet
niet aan de producteisen en moet worden teruggevorderd door middel van een
product-recall. De fout die gemaakt is kan ontstaan zijn tijdens het
productieproces (intern), maar kan ook buiten het bedrijf gebeurd zijn
(extern). Over het algemeen is het zo dat consumenten een incident, met
bijvoorbeeld een product (bv Olvarit) minder erg vinden dan een crisis over een
gevoelig onderwerp, waar ze zich nauw betrokken bij voelen. Een voorbeeld van een gevoelig onderwerp is Ahold (zie
hoofdstuk 3). Ahold heeft grote financiële blunders gemaakt en heeft daar
consumenten en werknemers bij betrokken. Enerzijds werden er mensen op de
werkvloer ontslagen omdat er geen geld was en anderzijds kreeg de topman een
salaris waar wel twintig of meer mensen van betaald kunnen worden.
De fout die gemaakt is kan ontstaan zijn tijdens het
productieproces (intern), maar kan ook buiten het bedrijf gebeurd zijn
(extern). Over het algemeen is het zo dat consumenten een incident, met
bijvoorbeeld een product (bijvoorbeeld Olvarit) minder erg vinden dan een
crisis over een gevoelig onderwerp, waar ze zich nauw betrokken bij voelen. Een
voorbeeld van een gevoelig onderwerp is Ahold, (zie hoofdstuk 3). Ahold
heeft een aantal financiële blunders gemaakt en heeft daarbij consumenten en
werknemers bij betrokken. Enerzijds werden er mensen op de werkvloer ontslagen,
omdat er geen geld was en anderzijds kreeg de topman een salaris waar wel
twintig of zelfs meer mensen van betaald kunnen worden.
Georganiseerd
Betekenis volgens het woordenboek Van Dale:
1 een bepaalde structuur aanbrengen
2 (een evenement) tot stand brengen => geven, iets op poten zetten, iets op touw zetten.
Crisiscommunicatie, crisismanagement
en risicocommunicatie
Om mijn scriptie af te bakenen maak ik een onderscheid
tussen crisiscommunicatie en crisismanagement:
Crisiscommunicatie: het voorbereiden en uitvoeren van de
communicatieactiviteiten in geval van een crisis. [1]
Crisismanagement: dit is een complex proces, waar aanvankelijk al sprake
van is voordat er een crisis plaats heeft gevonden. Bij crisismanagement worden
alle risico’s in kaart gebracht waar een organisatie mee te maken kan krijgen.
De organisatie onderneemt maatregelen om de kans op calamiteiten zo klein
mogelijk te maken. Door middel van onder andere concrete actieplannen kan er
worden gezorgd dat de schade wordt beperkt, bij het uitbreken van een crisis.
Ik zal mijn onderzoek voornamelijk richten op crisiscommunicatie, maar omdat
crisismanagement een onderdeel hiervan is zal hier ook aandacht aan besteed
worden in mijn rapport.
Schade:een organisatie kan schade ondervinden van een
crisis of incident. Dit heeft betrekking op het imago dat de organisatie heeft
opgebouwd bij haar publieksgroepen. Het imago is het beeld dat publieksgroepen
hebben van een organisatie. Een imago wordt gevormd door een aantal factoren
namelijk; de service, de producten, reclame-uitingen, het aantal jaren dat
organisatie actief is.
de publieksgroepen over de organisatie denkt. Zij bepalen mede het
imago van een organisatie. Als het beeld dat is opgebouwd door publieksgroepen
is aangetast door een incident of een crisis, dan kan de consument het
vertrouwen verliezen in de organisatie en uitwijken naar een concurrent.
Communicatie tijdens een
crisis zal centraal staan in mijn scriptie. Ik wil onderzoeken hoe
communicatie het beste ingezet kan worden tijdens een crisis. Een imago
opbouwen kost een organisatie jaren, maar door een crisis kan een imago
veranderen, meestal op een negatieve manier.
Met behulp van een aantal strategieën die organisaties kunnen hanteren
geef ik een overzicht en aanbevelingen.
Effect: ik zal een
koppeling maken en een vergelijking van een aantal strategieën in hoofdstuk 5,
die toepasbaar zijn op organisaties als er een crisis zal zijn. De strategie
die ik kies zal samen met conclusies en aanbevelingen de schade van het imago
beperken of sneller laten herstellen.
1.3. Onderzoeksopzet
Met
behulp van een verklarende
probleemstelling zal ik onderzoeken hoe mogelijke oorzaken of bepaalde
factoren van invloed zijn op crisissen en hoe organisaties dit door communicatie
kunnen beïnvloeden.
Opzet van het rapport
Voor mijn vooronderzoek
worden de volgende middelen ingezet:
§
Deskresearch
Minimaal 90% van mijn tijd zal aan deskresearch besteed worden. Er
zijn diverse boeken geschreven door verschillende auteurs, alleen hun mening is
erg verschillend van elkaar. Ik zal hun opvattingen en meningen met elkaar gaan
vergelijken. Daarnaast zal ik gebruik maken van het Internet, omdat men daar
veel informatie kan vinden over crisissen die zich hebben voorgedaan in het
verleden.
§
Literatuuronderzoek
Ik heb bewust gekozen voor een theoretische scriptie, en
zal daarom veel stof uit boeken tot mij nemen en dit in eigen woorden verwerken
in het onderzoek. Als er uitspraken van schrijvers genoteerd worden, dan zal
dit met een voetnoot vermeld worden, of in de literatuurlijst staan. In het
hoofdonderzoek zal ik ook gebruik maken van literatuur, afkomstig van de
Mediatheek, vakbladen en Internet.
Hoofdonderzoek
Voor het
hoofdonderzoek wil ik gebruik maken van de volgende middelen:
§
Onderzoek
Er zal voornamelijk gebruik gemaakt worden van
een schriftelijk onderzoek, om mijn kennis te verbreden en mijn rapport te
onderbouwen.
§
Interviews
met:
-
Telefonische reactie van Ahold woordvoerder, Carina Hamaker
- Telefonische reactie drs.
W. de Jong van Communicatieadviesbureau
COT, gevestigd in Den Haag
- Telefonische reactie de heer Geus, van
adviesbureau Huijskens & Istha, gevestigd in Amsterdam
- Telefonische reactie M. Quarles van Ufford, persvoorlichter bij Numico
§
Vergelijkende
casestudy
Ik
zal mij gaan verdiepen en bekijken wat de mogelijkheden hiervan zijn. Bij de
Mediatheek van de faculteit Communicatie en Journalistiek hebben we de
mogelijkheid om scripties van studenten in te zien.
H o o f d s t u k 2: E e n t h e o r e t i s c h e b e n a d e r i n g
De fraaiste grafiek
van een hartslag van een persoon zou een keurige rechte lijn zijn, aldus drs.
W. de Jong, adviseur van communicatieadviesbureau COT. Geen crisis te zien,
alles in volmaakte rust, dus een ideale situatie.
De Jong
bedoelt hiermee dat een rechte lijn als grafiek prachtig is, maar dat dit
wanneer het de hartslag van een mens uitbeeldt, deze persoon niet meer leeft.
De hartslag grafiek van een kerngezonde sporter laat een veel grilliger lijn
zien. Met andere woorden; door het leveren van een prestatie laat een hartslag
grafiek een niet precies voorspelbaar resultaat zien.
Crisismanagement
“Tijdens
een crisis moet een organisatie laten zien dat de crisis effectief wordt
beheerst. Het probleem moet worden aangepakt en opgelost” (G.F. Boulogne,
adviseur bij Adviesbureau Hollander en van der Mey, p.7, 1996)
De
oorzaken moeten worden vastgesteld, zodat herhaling kan worden voorkomen.
Organisaties moeten er dus voor zorgen dat er concrete actieplannen
klaarliggen, voor het geval er een crisis uitbreekt. Als een organisatie geen
actieplannen heeft klaarliggen en het management en de afdeling Communicatie
niet voldoende geïnformeerd zijn dan profileert zij zich als een slachtoffer
van de gebeurtenissen, dat door onkunde en gebrek aan
verantwoordelijkheidsbesef de crisis over zichzelf heeft afgeroepen.
Crisismanagement
en crisiscommunicatie vormen een twee-eenheid volgens de heer G.F. Boulogne,
adviseur bij Adviesbureau Hollander en Van der Mey. Als er een ramp of
andersoortige crisis zich heeft aangediend, is meestal niet onmiddellijk
duidelijk wat er aan de hand is. Toch moet er direct begonnen worden met communiceren; journalisten wachten niet
met bellen tot de feiten geanalyseerd zijn. Ook andere betrokkenen zullen zich
direct na de crisis gaan melden, bijvoorbeeld afnemers en ongeruste familieleden.
Je kan niet tegen deze mensen zeggen dat je van niks weet, want dan kom je als
organisatie niet getrouw over. Een belangrijke opdracht voor de afdeling
communicatie is om de crisis te beheersen en op te lossen met behulp van een
zeer grondige en gedetailleerde voorbereiding.
Uit een onderzoek van
de heer van Eyck van Heslinga, (toptien oorzaken, zie bijlage I), is
gebleken dat een crisis voornamelijk intern begint. Maar liefst 48% van de
voorgevallen crisissen ontstaan uit het niet functioneren van het management.
Het management heeft te weinig daadkracht, of kan te veel intern gericht zijn.
42% wordt toegeschreven aan een gebrekkig managementinformatiesysteem. En op de
negende plaats staat pas een crisis met een externe oorzaak, namelijk nieuwe toetreders
in de markt. Een goed voorbeeld is hierbij Ahold, door het niet functioneren
van het management is de crisis uitgegroeid tot een imagoschade dat jaren nodig
zal hebben om weer zoals ‘vroeger’ te worden, zie hoofdstuk vier.
2.1.1 Soorten crisissen
Chinees woordenboek
In het Chinees kent
men twee lettertekens voor het woord crisis. Het ene staat voor dreiging,
de andere voor kans. Crisis
betekent een bedreiging voor de betrokkenen, maar kan ook het begin zijn van een groeiproces
waar het individu of het bedrijf versterkt uit naar voren komt. Een crisis betekent gevaar, maar ook groei
en uitdaging. (Bron: www.google.nl)
Een
ding staat vast bij een crisis en dat is dat een crisis onverwacht is.
Het is een onverwachte gebeurtenis die een verstoring betekent van de normale
gang van zaken, die negatieve gevolgen kan hebben voor de organisatie en een of
meer van haar doelgroepen en die een risico kan vormen voor de continuïteit van
de organisatie. (J. Groenendijk, adviseur bij Adviesbureau Hollander en van
der Mey, p. 11, 1994).
Annette
Klarenbeek, vakdocent aan de
Hogeschool van Utrecht voegt hier aan toe dat een crisis wordt gekenmerkt door
verschillende oorzaken en wordt gekenmerkt door een gebrek aan tijd, organisatie, informatie en onderlinge verdeeldheid
(Cahier 29, p.9, 2002). Dit vormt het motorisch moment, ofwel de start van
een crisis. Annette Klarenbeek heeft dit geschreven in Cahier 29, Crisiscommunicatie bij de overheid. Ik sluit mij bij de
opvattingen van de heer Groenendijk en mevrouw Klarenbeek aan. Ik ben ook van
mening dat sommige crisissen voorkomen hadden kunnen worden, maar dat
organisaties niet voldoende de moeite hebben gedaan. Ze hebben de externe
omgeving en haar ontwikkelingen niet goed in de gaten gehouden en intern zijn
organisaties vaak niet goed voorbereid. Dit blijkt wel uit de
praktijkvoorbeelden van Numico en Ahold in hoofdstuk drie en vier.
Op de interne
oorzaken heeft het management voornamelijk zeggenschap. Voorbeelden hiervan
kunnen zijn inefficiënte interne communicatie of productieprocessen die niet
verlopen volgens afspraak. Over externe oorzaken heeft het management geen
directe invloed. Dit kunnen macro-economische ontwikkelingen zijn, op het
gebied van financiën, demografisch, economische, politiek, technologisch en op
ecologisch gebied.
De ontwikkeling van een crisis
Volgens Drs.
H.C. van Eyck van Heslinga is een crisis een vicieuze cirkel dat zich soms geleidelijk en soms heel snel
voltrekt. Hij geeft hierbij een diagnosemodel als hulpmiddel om de
kernproblemen te onderkennen namelijk:

Figuur 1. Diagnosemodel, p.13,
Controlling in de praktijk, 2002
Organisaties
zijn onderhevig aan de bovenstaande oorzaken, en kunnen daar vaak niks tegen
doen. Het is wel de taak van het management en de afdeling communicatie om
vooruit te blijven denken en de ontwikkelingen goed in de gaten te houden.
2.1.2 Communicatie
“Communicatie
is één van de functionele gebieden
die een organisatie benut om problemen op te lossen of te voorkomen. Het is een
bril waardoor je met een bepaalde deskundigheid kijkt naar de organisatie en
haar sociale omgeving (v. Woerkum, 1997)”
Van
oudsher werden vooral financiën, marketing en human-resource als functionele
gebieden benoemd, maar tegenwoordig is het steeds belangrijker (ook) met een
communicatieblik naar het functioneren van de organisatie te kijken, omdat de
onderlinge afhankelijkheid in de samenleving is toegenomen. Communicatie is
niet slechts een verzameling van operationele activiteiten uitgevoerd door
communicatiedeskundigen. Het is een benadering die voor velen in de organisatie
van belang is (M. Vos, Communicatie-kwaliteitsmeter gemeenten, 2003).
Volgens Van Woerkom
is de kern van de taak van communicatiedeskundigen: het helpen doorbreken van zelfreferentialiteit. Dit begrip
verwijst naar een eigenschap van mensen of organisaties om de omgeving (en
zichzelf) waar te nemen vanuit hun eigen perspectief, vanuit een in hun ogen
volstrekt vanzelfsprekend idee over wat belangrijk is en wat niet. Voor anderen
ziet de wereld er echter soms geheel anders uit. Essentieel voor het doorbreken
van de gerichtheid op het eigen denkpatroon is een gevoel van afhankelijkheid.
Zonder de burger is er bijvoorbeeld geen effectievere wetgeving denkbaar. We
moeten ons in de denkwereld van de doelgroepen verdiepen om essentieel te
kunnen zijn.
“Het is niet zozeer de
communicatieafdeling die goed moet communiceren, maar de organisatie zelf en de
medewerkers daarin, ieder binnen het eigen netwerk van interne en externe
relaties, aldus J.M. Galjaard, 1997.” “Belangrijk zijn oog voor de
ontvanger en concreet’ aandacht voor contactmomenten en informatiedragers (N.
Middel, 2002).”
Daarnaast zorgen
communicatiedeskundigen voor communicatiebeleid dat het algemene beleid
ondersteunt en voeren zij een deel van de activiteiten uit. Doorgaans zijn dat
de communicatieactiviteiten die gespecialiseerde kennis vragen en een hoog
afbreukrisico met zich meebrengen omdat ze veel impact hebben, zoals
crisiscommunicatie.
Mevrouw
A. Klarenbeek, vakdocent aan de School voor Communicatiemanagement, vermeldt in haar uitgave van Cahier 29 dat de functie van
Communicatie is het gemeenschappelijk maken, het in verbinding staan met
enerzijds de organisatie en anderzijds de omgeving. De rol van de
communicatiefunctionaris is te omschrijven als een boundry spanner: hij
onderhoudt contacten met interne en externe relaties van de organisatie en kan
hier waardevolle informatie over leveren. Hij verbindt het interne netwerk met
het externe netwerk en wisselt naar beide kanten beelden uit.
“Het
functionele gebied communicatie bevordert de communicatie over en weer van
organisatie en sociale omgeving (Vos, M. en H Schoemaker, p 26, 31, 2002).” Het
onderhouden van open communicatiekanalen biedt een basis om als organisatie te
kunnen functioneren in het samenspel met andere partijen. Ook is
informatie-uitwisseling noodzakelijk voor de samenwerking binnen de
organisatie. Het kan tevens de effectiviteit vergroten van de uitvoering.
2.1.3. De functie van de Communicatiefunctionaris
De
rol van de communicatiefunctionaris tijdens een crisis is vaak niet helder,
omdat organisaties en afdelingen vaak niet voorbereid zijn op een crisis.
Volgens A. Klarenbeek is er op
managementniveau de laatste jaren veel terrein gewonnen, wanneer het gaat om
gezag en positie. Omdat het management dat gezag hebben, stellen de adviseurs
en medewerkers zich te dienend op. Ik ben het hiermee eens en tijdens een
crisis kan dit nadelig zijn en kan een slechte uitwerking hebben op het managen
van de crisis. Een belangrijke taak van de communicatiefunctionaris is dat er
initiatief wordt getoond, omdat communicatie een belangrijke rol speelt tijdens
een crisis. Lef, persoonlijkheid, gezag, het hebben van gehoor en intuïtie zijn
essentieel tijdens een crisis en de communicatiefunctionaris speelt hierbij een hoofdrol en moet de eigenschappen
eigen hebben gemaakt.
Uit
de voorgaande citaten van schrijvers over het begrip Communicatie heb ik mijn
eigen mening gevormd. Het is namelijk zo dat sommige citaten erg oppervlakkig
en algemeen zijn en de lading van het begrip niet volledig dekken. Ze zijn niet
allemaal specifiek genoeg voor het begrip communicatie, dat nodig is tijdens
een crisis. Ik kan me goed vinden in de uitspraken van mevrouw A. Klarenbeek
en ik heb daarom haar uitspraak als uitgangspunt gekozen, die luidt als volgt:
“Het gaat bij communicatie om het
gemeenschappelijk maken, het in verbinding staan met enerzijds de organisatie
en anderzijds de omgeving. De rol van de communicatiefunctionaris is te omschrijven
als een boundry spanner: hij onderhoudt contacten met interne en externe
relaties van de organisatie en kan hier waardevolle informatie over leveren.
Hij verbindt het interne netwerk met het externe netwerk en wisselt naar beide
kanten beelden uit.”
2.1.4 Externe
en interne communicatie
De Interne en externe omgeving spelen een grote rol voor de
communicatie van een organisatie. Allereerst is er de interne communicatie
(communicatie binnen de organisatie) ook
wel de identiteit van de organisatie.
De organisatie straalt met behulp van zijn/haar producten, diensten,
reclame en huisstijl naar buiten toe. Het gevoel dat medewerkers intern voelen
en hoe ze de organisatie zien heeft met de identiteit te maken. In
crisissituaties gaat de journalist zelf op zoek naar informatie, en een
belangrijke bron vormen de medewerkers van de organisatie. De medewerkers
hebben een goed en duidelijk beeld van de organisatie en weten meestal wat er
aan de hand is en hoe dat is gekomen. Om ervoor te zorgen dat medewerkers op de
hoogte zullen zijn van de crisis of incident is het de taak van de
woordvoerder, directeur of iemand van de afdeling Communicatie om de
medewerkers te informeren, zodat de informatie die naar buiten toe gaat
eenduidig is.
Externe communicatie (communicatie naar buiten toe) richt zich
voornamelijk op het beleid en het handelen van de organisatie te
verduidelijken. Deze communicatie dient tevens voor de vorming van het imago
van de organisatie. Mensen geven een bepaalde waarde aan een organisatie en
vormen daar een beeld bij. Ze worden zich bewust van het bestaan van de
organisatie. Goede communicatie, dienstverlening en goede producten zorgen voor
een positief imago.
Zonder interne communicatie is externe communicatie onmogelijk, dit
blijkt ook uit het verhaal van Ahold. Ahold heeft weinig contact gehad met haar
eigen medewerkers, het kwam zelfs voor dat ze niet van de situatie afwisten.
Hierdoor is de externe communicatie gefaald, omdat de interne communicatie niet
goed geregeld was. Intern moeten de mensen betrokken zijn, en de neuzen moeten
dezelfde kant opstaan. Medewerkers zijn zeer belangrijk voor een organisatie,
omdat ze aan een positief imago kunnen bijdragen naar de consument. Ook
communiceren medewerkers het gevoel dat zij hebben bij een organisatie te horen
naar buiten toe (familie, vrienden, bekenden).
2.2 Imago& Identiteit
Er
zijn twee termen die zowel in de literatuur als in het bedrijfsleven nogal eens
door elkaar worden gebruikt, namelijk imago en identiteit. Aangezien de theorie
hier niet altijd eenduidig in is, heb ik er zelf moeite mee onderscheid te
maken tussen beide begrippen. De reden dat ik aan identiteit en imago aandacht
besteed is dat deze begrippen zwaar op de proef worden gesteld tijdens en na
een crisis. Een lang opgebouwd imago, kan binnen een week totaal veranderd
zijn. (Zie hoofdstuk 4, over de crisis van Ahold).
Volgens enkele theoretici gaat het image veel dieper dan een imago,
het image heeft meer te maken met de psychologische kant: dat wat werkelijk in
de hoofden van mensen omgaat. Imago wordt beschouwd als dat wat feitelijk wordt
uitgezonden door de organisatie. Image heeft daarentegen te maken met hoe het
beeld van een organisatie aan de ontvangerkant wordt gezien, dus in de hoofden
van de mensen. Hier ben ik het niet mee eens. Imago is het beeld dat mensen
hebben van een organisatie, een merk, een persoon, of een product. Het is
beïnvloedbaar, dus het imago kan afwijken van de feitelijke werkelijkheid.
Ik
kies ervoor om geen verdere onderscheid te maken voor mijn scriptie, omdat de
theorie van E. Blauw, auteur van het
boek ´Het corporate image´ hier ook geen onderscheid tussen deze twee
begrippen maakt. Ik zal wel het begrip imago gebruiken om misverstanden te
voorkomen. Als het om de beeldvorming van organisaties gaat, spreekt met in het
vakjargon over het ‘corporate image’. Het gebruik van deze Engelse term is
geleidelijk aan zo ingeburgerd, in zowel wetenschappelijke wereld als in de
praktijk, dat het naar mijn mening geforceerd overkomt Nederlandse vertalingen
te gebruiken. Vandaar dat de termen imago en corporate image worden gehanteerd.
[2]
2.2.1 Imago
Wanneer
men literatuur over imago raadpleegt, zijn er veel definities van het begrip te
vinden. Om dit te verduidelijken staat hieronder een selectie gepresenteerd:
![]()
-
Groenendijk: “ imago is een positief of negatief werkzame conditie
aan de kant van de relaties of publieksgroepen van een organisatie, het
werkelijke beeld van de organisatie (J.N.A. Groenendijk, p.9, 1993).”
- Blauw:”Imago is het resultaat van het totaal
van alle indrukken, ervaringen, kennis, verwachtingen en gevoelens van mensen
over een individu, merk, bedrijf, instelling, politieke partij enz. (E. Blauw,
p 17, 1994).”
- Van
der Meiden/Fauconnier: “ imago is een subjectieve en meerdimensionale
voorspellingsvorm of afdruk van de werkelijkheid in het menselijke brein,
waardoor deze werkelijkheid op een gereduceerde, gekleurde en dus vaak
vervormde wijze wordt voorgesteld. (A. van der Meiden/G. Fauconnier, 1996).”
![]()
Uit
deze definities kies ik er uiteindelijk een, die ik als uitgangspunt neem voor
mijn scriptie en wat ik gedurende het schrijven zal gaan hanteren. De
definities van Groenendijk en Van der Meiden & Fauconnier zijn, naar mijn
idee, te smal geformuleerd en dekken niet het begrip imago optimaal. Ik kies
voor de definitie van E. Blauw, omdat ik mij het best kan aansluiten bij zijn
theorieën. Bovendien is hij een bekend deskundige op het terrein van imago en
identiteit en is in Nederland de grondlegger van het vakgebied van Corporate
Communication. De heer Blauw richt zich als auteur puur op een instrumenteel
doel, namelijk; wat moet er gebeuren om een gunstig imago te creëren?
Dus,
volgens de definitie van E. Blauw, en door mij aangevuld is:
“Het Imago is het resultaat van het totaal
van alle indrukken, ervaringen, kennis, verwachtingen en gevoelens van mensen
over een organisatie, merk, product, of individu enzovoort.”
In
deze formulering van het begrip imago wordt gesproken over mensen. Mensen die
wel of niet betrokken zijn geweest bij een crisis, en zich daar een duidelijke
mening over hebben gevormd. Mensen die een band hebben met de organisatie en
een duidelijk beeld hebben van de producten, diensten, en toegevoegde waarde.
Diverse niveaus van imago
Het imago
bestaat uit drie niveaus (A. van der Meiden en G. Fauconnier, 1996, p. 207):
a. Het werkelijke, bewust gedragen imago: datgene dat de organisatie naar buiten toe wil dragen; een
vastgesteld, enigszins beheersbaar imago (dit mag niet verward worden met
identiteit).
b. Het werkelijke, onbewust gedragen imago:
dit is het beeld dat leeft bij de relatiegroepen, het feitelijke corporate
image. Dit imago wordt door de dragers (organisaties) ervan niet bewust als een
imago beschouwd maar eerder als identiteit.
c. Het gewenste imago: het beeld over de organisatie dat nagestreefd wordt door
het management van die organisatie, zoals de organisatie zich graag
geaccepteerd wil zien door alle relatiegroepen. Anders uitgedrukt: de
organisatie wenst dat de buitenwereld een bepaald beeld als identiteit
waarneemt en dus voor werkelijk aanziet. Hier zit een emotionele dimensie aan,
mede doordat het gewenste imago niet geheel beheersbaar is.
Het is belangrijk voor een organisatie dat het een sterk imago heeft,
op intern en op extern gebied.
Kort gezegd: Een sterk imago vormt de basis voor
vertrouwen en continuïteit
Corporate image
Net als het
begrip imago zijn voor het begrip corporate image ook tal van definities te
hanteren. Tijdens mijn onderzoek ga ik uit van de volgende definitie:
`Het corporate image is het resultaat van alle indrukken,
ervaringen, kennis, verwachtingen en gevoelens van mensen over een onderneming
(E. Blauw, 1996, p. 35).`
Het corporate
image is volgens E. Blauw een optelsom van imago´s. Het is het beeld, zoals dat
over een bedrijf of organisatie op een bepaald moment in werkelijkheid bestaat
bij de doelgroepen. Met andere woorden; hoe de identiteit bij de doelgroepen
beleefd wordt. Een goed corporate image is een stimulans voor de afzet van
producten en diensten, helpt het bedrijf de juiste werknemers te werven, is
belangrijk voor de financiële wereld en kapitaalverschaffers, en geeft minder
problemen met overheden, actiegroepen of consumentenorganisaties. Een goed
corporate image geeft een onderneming gezag en vertrouwen en vormt de basis
voor succes en continuïteit (E. Blauw, 1996, p.29).
Volgens Nijhoff
is een corporate image opgebouwd uit twee componenten, namelijk (Nijhoff, 1993,
p. 26):
1. een
kenniscomponent (cognitief) en
2. een
attitudecomponent (affectief)
Samenvattend:
Corporate image = naamsbekendheid + reputatie
(met reputatie
bedoel ik hier het bekend staan van een organisatie (goed of slecht) bij de
relatie. Dit gevoel bij de relatie kan voortkomen uit vroegere gebeurtenissen
in de organisatie. Bovendien is een reputatie niet uitwisbaar)
Hiermee wil ik
eigenlijk zeggen dat een organisatie een sterk corporate image heeft als zij
zowel een grote naamsbekendheid als een uitstekende reputatie heeft. Dit
betekent dat als een organisatie wel een grote naamsbekendheid heeft maar onder
velen geen vertrouwen geniet, de organisatie geen sterk imago heeft. Ook is er
geen krachtig imago als de organisatie veel vertrouwen geniet bij een relatief
klein aantal mensen.
Voordelen van een sterk imago
De voordelen van
een goed imago zijn:
2.2.2 Identiteit
Imago en identiteit zijn begrippen
die nogal eens met elkaar verward worden. De begrippen hebben wel onlosmakelijk
met elkaar te maken, maar inhoudelijk hebben ze een volstrekt verschillende
betekenis. Als we spreken over corporate image dan wordt
daarmee bedoeld: de wijze waarop
de identiteit van de organisatie bij de doelgroepen overkomt.
De identiteit van een organisatie
omschrijft datgene wat de organisatie is en wilt zijn. Een term die vaak
gebruikt wordt om de totale identiteit en persoonlijkheid waarmee de
organisatie zicht wenst te manifesteren, zowel naar de externe doelgroepen, als
naar de eigen medewerkers toe, is de ´corporate identity`. De corporate
identity omschrijft de doelstellingen van de onderneming op lange termijn en
geeft inhoud aan de wijze waarop de organisatie zich dient te openbaren. Het
zegt iets over het karakter, de persoonlijkheid van de onderneming.
De identiteit van een organisatie
is een opeenstapeling van een groot aantal factoren, zoals het product of de
dienst die de organisatie aanbiedt, de cultuur van de organisatie, het
bedrijfsgebouw, de medewerkers, de serviceverlening, de maatschappelijke
functie van de organisatie, etc… (E. Blauw, 1996, p. 30-31).
Omdat er
geen eenduidige definitie van het begrip Identiteit aanwezig is, heb ik een
aantal definities opgenomen:
![]()
“Identiteit is hoe de organisatie
zelf denkt (intern) dat zij overkomt op haar doelgroepen en waar de organisatie
voor staat. De identiteit geeft inhoud aan de wijze waarop de organisatie met
haar doelgroepen wil communiceren (M. Hoogendoorn, 1991).”
“Identiteit is wat de organisatie
wezenlijk is, vooral qua cultuur en het daarin wortelende gedrag, zowel van
alle tot de organisatie behorende mensen als van de organisatie zelf (J.N.A.
Groenendijk, p.9, 1993).”
“Corporate identity is het beeld
zoals een bedrijf dat wenst te vestigen of te continueren bij haar doelgroepen:
het totaal van visuele en niet visuele middelen dat een onderneming hanteert om
zich te profileren naar alle relevante doelgroepen (E. Blauw, p. 30, 1996).”
![]()
Mijn voorkeur gaat bij de
bovenstaande definities uit naar de definitie van de heer E. Blauw. De
definitie van de heer E. Blauw vond ik ook het best tot zijn recht komen bij
paragraaf 2.2.1 over imago. Het is een heldere definitie en geeft de essentie
aan van het begrip identiteit. Het is helder geformuleerd en is een van de
weinige definities die eenduidig is.
2.2.3 Niveaus van identiteit
Het begrip identiteit bestaat net
zoals het begrip imago uit drie niveaus namelijk:
a. De werkelijke
identiteit: de werkelijkheid van een
onderneming zoals die wordt gezien door objectieve waarnemers zoals
bedrijfsconsulenten, onderzoekers en bevoegde externe waarnemers zoals een
fiscus of de interne controledienst.
b. De intern
waargenomen identiteit: de
werkelijkheid zoals die door de bril van het management wordt bekeken, de
‘corporate identity’. Deze corporate identity heeft volgens sommige auteurs,
‘de ziel’, het typische persoonlijkheidsprofiel van de onderneming.
c. De gewenste
identiteit: een goed management denkt in
termen van verandering wanneer dit nodig is. Men wenst dan aan de organisatie
een andere identiteit te geven, bijvoorbeeld groter of kleiner, meer
productvariatie, meer decentralisatie, een andere organisatiecultuur,
enzovoort.
Bron: A. van der Meiden en G. Fauconnier, 1994, p. 207
Een
organisatie heeft er zijn dus zijn voordeel mee als de identiteit van de
organisatie duidelijk is voor de medewerkers. Het zorgt ervoor dat de neuzen
dezelfde richting opwijzen, en het kan ervoor zorgen dat na een crisis de
identiteit en imago weer snel kunnen herstellen. Een organisatie moet er
daarentegen wel voor zorgen, en dan voornamelijk het management, dat de
verschillende niveaus duidelijk en helder zijn beschreven in de organisatie.
Het management moet op ieder niveau weten wat de identiteit is en of dit
veranderd of verbeterd moet worden.
Imago in relatie tot identiteit
Organisaties
hebben er baat bij als de relatiegroepen een beeld hebben (corporate image) dat
dicht bij de werkelijkheid (corporate identity) komt. Ik heb twee redenen om
dat aan te geven (E. Blauw, 1996, p. 35):
I.
Als het imago
‘beter’ is dan het gewenste beeld van de organisatie (de identiteit): dan is de
kans groot dat de organisatie door de mand valt en daarmee het sterke imago
verdwijnt omdat zij de verwachtingen op den duur niet waar kan maken. Hierdoor
kan de organisatie haar gezicht verliezen. Belangrijk is dus dat er een
vergelijking wordt gemaakt tussen de identiteit en het imago om zo mogelijk
veranderingen aan te brengen en zo een overeenstemming tussen beide te
bereiken.
II.
Als het imago
‘slechter’ is dan het gewenste beeld van de organisatie (de identiteit): dan is
de kans groter dat de organisatie slechter scoort in de markt dan mogelijk zou
zijn. Hier laat de organisatie kansen liggen. In deze situatie is het
belangrijk dat de organisatie snel iets gaat doen aan imagoverbetering
aangezien het zelfbeeld beter is dan het beeld dat de publieksgroepen van de
organisatie heeft.
Veel organisaties laten de laatste
jaren het imago van hun organisatie onderzoeken, aangezien ze zich realiseren
dat een positief of negatief imago grote gevolgen kan hebben. In toenemende mate
wordt onderkend dat een positief corporate image voorwaarde is voor vertrouwen
en continuïteit en dus voor het strategisch succes van de onderneming. In
hoofdstuk 2 zal ik de organisatie Numico analyseren, Numico heeft meerdere
crisissen doorstaan en door het goed opgebouwde imago dat ze hadden opgebouwd
hebben ze de crisissen doorstaan en maken nu weer voldoende winst, zie bijlage 4: Numico wil verdere groei babyvoeding.
Ahold
(hoofdstuk 4) heeft het harder te verduren, maar daar is de crisis van een
dusdanige grote dat de opgebouwde vertrouwen en imago, plotsklaps is verdwenen.
Het zal naar mijn idee nog heel lang duren voordat het vertrouwen van de
consument naar Ahold toe zal gaan verbeteren.
Imago-onderzoek is een methode om
te weten te komen hoe de markt over een organisatie denkt, welke opinies en
vooroordelen er leven, welke maatschappelijke betekenis een onderneming heeft,
en in welke mate men bekend is met de doelstellingen van de betreffende
onderneming (E. Blauw, 1996). De uitkomsten van een imago-onderzoek zeggen veel
over de waardering van de producten van de organisatie of van haar
dienstverlening en de service van het bedrijf.
Imago –onderzoek biedt de
mogelijkheid om een beter inzicht te krijgen in de elementen die deze
beeldvorming bij de verschillende groepen bepalen. Dit is erg belangrijk als er
een crisis heeft voorgedaan bij een organisatie. Iedere organisatie moet naar
mijn idee meerdere malen een soortgelijk onderzoek doen naar het imago. Op deze
manier kunnen organisaties goed in de gaten houden hoe consumenten over de
organisatie denken en wat ze als organisatie moeten doen het beleid af te
stemmen of te verbeteren.
Ik wil wijzen op het feit dat een
imago-onderzoek geen vaststaand gegeven is. Nieuwe situaties en zeker crisissen
maken het nodig dat een organisatie constant op haar hoede moet zijn en het
imago moet evalueren. Imago is een continu proces en onderzoek naar imago is
pas echt zinnig als het met enige regelmaat gebeurt.
2.3. Trends
Een trend kan worden gedefinieerd
als een ontwikkelingslijn, een nieuwe mode of een heersende toon. Een trend kan
gaan om kwantitatieve gegevens, zoals de groei van het aantal aanmeldingen bij
fitnesscentra of een trend kan betrekking hebben op sociologische en culturele
ontwikkelingen.
De onderstaande ontwikkelingen moeten organisaties voortdurend in de
gaten houden:
1. De veranderende houding van de
media, de kritische journalist;
2. De steeds mondiger en
kritischer wordende consument (individualisering);
3. Een grotere rol van belangenorganisaties
voor de consument en een intensievere controle van keuringorganisaties;
4. Veranderingen op het juridische
vlak.
Toelichting
1. De media zorgen ervoor dat een
crisis in de verschillende media verschijnt, ze verdienen er hun brood mee. De
media kunnen in principe een bedrijf maken en breken. Door een ware
informatie-explosie in de maatschappij worden consumenten steeds kritischer.
Zeker door de Nieuwe Media (Internet) kan slecht nieuws zich snel verspreiden
op elk moment van de dag. Ook de frequent verschijnende traditionele media
zorgen voor een snelle verspreiding van nieuws. Omdat de media er steeds meer
aandacht aan schenken, lijkt het of er steeds meer crisissen ontstaan, maar dit
komt alleen doordat de media er veel aandacht aan besteden.
2. Individualisering. De vraag die
hier vooral gesteld moet worden is in wat voor wereld leven we eigenlijk? We
leven in een snelle wereld, alles moet binnen een bepaalde tijd gebeuren,
mensen willen te veel dingen en alles moet snel worden gedaan. Er wordt te
weinig rust gehouden en vrije tijd is een luxe. Mensen willen tegenwoordig
duidelijker en expressiever laten zien wie ze zijn en willen veel dingen
nastreven. Ze voelen zich meer betrokken dan vroeger, specifiek wat ze
consumeren en welke producten ze aanschaffen. Een consument bouwt een bepaalde
band op met een organisatie, en bij een slecht behandelde crisis zal het
vertrouwen afnemen.
3. De kwaliteitseisen van producten worden door de jaren heen steeds
strenger. De kwaliteit wordt door verschillende organisaties in de gaten
gehouden, om ervoor te zorgen dat er geen letsel of materiële schade bij
consumenten wordt aangericht. Voorbeelden van belangenorganisaties zijn; de
Consumentenbond, De Keuringdienst van Waren, het Centraal Bureau van de Levensmiddelenhandel
en Postbus 51.
4. Consumenten hebben veel meer rechten dan vroeger en zijn zich ervan
bewust. Consumenten kunnen bedrijven aanklagen, voor het niet voldoen aan de
kwaliteitseisen van een product, ook wel genaamd productaansprakelijkheid.
Consumenten komen op voor hun rechten, vaker dan vroeger en consumenten stellen
tegenwoordig hogere eisen aan producten. Consumenten voelen zich meer betrokken
en bewuster bij wat ze kopen en waar ze hun geld aan uitgeven. Bron: syllabus,Karemaker, M./Morsinkhof,
G, Trendwatching & Issuemanagement.
2.4
Trends in 2004
De onderstaande informatie is
afkomstig van journalisten van het
vakblad Communicatie, december 2003
‘De consument wil vertrouwen, veiligheid en geluk’ aldus Cees
Anceaux, vakblad Communicatie, december: 'De consument wil de gulden
terug, veiligheid en vrijheid. Bedrijven die hierop kunnen anticiperen, slagen
zeker in 2004. Ook wil men huiselijkheid, nieuwe meubels en gezelligheid. Veel
activiteiten in en om het huis. Nieuwe spaarmogelijkheden, men spaart voor een
appeltje voor de dorst.'
Beer Flik: 'Consumenten zullen steeds meer de
behoefte krijgen aan zekerheid, eigenwaarde en goed nieuws. Er is een trend
gaande die opteert voor inhoud, echtheid en daadwerkelijk onderscheid. De
komende periode wordt in heel veel situaties het kaf van het koren gescheiden.
Iedereen zal de beste moeten zijn om een deuntje mee te kunnen blazen. Mensen
zullen zich weer moeten gaan bewijzen en van hun beste kant presenteren.
Leegheid en buitenkant wordt doorheen geprikt. Mensen worden inventiever,
creatiever, slimmer en ondernemender. We moeten meer voor onszelf gaan zorgen.
Inhoud, echtheid en onderscheid, zullen de behoefte aan zekerheid, eigenwaarde
en goed nieuws moeten invullen.'
Jan Rijkenberg: 'Die Nederlandse consumenten willen
volgens mij vooral (huiselijk) geluk en veel van de wereld zien zolang het
goedkoop kan. Ik voorzie een grotere afkeer van politiek en een groeiende
weerstand tegen Amerikaanse dominantie in de wereld.
N u m i c o
Hoe er
omgegaan wordt met een crisis is afhankelijk van de organisatie waar het zich
afspeelt. De gedragscodes vormen in feite het kader waarin het crisisplan
geschreven dient te worden, omdat dit de uitgangspunten zijn voor de
communicatiemanager en het management. Kijkt een crisismanager alleen naar het
ideaalplaatje,:hoe een crisis bestreden moet
worden, en vergeet men de (on)mogelijkheden van de organisatie en haar
publieksgroepen, dan kan de crisismanager zich behoorlijk in de vingers
snijden. Ik zal in de twee volgende hoofstukken twee organisaties analyseren,
namelijk Numico en Ahold. De keuze is gevallen op een organisate die een
product recall heeft gehad en een organisatie waar de interne en externe
communicatie niet op elkaar afgestemd is en waar men verkeerde keuzes heeft
gemaakt. Ik zal de organisaties analyseren, door middel van informatie van
verschillende bronnen en expert–interviews met betrokkenen. Hieruit zal ik voor
Numico aangeven wat de gewenste Communicatie zou moeten zijn intern en extern.
Voor Ahold zal ik de fouten opsommen en aangeven waar het fout is gegaan. Ook
worden in het hoofdstuk tien ’gouden’
regels aangegeven bij het ontstaan van een crisis.
Numico
Een belangrijke speler op de markt van voedingssupplementen is het
koninklijke Numico. Numico heeft in het verleden te maken gehad met een crisis,
betreffende het product Olvarit.
3.1.1 Een blik in
het verleden
Een blik in het verleden zegt iets
over het nu en de toekomst. Het vertelt iets over het bestaansrecht en geeft
inzicht in de karakteristieken van de organisatie.
Bron: www.numico.nl/geschiedenis
In 1896 krijgt Martinus van der Hagen, oprichter van de
Stoomzuivelfabriek in Zegwaard (Zoetermeer) het alleenrecht om volgens de
Backhausmethode zuigelingenvoeding te produceren uit koemelk.
Niet lang daarna wordt de N.V. Nutricia opgericht en
onder die merknaam wordt begin deze eeuw een groot aantal nieuwe producten
geïntroduceerd. In samenwerking met de medische wereld worden nog vóór de
Eerste Wereldoorlog de eerste dieetproducten ontwikkeld, waaronder suikerarme
melk voor diabetici en jodiumhoudende melk voor strumapatiënten. In de
moeilijke oorlogsjaren vervult de Nutricia-voeding een belangrijke functie. Zo
wordt onder meer gratis pap verstrekt aan de locale bevolking.
Nutricia ontwikkelt zich na de Tweede Wereldoorlog steeds meer tot een fabrikant
van kennisintensieve voedingsmiddelen. In 1946 wordt het laboratorium
uitgebreid met een afdeling Research met faciliteiten voor een proeffabriek. In
1950 komen de eerste diëtisten in dienst die medische voorlichting geven aan
onder anderen artsen en verpleegkundigen.
In 1946 verschijnen ook de eerste Olvarit groentemaaltijden op de markt,
waarvan het assortiment, evenals van de pappen, in de loop der jaren sterk is
uitgebreid. De vele technologische ontwikkelingen in de 60-er jaren zorgen voor
vernieuwingen in de ziekenhuisvoeding. Dit leidde tot introductie van onder
andere Nutri 2000(1970), een complete voeding voor chronisch zieke mensen met
ernstige voedingsproblemen en het
Nutrison Pack (1995).
Expansie
De groei van Nutricia beperkte zich niet tot Nederland. Al in 1905 worden de
eerste melkpoederproducten geëxporteerd.Voorbeelden van belangrijke overnames
zijn Cow & Gate in 1981, de acquisities in Oost-Europa begin jaren 90, de
overname van Milupa in 1995 en de overname van het Amerikaanse General
Nutrition Companies (GNC) in 1999, gevolgd door Enrich International en Rexall
Sundown in 2000.
![]()
Maatschappij en
milieu --- Waarden en normen Numico
De Numico gedragscode geeft aan waar het bedrijf voor staat. Om vertrouwen te
verdienen en te behouden is het belangrijk dat alle Numico medewerkers
wereldwijd handelen naar onze algemeen geaccepteerde waarden, principes en
richtlijnen zoals vastgelegd in onze gedragscode. De Numico gedragscode is tot
stand gekomen in overleg met het management en de medewerkers van verschillende
vestigingen. Het is belangrijk dat op de naleving wordt toegezien. De
gedragscode bestaat uit twee delen:
A.Waarden
B.Richtlijnen en gedragslijnen
A. Waarden
De waarden van Numico zijn uiteengezet in de volgende punten:
Respect voor mensenrechten, Numico respecteert de mensenrechten als een absolute en
universele standaard. In alle landen waar ze gevestigd zijn, worden deze
rechten ondersteund voor zover dat van een commerciële organisatie verwacht kan
worden. Het doel is om binnen de mogelijkheden van de industrie de
(productie)processen en producten zo vorm te geven dat ze het milieu zo min
mogelijk belasten.
B.
Richtlijnen en gedragslijnen.
De
richtlijnen en gedragslijnen uiten zich in het volgende:
2.
Adviescommissie voor
voedselveiligheid,
Internationaal gerenommeerde, onafhankelijke deskundigen op het gebied van
toxologie en microbiologie uit diversen landen ontmoeten elkaar regelmatig als
leden van Numico's Adviescommissie voor Voedselveiligheid. Zij geven, gevraagd
en ongevraagd, hun visie over actuele thema's op het terrein van kwaliteit en
voedselveiligheid.
3.
Centrale Laboratorium Friedrichsdorf
(CLF), Het centrum van
Numico's voedselveiligheidsbeleid is het Centrale Laboratorium in
Friedrichsdorf (CLF) in Duitsland. Het is een van de meest geavanceerde centra
op het gebied van kwaliteitscontrole.

De
bedrijfscultuur wordt gekenmerkt door flexibiliteit. Samenwerking en openheid
worden gezien als vanzelfsprekende gemeenschappelijke waarden voor het bereiken
van de doelstellingen. Belangrijke elementen van deze bedrijfscultuur zijn het
delen van kennis en informatie. Bron:
www.numico.nl/geschiedenis
Management development
Evenals
bekende bedrijven zoals Unilever, Hagemeyer en Procter & Gamble zet Numico
de corporatenaam enkel in om te communiceren met corporatestakeholders. Door
aparte productmerken te gebruiken naar consumenten, kunnen ze segmentspecifieke
informatie communiceren en kunnen segmenten binnen de totale doelgroep op maat
worden bediend. Tegelijkertijd worden deze consumenten daarmee afgesloten van
signalen over de prestaties van de onderneming, van informatie over innovaties,
milieu-inspanningen, of activiteiten op sociaal-maatschappelijk gebied.[3]
3.1.2 Incidenten en crisissen
Incidenten en crisissen kunnen dan ook op twee niveaus worden geanalyseerd,
namelijk op corporate niveau en productmerkniveau. Bij beide niveaus heb je in
de regel te maken met andere belangengroepen. Op corporate niveau heb je
bijvoorbeeld al snel te maken met belangengroepen en financiële analisten. Op
productmerkniveau heb je vaak te maken met de verkooppunten, de consumenten,
met andere woorden de afnemers van het product. Ik concentreer mij tijdens de
analyse van productmerkniveau, op het niveau van de voedingssupplementen.
3.1.3 Wanneer kwam de zaak in het nieuws?
November 1993
Wat zat waarin?
In potjes Olvarit babyvoeding met rundvlees en varkensvlees van Nutricia
werd p-tolueensulfonamide
(pTSA) aangetroffen, een restproduct dat overblijft als het
antiontsmettingsmiddel Halamid zijn werk heeft gedaan. De stof pTSA heeft een
bacteriedodende werking en mag volgens de Bestrijdingsmiddelenwet niet in
hogere doses dan 1 milligram per kilo in voedingsmiddelen voorkomen. In de
potjes babyvoeding werd 4 milligram per kilo aangetroffen. Het werd niet
duidelijk hoe giftig de stof precies is.
Hoe kwam het daarin?
De leverancier van het vlees in de babyvoeding, de Gorinchemse firma HVV, had
jarenlang opzettelijk Halamid toegevoegd aan het geleverde vlees om te voldoen
aan de strenge eisen van Nutricia.
Wat waren de gevolgen?
Nutricia haalde twee miljoen potjes
Olvarit terug, uit een voorraad van tien miljoen. Het babyvoedsel werd
vernietigd. Volgens Nutricia was er echter geen gevaar geweest voor de
gezondheid van kinderen die het voedsel hadden gegeten. De Keuringsdienst van
Waren vond van wel en klaagde Nutricia aan.
De financiële gevolgen voor Nutricia waren groot: het bedrijf maakte in mei
1995 bekend dat de schade werd geschat op 40 miljoen.
In oktober 1995 verklaarde de rechtbank in Den Haag Nutricia schuldig aan
overtreding van de Warenwet, wegens gebrekkige controle tijdens het
productieproces en traag reageren toen de eerste meldingen van pTSA in
babyvoeding binnenkwamen. Nutricia kreeg wel gelijk op een ander punt: de
rechtbank achtte het niet bewezen dat de affaire de volksgezondheid in gevaar
had gebracht. Er werd de firma geen straf opgelegd, omdat Nutricia volgens de
rechtbank al genoeg schade had geleden.
De twee directeuren van
vleesleverancier HVV kregen boetes van 30.000 en 15.000 gulden en voorwaardelijke
vrijheidsstraffen, wegens onzorgvuldig handelen.
Bron: www.nrc.nl/dossier
Andere schandalen met Olvarit
Halverwege 1992 trof de Keuringsdienst van Waren metaalscherven aan in een
potje Olvarit. De zaak werd nooit opgehelderd. Tussen 1986 en 1993 werden in nog vier andere gevallen
onrechtmatigheden in het babyvoedsel aangetroffen. In mei 1993 werden in de
VS potjes Olvarit teruggehaald wegens geruchten over salmonellabesmetting.
In december 1994 moest Nutricia voor de
rechter verschijnen nadat een consument een stukje hout in een potje Olvarit
had gevonden. Het bedrijf kreeg een boete van 5.000 gulden. Daarnaast kwam
Nutricia in het nieuws omdat het bedrijf gechanteerd werd door personen die
zeiden van plan te zijn gif aan Olvarit toe te voegen.
De enorme publiciteit rond de
p-TSA-affaire berokkende Nutricia grote schade. De kosten van de recall en
omzetderving liepen op tot 40 miljoen gulden. De consument heeft sinds
de affaire minder vertrouwen in het merk Olvarit, dat sindsdien ook nog eens
concurrentie ondervindt van andere babyvoedingmerken. Nutricia werd sinds de
affaire geconfronteerd met een toename van het aantal klachten.
De fabrikant van babyvoeding wees officier De Waardt erop dat het concern ook
kwetsbaarder was geworden voor pogingen van chantage zoals de Gladio-affaire.
In de zogenoemde Gladio-affaire veroordeelde de rechter in Den Haag eind
"93 twee mannen, waaronder een majoor van de Nederlandse landmacht, tot
enkele jaren gevangenisstraf wegens poging tot afpersing. De twee hadden
Nutricia een brief gestuurd, met als doel 5 miljoen gulden afhandig te maken.
Als Numico hier geen gehoor aan zou geven, dan zouden de mannen de producten
van Nutricia vergiftigen.
Als een
dergelijk incident zich voordoet is het dus belangrijk om hier op tijd op in te
spelen. Hiervoor moeten een aantal zaken consequent gecontroleerd worden en
moet er nagedacht zijn over oplossingen en handelingswijzen ter voorkoming van
een crisis.
Met het
woord ‘zaken’ bedoel ik een stappenplan dat door het management en de
communicatiemanager doorlopen moet worden tijdens een crisis.
In de
volgende paragrafen worden de verschillende stappen belicht die voor,
tijdens en na het signaleren van een incident en/of crisis hadden moeten worden
ondernomen. Uit het telefonische interview met M. Quarles van Ufford, persvoorlichter bij Numico, kwam naar voren dat er geen concreet en volledig
communicatie crisisplan opgesteld was, omdat het ´een plotselinge gebeurtenis´
was, die niet voorzien was. Hij vermelde verder
niet naar buiten te willen treden met informatie over afpersingspogingen, omdat
het bedrijf bevreesd is dat berichten hierover “mensen op ideeën kunnen
brengen”.
“Voor Nutricia is het belang van Olvarit in feite niet te overschatten.
Het merk, dat door Nutricia al in 1946 op de markt is gebracht, is door
Nutricia synoniem gemaakt aan betrouwbare zorg voor baby"s en peuters. Die
uitstraling heeft ook effect op de andere produkten voor deze doelgroep die
Nutricia sindsdien op de markt heeft gebracht, aldus Michiel
Quarles van Ufford.”
Het gesprek met de
heer van Ufford, verliep tamelijk stroef en hij gaf zijn eigen mening
nauwelijks. Het was duidelijk merkbaar dat hij goed voorbereid was. Hij gaf wel
algemene informatie, zoals de kosten van de recall en de afpersing die opliepen
tot 40 miljoen gulden. Het heeft vele jaren geduurd voordat het imago een
verbetering liet zien en Numico heeft bekend gemaakt dat ze een verdere groei
willen in de babyvoeding (bijlage D).
Numico heeft het afgelopen jaar geen niet voldoende winst gemaakt en zal
zich gaan concentreren op een mogelijke samenwerking op het gebied van
babyvoeding met onderdelen van bestaande multinationals in andere landen.
Om goed te kunnen inspelen op een
mogelijke kwestie is het van belang om de betrokkenen in kaart te brengen. Ik
doe dit aan de hand van de crisis die Olvarit heeft ondergaan. Het stappenplan
is tevens toepasbaar op toekomstige crisissen.
|
Direct extern: ·
Afnemers van
Olvarit; *** ·
Partners /
leveranciers; ** ·
Huisartsen.
** |
Direct intern: ·
Management Olvarit; *** ·
Management Olvarit; ** ·
R&D; *** ·
PR marketing & communicatieafdeling; *** ·
Front office. *** |
|
Indirect extern: ·
Consumenten;
* ·
Media; *** ·
Onafhankelijke
(medische) specialisten. *** |
Indirect intern: ·
Numico; ** ·
Overig personeel. * |
De betrokkenen zijn op te delen in
de volgende groepen (de sterretjes geven de belangrijkheid aan, 1 is niet
belangrijk, drie erg belangrijk):
Onder andere
spelen onderstaande groepen een belangrijke rol in het beeldvormingsproces van
de belanghebbenden van het issue. Uiteraard zijn uit deze groepen voor–en
tegenstanders te onderscheiden.
De invloed
van deze groepen op de belanghebbenden behoeft nader onderzoek zodat er
optimaal gebruik kan worden gemaakt van hun positie / rol.
|
Mogelijk voorstanders: |
Mogelijk tegenstanders: |
|
Media (journalisten & algemene verslaggevers) |
Media (journalisten & algemene verslaggevers) |
|
Huisarts |
Huisarts |
|
Specialisten (medisch en onafhankelijk) |
Specialisten (medisch en onafhankelijk) |
|
Olvarit |
Tegenstanders van voedingsupplementen |
|
Numico |
Concurrenten |
Om de crisis in goede banen te
leiden zijn duidelijke afspraken betreffende de rolverdeling noodzakelijk.
Hiervoor kan een task force worden samengesteld. Deze task force bestaat uit
verschillende leden van de organisatie evenals enkele externe specialisten. De
task force voor deze betreffende crisis kan er als volgt uit zien:
|
Communicatie |
Marketing / verkoop |
R & D |
Juridische afdeling |
Administratie & logistiek |
Mediacontact
|
Plan
opstellen hoe er met de marketing / verkoop van het product wordt omgegaan. |
Onderzoeksgegevens
in kaart brengen |
Mogelijke
juridische gevolgen in kaart brengen |
Tijdspad |
|
Mediatraining intern |
Marketingmiddelen
|
Netwerk
in kaart brengen opinieleiders op medisch gebied |
Contacten
onderhouden met betrokken juridische autoriteiten |
Afstemming
logistieke proces (ketenbeheer) |
|
Medewerkers op de hoogte stellen van de
crisis. (intern) |
Competitieve
analyses concurrenten |
Presenteren
van onderzoeksgegevens In
symposia, vakbladen en consumentenbladen |
|
Advies
m.b.t tot tijdspad |
|
Persberichten schrijven |
Doktersverklaring
|
|
|
|
|
Ondersteuning van crisiscommunicatie |
Managementvergadering
met medische specialisten |
|
|
|
|
Mediabeleid |
Dokters
en gebruikers op de hoogte stellen hoe met
klachten omgegaan moet worden tijdens een crisis. |
|
|
|
Stap 4: Communicatie en organisatie tijdens een
crisis
In deze
paragraaf zal een handleiding worden gegeven die tijdens een crisis toepasbaar
zal zijn. Iedere crisis of incident is natuurlijk anders en moet ook anders
worden benaderd, maar ik zal een aantal basisvoorwaarden geven waar een
organisatie aan moet denken bij de communicatie en de organisatie tijdens een
crisis.
Ten tijde van
een crisis blijkt maar weer hoe belangrijk het is om bepaalde contacten en
relaties goed te onderhouden. Dit hoeft niet altijd in formele zin te gebeuren
maar kan d.m.v. regelmatig contact, bijvoorbeeld door nieuwsbrieven,
persberichten, etc…, maar ook d.m.v. symposia en evenementen die specifiek
bepaalde groepen bedienen. Het is handig om ook in deze groepen een onderscheid
te maken tussen voorstanders, tegenstanders en neutralen.[4] Per groep dient er een lijst aanwezig te zijn van mogelijke
vragen met de daarbij horende antwoorden.
Een aantal
voorbeelden van deze relaties zijn:
De media
verdienen extra aandacht. Zij kunnen immers de crisis vergroten dan wel
verkleinen. Vandaar dat het aan te bevelen is een ervaren en deskundige contactpersoon voor de pers aan te stellen.
Deze moet goed weten wat hij of zij wel en niet moet zeggen en op welke wijze.
Tevens kunnen de media door de organisatie op positieve wijze beïnvloed worden.
Dit door bijvoorbeeld de eerder genoemde contactpersoon, maar ook door een
goeddoordacht persbeleid te voeren met de daarbij horende
informatievoorziening. Een doordacht persbeleid houdt onder meer in dat er goed
in kaart is gebracht met welke media Numico precies mee te maken heeft.
Personen
die direct of indirect geconfronteerd zijn met de kwestie zullen of terug naar
de winkel gaan of zich richten tot de organisatie die het product heeft
gemaakt. De organisatie moet zorgen voor een telefoonlijn waar mensen terecht
kunnen voor vragen.
Publieksgroepen
kunnen voor advies terecht bij de telefooncentrale die opengesteld zal worden
naar aanleiding van de crisis. Het telefoonnummer zal gratis zijn en onder
andere vermeld worden tijdens de persconferentie die vlak na de gebeurtenis zal
plaatsvinden. (zie procedure tijdens kwestie)
Medewerkers
zullen door een persconferentie en een incidentele nieuwsbrief op de hoogte
worden gesteld van de gebeurtenis. Er zal voor de managers een extra
bijeenkomst komen, zodat medewerkers bij hen terecht kunnen voor vragen.
Publieksgroepen die verder niks met
de crisis te maken hebben zullen de vakpers en de journalisten vertrouwen,
omdat het een sterk middel en overtuigend middel is.
De taakverdeling die op strategische
wijze de crisis zal gaan ‘managen’ bestaat uit:
Dit team moet pro-actief denken.
Concurrenten van de organisatie kunnen de crisis gebruiken om zelf beter uit de
verf te komen. Vanwege de ernst van de crisis kan dit een groot risico zijn
omdat mensen wellicht vertrouwen in de organisatie verliezen en daardoor op
zoek gaan naar een alternatief. Ik vind dat met pro-actief ook wordt bedoeld
dat de organisatie geen defensieve strategie gebruikt, maar juist assertief en
pro-actief. Dan zou zij de positieve houding van opinieleiders, media en
(bepaalde) publieksgroepen tegenover het merk kunnen verliezen.
Soortgelijke praktijk voorbeelden
zijn essentieel leermateriaal. Namelijk aan de hand van deze informatie kan
Numico zien wat de do’s en don’ts zijn en hier lering uit trekken. Er
kan uit de analyse van deze data duidelijk worden hoe de publieksgroepen, media
en opinieleiders etc. op de crisis hebben gereageerd en van welke expertise
deze organisaties gebruik hebben gemaakt.
Voor de crisis moeten al
verscheidene briefingmaterialen klaarliggen zodat ze vrijwel meteen kunnen
worden ingezet. Onder briefingmaterialen versta ik onder andere middelen zoals
persberichten, interne memo´s, persmappen en teksten bestemt voor het Internet.
In die briefing materialen zal er achtergrondinformatie en de positie die
Numico inneemt staan. Er moet ook al een soort van presentatiepakket worden
samengesteld dat kan worden uitgedeeld tijdens bijvoorbeeld een
persconferentie.
Maar er moeten ook briefing
materialen voor de medewerkers klaarliggen zodat er sprake is van consistentie
in de interne en externe communicatie. Dit is een taak voor de afdeling communicatie.
De databases van de bij de crisis
betrokken onderdelen van Numico moeten worden onderzocht om te achterhalen waar
het precies fout is gegaan in het productieproces. Hierdoor kan wellicht de
fout in het productie proces worden gevonden en verholpen en voortaan worden
voorkomen.
De (personen van de) partijen waar
Numico door de jaren heen een relatie mee heeft opgebouwd moeten door middel
van informeel contact op de hoogte worden gebracht van de situatie. Er moet
voordat er contact met hen wordt opgenomen eerst worden nagedacht wat de beste
manier is om iedere partij te benaderen. Probeer in te schatten wat hun
standpunt en reactie zal zijn in deze situatie.
Het gaat hierbij om de volgende
partijen/personen:
-
Keuringsdienst
van Waren
-
Aandeelhouders
-
Overheid
-
Journalisten
-
Vakpers
-
Bepaalde
opinieleiders
Numico kan een team
samenstellen dat bij de getroffen bedrijven langsgaat om op een persoonlijke
manier informatie te verschaffen. Hiermee toont de organisatie de betrokkenheid
bij haar klanten. Daarnaast is de kans groter dat de houding van het bedrijf
naar Numico toe positief blijft.
3.2.1 Procedure tijdens de kwestie
In de voorgaande paragraaf heb ik
het stappenplan beschreven, dat een communicatiemanager vooraf van de crisis al
in kaart en op papier moet hebben. Ik heb ook een stappenplan gemaakt die van
kracht zou kunnen zijn als er een crisis is uitgebroken in een organisatie. Het
stappenplan is opgedeeld in interne, externe communicatie en nazorg. Voor een
uitgebreid stappenplan verwijs ik naar bijlage J. De reden dat ik dit
stappenplan in de bijlage heb gezet is dat mijn rapport anders te lang van stof
zou zijn en omdat iedere organisatie zijn/haar eigen organisatiestructuur
heeft. Het stappenplan is in principe geschikt voor grote organisaties die
beschikken over afdelingen, zoals communicatie, Public Relations en juridische
zaken.
3.2.2 4T-Formule
De heer P. Stamsnijder, journalist van de Nieuwstribune geeft in een
artikel over ‘Het einde van de oestercultuur’ een strategie hoe het vertrouwen
van de consument behouden kan worden door bedrijven. Hij spreekt hierover de 4T-Formule:
De formule is als volgt toe te lichten:
De twijfel, die veel bedrijven
hebben betreffende de communicatie van een productcrisis, komt bij de uitleg
van de 4T-Formule tot uiting. Een bedrijf moet tijdig informatie verstrekken,
eerlijk zijn en ook nog blijk van zijn openheid geven. Snelheid, openheid en
eerlijkheid zijn de drie kernprincipes die bij productcrisissen gelden. Alleen
kunnen ze met elkaar botsen.
-Transparantie: De huidige maatschappij wordt steeds doorzichtiger.
Dit komt door de nieuwe media, zoals Internet die de consument van alle
mogelijke informatie voorzien, zodat de consument altijd een volledig
genuanceerd beeld kan krijgen van een bepaalde situatie. Ook trends op markt,
consumenten en maatschappelijk niveau zorgen ervoor dat mensen zich meer
betrokken voelen bij organisaties. Consumenten nemen niet klakkeloos meer
informatie over, maar willen de achterliggende gedachte hiervan weten en
verdiepen zich meer in het product en de organisatie. “Geen commentaar’ leidt
dus tot irritatie bij zowel journalisten als consumenten. Voor de media zullen
het geen redenen zijn om dan maar af te zien van de berichtgeving. Dit leidt
tot allerlei speculaties en onjuiste berichtgeving, waardoor het bedrijf de
controle verliest bij de berichtgeving over het productincident.[6]
Een bedrijf moet naar buiten toe open zijn en zoveel mogelijk
informatie over het incident verstrekken. Als er toch informatie achter wordt
gehouden, zullen de media er alles voor doen om deze informatie boven tafel te
krijgen.
· -Waarheid: de waarheid is bij een productincident erg belangrijk. Als het publiek over bepaalde oorzaken of gebeurtenissen gaat speculeren, ontstaan er geruchten. Geruchten hebben vaak een negatieve lading. Van een bedrijf wordt verwacht dat ze ten alle tijden feitelijke informatie verschaffen, zodat de doelgroepen niet gaan speculeren.
·
· Ook is het heel belangrijk dat een bedrijf het gewoon toegeeft als het iets niet weet en ook moet het bedrijf als er weer nieuwe informatie komt deze meteen vrijgeven[7].
-Timing: het handelen en de communicatie
van een bedrijf zijn tijdens de eerste uren het meest bepalend voor de reactie
van het publiek. Een bedrijf moet niet zwijgen en blijven wachten, totdat het
definitieve bewijs gevonden is. Een bedrijf moet initiatief nemen met zijn
handelen en communiceren, voordat het publiek begint te speculeren over de
oorzaak en er allerlei wilde verhalen ontstaan. [8]
4T- formule toegepast op Olvarit
Eerlijkheid: Numico gaf
tijdens de crisis veel onjuiste informatie. Het leek erop dat het bedrijf graag
de schuld bij een ander wilde leggen. Numico liet ook weten dat het bedrijf
nooit was geïnformeerd door de Keuringdienst van Waren. Dit werd een dag later
weer ingetrokken. Omdat de organisatie allerlei onwaarheden vertelde,
verspeelde zei haar geloofwaardigheid bij de consument.
Openheid: Numico is helemaal in de fout
gegaan door achter te houden dat men al veel eerder wist van de
verontreiniging. Hierdoor gaf de organisatie de indruk dat ze iets probeerde te
verbergen. Dit was ook zo, want Numico had zelf onderzoek laten doen en toen de
Keuringdienst van Waren voor de tweede keer kwam en meldde dat het merendeel
van de maaltijden Olvarit besmet bleken te zijn kwam Numico met
onderzoeksresultaten van het eerder gehouden onderzoek. Numico had dus zeer
belangrijke informatie willen achterhouden.
Snelheid: Numico was al meerdere malen op de verontreiniging van babyvoeding
gewezen door de Keuringdienst van Waren, maar ze namen geen actie. Numico was dus
eigenlijk veel te laat met haar recall en had al veel eerder stappen moeten
ondernemen.
Ik denk
dat Numico heeft gedacht dat het wel zou overwaaien en dat het niet meer binnen
de organisatie zou voorkomen, maar het tegendeel werd bewezen. De communicatie
en de snelheid van handelen liet te wensen over.
Aandachtspunten tijdens een product-recall zijn.
·
zorg voor een
heldere indeling in gevarenklasse:
-
levert een
ernstig risico voor de gezondheid op:
-
levert een
beperkt risico voor de gezondheid op
-
levert geen
gezondheidsrisico op, maar voldoet niet aan de kwaliteitscriteria.
·
Doe er alles
aan om de overlast voor de consument tot een minimum te beperken.
·
Ga in alle
mogelijke recall-situaties uit van een ‘worst case’-scenario. De logistieke
voorbereidingen en de communicatieactiviteiten, inclusief het openstellen van
een 06-informatienummer voor consumenten vergen veel tijd en inspanning. Op het
moment dat het besluit tot een recall wordt genomen, moet alles in gereedheid
zijn gebracht.
·
Wees bekend met
de voorwaarden van de verzekering waaronder een eventuele product-recall is
gedekt, het is namelijk vaak een kostbare zaak.
H o o f d s t u k 4: d e c o m m u n i c a t i e c r i s i s v a n
Ahold is de grootste levensmiddelendistributeur
in Nederland en een van de grootste levensmiddelendistributeurs in de Verenigde
Staten op basis van detailhandelsomzet in 2002. Koninklijke Ahold N.V. heeft
zijn hoofdkantoor in Nederland en is als houdstermaatschappij met bedrijfsactiviteiten
via dochtermaatschappijen en joint-ventures, onderworpen aan de Nederlandse
wetgeving.
In 2002 distribueerden Ahold de
levensmiddelenproducten voornamelijk via detailhandelsvestigingen. Daarnaast
vond de distributie plaats via foodservice-activiteiten. In 2002 waren er 5.606
winkels die Ahold in bedrijf had of waar het aan leverde. Daarvan waren 1.240
winkels van franchiseondernemers of aangesloten winkels. In 2002 had Ahold, op
basis van fulltimerequivalenten (fte), ongeveer 278.486 medewerkers in dienst.
Het meest gebruikte winkeltype is de supermarkt, maar ook heeft Ahold
hypermarkten, discountwinkels, speciaalzaken, cash-and-carryzaken en
gemakswinkels.
Haar operationele activiteiten
bevinden zich voornamelijk in de Verenigde Staten en Europa. In 2002, maakte de
netto-omzet in de Verenigde Staten 74% van de totale netto-omzet uit, terwijl
de netto-omzet in Europa 22% uitmaakte van de totale netto-omzet.
In de Verenigde Staten is het
operationeel management verdeeld over de foodretail-divisie en de
foodservice-divisie. Ahold USA, Inc. ('Ahold USA'), In Nederland is het
operationeel management verdeeld over supermarkten, speciaalzaken, foodservice,
productiebedrijven en overige activiteiten. Binnen elk geografisch gebied zijn
afzonderlijke ketens verantwoordelijk voor merchandising, winkelformules en de
marketingstrategie. Besluiten ten aanzien van de strategische richting en het
management van de bedrijven worden genomen op het niveau van de
houdstermaatschappij. (Bron: www.ahold.nl/geschiedenis.nl)
Foodservicebedrijven leveren
levensmiddelen en verwante producten aan restaurants, overige horeca-afnemers,
ziekenhuizen, universiteiten en overige institutionele maaltijd- en
levensmiddelenverstrekkers. Via de belangrijkste foodservice-activiteiten in de
Verenigde Staten en twee Europese landen - Nederland en België - worden
dagelijk duizenden klanten bediend.
Ahold
heeft tevens detailhandelsactiviteiten in de Verenigde Staten, Europa, Latijns
Amerika en Azië Pacific. De detailhandelsomzet bestaat uit de verkopen van de
eigen winkelketens, de verkopen aan franchisewinkels, en de verkopen aan
aangesloten winkels.
4.1.1 Een blik in het verleden
Op 27 mei 1887 nam de toen 22 jaar
oude Albert Heijn de kleine kruidenierswinkel, in de buurt van Zaandam in het
westen van Nederland, over van zijn vader. Sindsdien is er veel veranderd, maar
de drijvende kracht achter de strategie van Ahold is en blijft het leveren van
kwaliteitsproducten en diensten voor een aantrekkelijke prijs. (Bron:
www.ahold.nl/geschiedenis.nl)
Voor een uitgebreid tijdspad van
Ahold, verwijs ik naar bijlage A.
4.1.2 De crisis van Ahold
Het
boekhoudschandaal maakte in een klap een einde aan de glanzende reputatie
van Cees van der Hoeven en beurslieveling
Ahold. De armzalige behandeling van de crisis duwde het bedrijf nog verder de
afgrond in. Sinds Black Monday is er bij Ahold geen sprake van
crisiscommunicatie, maar van een communicatiecrisis. De sleutel tot
herstel van het vertrouwen ligt bij dochter Albert Heijn, maar ook de positie
van ´s lands kruidenier staat onder druk. Het Appie-gevoel moet terug. M.
van Zanten, journalist van het vakblad Communicatie, augustus 2003.
‘Gebroken en
bedrogen´, zo voelde oud-Ahold topman Albert Heijn zich na de bekendmaking van
het boekhoudschandaal bij het voormalige familiebedrijf. En hij is niet de
enige. Ook aandeelhouders, medewerkers en klanten van Ahold voelden zich zwaar
teleurgesteld in de Zaanse grootgrutter. Enig opportunisme is daaraan niet
vreemd, want tot een klein jaar geleden kon Ahold geen kwaad doen in de ogen
van de aandeelhouders en was ex-topman Cees van der Hoeven de grootste ster.
Na twee
winstwaarschuwingen en geruchten over onregelmatigheden in de boekhouding begon
de roem van de vijf keer op rij uitgeroepen Van der Hoeven echter te falen.
Dan komt Black Monday, maandag 24 februari, de
dag waarop bekend werd dat de Amerikaanse dochter US Foodservice 500 miljoen
dollar aan niet ontvangen kortingen als winst heeft geboekt. Van der Hoeven werd
door de Hosannaroepers genadeloos aan het kruis genageld en niet alleen de
koers, maar ook de reputatie van de voormalige beurslieveling maakte een
duikvlucht. (Bron: R. Mooij, hoofdredacteur Communicatie, juli 2003)
Op dezelfde
dag dat Ahold het boekhoudschandaal wereldkundig maakte, werden de eerste
tekenen zichtbaar van wat zich tot een tweede schandaal ontwikkelde: een
communicatieschandaal. Het concern dat jarenlang de zeldzame journalist
die kritiek of twijfel uitte naar het hoofdkantoor in Zaandam verordonneerde,
gaf nu niet thuis. Er werd een persbericht gepubliceerd en daar moesten
journalisten het maar mee doen. Geen persconferentie, die gezien de
ernst van de situatie meer op zijn plaats was geweest. Alleen later op de dag
een conference call voor analisten, waarbij journalisten slechts mogen
meeluisteren. Niet president-commissaris Henny de Ruiter verscheen op de
televisie, maar de oud-directeur Albert Heijn. Ook de rest van de week bleef
het stil. Wel verschenen er foto´s van een wintersportende Van der Hoeven in De
Telegraaf.
Intussen
verkeerden de vaste klanten van AH in onzekerheid over hun met zegeltjes bij
elkaar gespaarde Ahold boekjes. Wist AH vroeger met de wekelijkse advertentie
een bijna persoonlijke relatie met de klant op te bouwen, nu weet AH dit voor
de hand liggende communicatie-instrument niet meer te vinden. Evenmin wordt
gebruikgemaakt van het via de bonuskaart opgebouwde adressenbestand voor
bijvoorbeeld een brief aan huis. Pas op zaterdag ligt er een folder in de winkel
die duidelijkheid moet scheppen. Klanten krijgen die dag ook een ´gratis´pak
koffie, een kop koffie waar overigens wel eerst tien euro boodschappen voor
moet worden gedaan. Dit was bedoeld als tegemoetkoming, maar denk dat dit niet
de juiste manier is geweest om het goed te maken. Wat helpt een kop koffie bij
de fraude en crisis die bij Ahold aanwezig was? Totaal niets!. (Bron: R.
Mooij, hoofdredacteur Communicatie, juli 2003)
Noodkrediet
Ahold
communiceerde naar mijn idee niet alleen mondjesmaat, maar blunderde ook
herhaaldelijk. De eerste faux pas vindt
plaats als het grote publiek nog in onwetendheid van de Ahold-crisis verkeert.
Op donderdag 20 februari belt Cees van der Hoeven wel met de Autoriteit
Financiële Markten, maar niet met de
beurs. De raad van bestuur wil in het weekend eerst nog een noodkrediet van
drie miljard euro regelen, voordat de problemen naar buiten komen. Euronext
wordt pas vier dagen later op de hoogte gesteld. Daardoor is de mogelijkheid
van ongelijke marktinformatie en handel met voorkennis ontstaan. Ahold had naar mijn idee en de beurs direct moeten
informeren en vervolgens kunnen vragen om ontheffing van de plicht om beleggers
per direct te informeren. Euronext had dan de keuze gehad om ofwel de
ontheffing te verlenen, ofwel Ahold te dwingen tot openbaarmaking en de handel
stil te leggen.
‘Ahold moest
laveren tussen twee klippen’, ´aldus
D. Kuin, directeur van financieel communicatiebureau Van Hilten, over
het niet inlichten van de beurs door Ahold.” “De plicht om aandeelhouders direct te informeren en de continuïteit van
de onderneming.” Hoewel niet volgens de regels, is het begrijpelijk dat ze
voor dat laatste gekozen hebben. Bovendien kan elk woord tegen je worden
gebruikt, zeker bij Amerikaanse aandeelhouders. Maar misschien was er een
tussenoplossing geweest. Je mag nooit
liegen, maar moet je altijd de volle waarheid vertellen?
Ahold
twijfelde in het jaar 2000 al aan de administratie van de Amerikaanse dochter US
Foodservice. De commissarissen spraken in september dat jaar al de noodzaak uit
tot aanscherping van de interne controle bij US Foodservice ten aanzien van de
promotionele kortingen. Dat verklaarde de Stichting Onderzoek
Bedrijfsinformatie (SOBI) van P. Lakeman (bijlage G.)
Voor de
bekendmaking van het boekhoudschandaal had Ahold beter een persconferentie
kunnen beleggen, vindt Kuin. “Ahold
had de moed moeten hebben om direct de confrontatie met de pers en de
financiële wereld aan te gaan. Een dergelijke kwetsbare opstelling vraagt
echter om lef. En dat heeft Ahold niet, want de crisis heeft het bedrijf
verkrampt. “Bovendien is een president-commissaris niet gewend om een publieke
rol te spelen.” De uitgestelde procedure van de jaarcijfers in augustus 2003
vormt volgens Kuin een goede gelegenheid om de ‘enorme knak’ in het vertrouwen
van de aandeelhouder voorzichtig bij te buigen. ‘ Niet roepen dat je alles voor
elkaar hebt, maar step by step laten
zien dat je op de goede weg bent. Al kan het jaren duren voordat het vertrouwen
is hersteld’, aldus D. Kuin.
4.1.3
Gezondigd
‘Het kakkerlakprincipe’ noemt Paul
Stamsnijder de aaneenschakeling van slecht nieuws bij Ahold. ‘Als je er een
gezien hebt, zie je er steeds meer.’ Stamsnijder, werkzaam bij Bikker Euro
RSCG en auteur van Goed Nieuws in kwade tijden, erkent dat Ahold heeft
gezondigd tegen de elementaire wet van crisiscommunicatie: direct openheid van
zaken geven. Dat heeft deels te maken met het feit dat niet de communicatiemanager, maar de jurist het voor het zeggen zal
hebben in het Ahold-crisisteam, denkt Stamsnijder. “Ahold is een echt
volksaandeel, maar juist naar het volk is er nauwelijks gecommuniceerd.” Dat
heeft alles te maken met de noodzaak om een krediet binnen te halen en met het
feit dat Ahold inmiddels een speelbal van de banken is. ‘Maar het komt ook doordat
investor relations voor veel concerns minstens zo belangrijk is als
communicatie met klanten en medewerkers. Daarin hebben communicatiemensen ook
fouten gemaakt: die zijn te veel bezig geweest met het presenteren van goede
cijfers en hebben zich te weinig opgesteld als bewaker van de reputatie van de
totale onderneming.’ Ahold had zo snel mogelijk de schuldigen moeten aanwijzen
en daarmee de oorzaak van de crisis moeten duiden.
Reactie van Ahold woordvoerder, Carina Hamaker: ik heb telefonisch contact gehad met
mevrouw Hamaker, en haar de uitingen van de heer Kuin en de heer
Stamsnijder voorgelegd. Het was een kort interview, helaas wilde ze geen
informatie geven over de crisis die zich heeft voorgedaan. Ze heeft de volgende
reactie gegeven:
“Op dit moment
is het, gezien de situatie waarin Ahold verkeert, niet mogelijk op genoemde
zaken in te gaan, deze toe te lichten of deze te weerleggen. Wel ben ik van
mening dat de heer Van Kuin en de heer Stamsnijder, die geen ervaring hebben
met of directe betrokkenheid hebben bij de situatie bij Ahold. Ze hebben dus
geen duidelijke weergave van wat bij Ahold momenteel speelt. We proberen zo
goed mogelijk de buitenwereld te informeren wat de ontwikkelingen zijn binnen
de organisatie en daar zullen we hard aan gaan werken. C. Hamaker,
persvoorlichter bij Ahold”
4.1.4. Een fantastisch imago binnen een week
vergooid
Wat is nu werkelijk het probleem?
“De top was alleen maar bezig tussen
vier continenten binnen vier muren en dat bleek op een gegeven moment niet meer
beheersbaar. Wie te hard groeit, ziet zijn eigen voeten niet meer, aldus T. Mooij, hoofdredacteur Communicatie.”
De crisis
bij Ahold is naar mijn idee niet de enige reden dat dochter Albert Heijn meer
klanten naar de concurrent ziet lopen. Ze zijn alleen doorgeschoten in hun
kwaliteitsstreven. Ze hebben een assortiment van 16.000 artikelen dat dagelijks
wordt aangevuld, maar grote actiestromen kunnen ze kennelijk niet aan.
Het is
wel zo dat in Nederland de emotionele band die mensen hebben met AH de sleutel
tot herstel van het vertrouwen zal zijn, omdat AH door de jaren heen een imago
opgebouwd heeft bij haar doelgroepen en dat is nu nog het enige waar ze zich
aan vast kunnen houden en wat ze van de grond af aan weer moeten gaan opbouwen.
De prijzenoorlog die momenteel
tussen Nederlandse supermarkten gaande is en waar Ahold mee is begonnen zie ik
als afleiding van de crisis bij
Ahold. Door middel van een prijzenoorlog worden de consumenten afgeleid en
concentreren en houden ze zich minder bezig met de crisis. Ik vind dat Albert
Heijn dit wel slim heeft aangepakt, want in mijn omgeving hoor ik mensen niet
meer over de crisis, maar alleen over de concurrentie en prijsverschillen bij
supermarkten.
Toekomstgericht
Op 7 november 2003 heeft Ahold
details van het nieuwe financieringsplan en de nieuwe strategie bekent gemaakt.
Het plan "The Road to Recovery" geeft de doelstellingen van Ahold om
de waarde van de onderneming in de komende drie jaar te herstellen.
Het plan moet Ahold op koers zetten
naar herstel van de kredietwaardigheid en het terugwinnen van het imago dat
Ahold vroeger had, ‘vertrouwd’ en ‘kwaliteit’.
Hoofdpunten van het plan "The Road to Recovery:
Terwijl de nieuwe
organisatiestructuur om dit moment door Ahold wordt geschreven, ontplooit Ahold
diverse strategische plannen om de concurrentiekracht te vergroten en
uiteindelijk de omzet en de winst op te voeren. Verbeteringen zullen worden
aangebracht in de inkoop, infrastructuur, winkeloperaties en de product mix,
met als belangrijk doel het verbeteren van het imago.
Ook verkoopt Ahold zijn 100%-belang in het Peruaanse Supermercados
Santa Isabel aan Grupo Interbank en een groep investeerders onder leiding van
Nexus Group, zie bijlage F.
4.1.6. Tien Gouden regels
Ik heb contact gehad met drs. W.
de Jong van Communicatieadviesbureau COT,
gevestigd in Den Haag. De heer de Jong en ik zijn het erover eens dat Ahold
zich aan geen van de onderstaande regels heeft gehouden. Na bestudering van het
concern en de crisis is ook gebleken dat Ahold niet goed voorbereid was op een
crisis en dit was duidelijk merkbaar, direct na de crisis toen het in het
nieuws was gekomen in februari 2003. Het duurde namelijk veel te lang voordat
er informatie vanuit de organisatie naar buiten werd gegeven. En er werd niet
direct een persconferentie gehouden en de medewerkers van Ahold waren niet op
de hoogte van de gebeurtenissen.
De heer de Jong heeft mij
elf gouden regels gegeven waar een organisatie aan moet voldoen en in acht moet
nemen tijdens een crisis, namelijk:
1. Wees voortdurend alert op crisisrisico’s
-
Zou zoiets ook
bij ons kunnen gebeuren?
-
Zouden we een
dergelijke situatie goed kunnen hanteren, wanneer het zich bij ons zou
voordoen?
4. Betrek deskundigen uit de eigen organisatie bij het
inventariseren en analyseren van risico’s
5. Zorg voor een duidelijke commandostructuur in de
crisisorganisatie
-
Eindverantwoordelijkheid
bij een lid van de directie.
-
Duidelijke
taakverantwoordelijkheden voor teamleden
-
Goede
vervangingsregelingen (1e en 2e vervanger)
6. Zorg voor optimale bereikbaarheid
-
Oproepbaarheid teamleden
-
Bereikbaarheid
crisis(communicatie)centrum.
7. Maak een goed hanteerbaar crisis (communicatie)plan
-
Concreet
stappenplan
-
Normen/criteria
en gevarenklassen aangeven
-
Instrumenten
(fact-sheets, basisteksten e.d.) en feitelijke gegevens (contact- en verzendlijsten)
-
Training en
oefening
Als de crisis zich toch aandient, wat is gebeurd bij Ahold
8. Handel snel, neem het initiatief
-
Initiatief in
de communicatie
-
Initiatief in
het oplossen van de crisis
9. Toon verantwoordelijkheid
- Veiligheid van mens, dier en milieu staat
voorop
- Aparte opvang voor ongeruste familieleden
regelen.
- Schuif de schuld niet op anderen
10. Spreek altijd de waarheid
- Verzwijg geen essentiële negatieve informatie
- Lieg nooit!
11. Trek lering
-
Eigen evaluatie
(door middel van bijhouden logboek)
-
Maak gebruik
van ervaringen van anderen
Uit de bovenstaande ‘Gouden
regels’ kan worden geconcludeerd dat Ahold de regels niet is nagekomen of heeft
toegepast. Bij mij rijst de vraag wat de reden hiervan zal zijn. Ik denk dat
het voornamelijk een interne kwestie is, er was duidelijk geen overeenstemming
en afstemming met de personen die hiervoor verantwoordelijk waren en daar
bedoel ik specifiek het management en de afdeling communicatie mee.
Het management was niet op de
hoogte van de ontwikkelingen in de organisatie en kon niet de overige
afdelingen informeren en instructies geven. Als de crisis intern niet goed
georganiseerd en afgestemd is op elkaar, dan is het niet mogelijk om dit extern
te communiceren naar haar publieksgroepen.

H o o f d s t u k 5: S t r a t e g i e u i t z e t t e n
5.1.
Crisiscommunicatie-strategieën
In deze paragraaf zullen verschillende strategieën
worden gegeven die tijdens een crisis kunnen worden ingezet. Ik zal gebruik
maken van de strategieën van de heer D. de Raaf, auteur van ‘Oorzaak
cruciaal bij merkbeschadiging.’, Nieuwstribune, juni 2000.
De reden dat ik gebruik maak van de strategieën van de heer de Raaf is
dat de strategieën overzichtelijk zijn en alle mogelijkheden bevatten om
crisissen met behulp van communicatie op te lossen. De strategieën zijn breed
gedefinieerd en daardoor
makkelijk te gebruiken.
Raaf heeft geprobeerd de beste strategie boven
water te krijgen en heeft daarbij rekening gehouden met het perspectief van de
consument. Ik heb een selectie gemaakt van strategieën die wel en niet uitvoerbaar en haalbaar zullen zijn. Aan het
einde van de paragraaf staan een aantal strategieën die niet zullen werken,
omdat de essentiële kernprincipes van crisiscommunicatie hiermee worden
aangetast.
De Raaf heeft om zijn eigen crisisrespons-strategie
te schrijven, die uit vijf verschillende crisiscommunicatie-strategieën bestaat
, gebruik gemaakt van crisiscommunicatie-strategieën van verschillende
onderzoekers, namelijk:
I.
De Respons
Strategieën van Rossiter & Percy en Tybout, Calder en Sternthal (p.
343-346, 1997),
II.
De Basis Respons
Strategieën van Coombs (p.111-113, 2000), en
III.
De vier typen
van Impressiemanagement van Floor & van Raaij (p. 411-412, 1993).
De eerste twee strategieën, staan in de bijlagen K
en L. De derde strategie zal niet worden toegelicht, omdat ik vind dat de
strategie niet voor crisissituaties is bestemd, waarover ik mijn rapport
schrijf. Impressiemanagement is een ander onderwerp, waar ik geen aandacht
aan zal besteden.
Toelichting
strategie I: Het
doel van deze strategieën is dat een bedrijf tijdens een crisis altijd met de
oorzaak van een incident naar buiten moet treden en dat het bedrijf hiervoor de
keuze heeft uit een aantal te volgen strategieën. Organisaties hebben in deze
theorie de keuze om een strategie te kiezen en daarnaast staat geformuleerd wat
de overweging zou zijn om de strategie wel of niet te gaan gebruiken.
De theorie gaat
ervan uit dat een organisatie door zijn publiek verbonden wordt met een
negatieve gebeurtenis of een gerucht.
Toelichting strategie II: het doel van deze basis- strategieën voor
organisaties is om te kijken hoe er moet worden omgegaan met haar
publieksgroepen. Hierbij denk je aan medewerkers, consumenten, bedrijven en de
overheid. Er worden 5 strategieën gegeven waar een organisatie uit kan kiezen,
voor goede en duidelijke communicatie naar haar publieksgroepen.
Vanuit de strategieën van Rossiter & Percy en
Tybout Calder en Sternthal en van Coombs heeft De Raaf zijn eigen
crisiscommunicatie strategie geformuleerd namelijk:
|
Crisisrespons-strategie
van De Raaf |
|
¨
Verwijsstrategie ¨
Distantieerstrategie ¨
Herinneringsstrategie ¨
Boetekleedstrategie ¨
Lijdstrategie |
-Verwijsstrategie
De organisatie verwijst het publiek eigenlijk naar
een ander om de oorzaak van het incident te vinden. Een voorbeeld is om de
schuld te geven aan de grondstofleverancier of aan de moedermaatschappij, als
je zelf een dochtermaatschappij bent.
-Distantieerstrategie
Met behulp van deze strategie probeert een
organisatie niet de crisis te ontkennen, maar probeert haar beheersbaarheid te
verminderen met tactieken. Hierbij kan je denken aan ‘ik wist het niet’ of ‘ ik
kon er werkelijk niets aan doen’. De organisatie speculeert over de oorzaak en
trekt nog geen duidelijke conclusies.
-Herinneringsstrategie
Het bedrijf probeert negatieve associaties te
compenseren door positieve associaties te benadrukken. Deze aanpak brengt bij
de consument het goede dat het bedrijf heeft gedaan, dan wel waar het merk voor
staat in herinnering. Denk hierbij aan de prijzenoorlog van de Albert Heijn, op
deze manier zorgen ze ervoor dat er niet meer negatief over Ahold wordt
gesproken, maar over het aanbod van goedkope producten.
-Boetekleedstrategie
De organisatie neemt volledig de schuld en de
verantwoordelijkheid op zich. Numico heeft deze strategie gevolgd.
-Lijdstrategie
De organisatie probeert zich neer te zetten als
medeslachtoffer, en probeert sympathie voor zich te winnen. Een organisatie kan
als oorzaak van een crisis macro-economische ontwikkelingen de schuld geven,
zoals de slechte conjunctuur of de recessie.
Alle vijf de strategieën zijn volgens De Raaf door
organisaties te gebruiken bij een crisis. Hij vind wel dat de Verwijsstrategie
niet gebruikt moet worden tijdens een crisis, omdat de oorzaak buiten het
bedrijf wordt gezocht. Tijdens zijn onderzoek werd deze strategie ook niet
geaccepteerd door zijn deelnemers, omdat je een externe organisatie of
instelling de schuld geeft.
De resultaten van het onderzoek van De Raaf zijn
hieronder weergegeven. In dit overzicht zijn de bovenstaande strategieën
opgenomen en daarvan uit kan een organisatie een strategie toepassen in een
bepaalde crisissituatie:
|
|
Hoge beheersbaarheid |
Lage beheersbaarheid |
|
Externe oorzaak |
Boetekleed
strategie Alternatief =
Distantieerstrategie |
De
Lijnstrategie |
|
Interne oorzaak |
Geen een van de responsstrategieën |
De Boetekleedstrategie Alternatief=
Herinneringstrategie |
Bron: D.
de Raaf, p 168-170, 2000
Voorbeeld:
Een houtgroothandel in Nederland levert
als tussenpersoon hout aan doe-het–zelf winkels door heel Nederland. Het hout
komt wekelijks uit het Tropisch Regenwoud vanuit Brazilië. Door extreme warme
weer daar is er een grote bosbrand ontstaan en er wordt geen hout meer gekapt.
Gevolg, geen hout meer voor de houtgroothandel. Als je de bovenstaande
strategieën zou moeten kiezen, dan kies
je voor de Lijdstrategie. Het heeft een externe oorzaak en de
houtgroothandel heeft geen controle over de bosbrand die aan de andere
kant van de wereld is.
Er zijn natuurlijk ook strategieën die nooit zullen
werken, omdat de essentiële kernprincipes van crisiscommunicatie hiermee worden
aangetast. In de literatuur over crisiscommunicatie staan veel strategieën die
niet uitvoerbaar zijn en waar niet goed over nagedacht is. Hieronder staan een
aantal strategieën van verschillende auteurs die niet zullen werken:
-
Proberen de negatieve publiciteit te negeren en hopen dat deze langzaam
verdwijnt.
(Rossiter & Percy, Tybout, Calder & Sternthal, bijlage K, punt
2). Ze vinden dit een strategie die goed toepasbaar zou zijn als het bewustzijn
beperkt is en als er niet veel over wordt gesproken door publieksgroepen, zoals
consumenten en bedrijven. Ik vind dit geen goede strategie voor het
communiceren van een crisis. Juist, als organisaties de negatieve publiciteit
negeren zal de media er extra aandacht aan besteden, en aan iedereen laten zien
dat de organisatie de crisis niet serieus neemt. Het imago en de identiteit zal
hier ernstige schade aan ondervinden.
-
Ontkenning is nooit een optie
Strategieen: Rossiter & Percy, Tybout,
Calder & Sternthal, bijlage K, de Non-existence Strategies van
Coombs, waarin een bedrijf zich probeert af te scheiden van een crisis door te
zeggen dat er helemaal geen sprake is van een crisis.
De ontkenningsstrategieën zijn geen optie voor
organisaties die te maken krijgen met crisissen. In de crisisrespons strategie
van De Raaf staat de Verwijsstrategie vermeldt. Een organisatie geeft iemand
anders, dit kan een andere organisatie of instantie zijn, de schuld. Als
bedrijven de crisis ontkennen, of het probleem bij iemand anders legt zal de
crisis zeker uitbreken volgens van De Raaf. De waarheid komt toch wel op tafel,
of een organisatie dat wilt of niet. Een ontkenning kan door het publiek
opgevat worden als een schuldbekentenis. Als men dus denkt dat ‘ontkennen’ de
best oplossing is, dient men zich te realiseren dat deze strategie een
averechts effect kan hebben: consumenten kunnen de ontkenning wel geloven, maar
het is mogelijk dat de consument het product niet meer zal kopen, omdat het
vertrouwen geschaad is. Een goed voorbeeld van een ontkenningsstrategie is
Numico, in eerste instantie ontkende ze dat de potjes babyvoeding vervuild
waren.
-
Neutraliseren of positiviseren van een gerucht of negatieve gebeurtenis
Strategie: Rossiter & Percy, Tybout,
Calder & Sternthal, bijlage K, punt 4
Ze gaven zelf al aan dat deze
strategie geen kans van slagen heeft en nooit bij een crisis in de
levensmiddelenindustrie zal werken. Albert Heijn probeert met haar
prijzenoorlog het negatieve beeld om te zetten in iets minder negatief, of
zelfs positief in de gedachte van het publiek. Consumenten houden zich minder bezig met de crisis rond Ahold en
concentreren zich meer op de tegemoetkoming van het verlagen van producten.
-
Met de non-existence strategieën van Coombs,
bijlage L, punt 1, probeert een
organisatie zich af te scheiden van een crisis. Coombs gaat er hier van
uit dat er helemaal geen sprake is van een crisis. D.m.v. Denial word er
ontkend dat er ooit een crisis is geweest: Clarification breidt de
eerste strategie nog uit door te zeggen waarom er geen crisis is: Attack
is een veel agressievere strategie, omdat het bedrijf de mensen, die zeggen dat
er een crisis is, confronteert met dit
feit; Intimidation is eigenlijk nog een veel agressiever strategie,
omdat het bedrijf hier het publiek, dat zegt dat er een crisis is, confronteert
en bedreigt.
De bovenstaande strategieën zullen er niet
voor zorgen dat de imagoschade snel zal herstellen, omdat ze de crisis
ontkennen of andere organisaties en/of mensen de schuld geven.
5.2.
Communicatiekanalen
In
hoofdstuk twee worden de begrippen imago en identiteit uitvoerig beschreven, en
er wordt aangegeven hoe organisaties schade ondervinden bij een crisis. In deze
paragraaf zal ik aangeven welke communicatiekanalen er gebruikt kunnen worden
bij een crisis.
Interpersoonlijke communicatie of
massacommunicatie?
Organisaties kunnen voor verschillende
communicatiekanalen kiezen om de schade van haar imago te herstellen. Met het
gebruiken van massacommunicatie, wordt er zoveel mogelijk media ingezet en
ingeschakeld. Er wordt geen onderscheid gemaakt en de boodschap is vaak
eenduidig. Er is ook de mogelijkheid bij een crisis om interpersoonlijke
communicatie met heb publiek te kiezen. Dit houd in dat de organisatie van
bedrijf van persoon tot persoon communiceert. Persoonlijk contact, vergeleken
met massacommunicatie. Een voordeel van interpersoonlijke communicatie is dat
de organisatie weet met wie ze contact hebben en kunnen daar speciale aandacht
aangeven.
Bij deze communicatiekanalen zitten
voor-en-nadelen aan verbonden, die ik hieronder heb uiteen gezet. Bron:
J.N.A. Groenendijk, G.A. Th. Hazekamp, J. Mastenbroek, p. 125, 1997
|
Massacommunicatie |
Interpersoonlijke
communicatie |
|
Feedback moeilijk
realiseerbaar |
Feedback makkelijk
realiseerbaar |
|
Kan veel mensen
tegelijk bereiken |
Bereikt weinig
mensen tegelijk |
|
Goedkoop per bereikt
persoon |
Duur per bereikt
persoon |