Medisch Nieuws

Fibromyalgie en de noodzaak tot psychosociale ondersteuning.

Een scriptie door Ineke Stoop.


Voorwoord

Psychosociaal werk, coaching en counseling, richt zich op de psychosociale hulpverlening in brede zin. Het begrip psychosociaal verwijst naar de wisselwerking die bestaat tussen het individu en de sociale omgeving, tussen de psychische en lichamelijke gezondheid van mensen en de maatschappij. De sociale omgeving of de maatschappelijke structuur kan leiden tot allerlei psychische en lichamelijke klachten. Omgekeerd kan een psychisch of lichamelijk probleem sociale gevolgen hebben. Het werkveld van de psychosociaal werkende bevindt zich tussen het algemeen maatschappelijk werk en de gespecialiseerde psychotherapie en psychiatrische hulpverlening zoals het RIAGG deze biedt. Het onderwerp van deze scriptie is gekozen om te laten zien wat deze psychosociaal werkende voor een huisartsenpraktijk zou kunnen betekenen als aanvulling op de behandeling van de huisarts. Veel van de lichamelijke problemen waar een huisarts in zijn praktijk mee geconfronteerd wordt, hebben een psychische component. Het is mijn mening dat een psychosociaal werkende zowel een gezondheidsbevorderende functie voor de patiënt, als een ontlastende functie voor de huisarts kan hebben.
Als voorbeeld van een ziektebeeld waarbij de toegevoegde waarde van een psychosociaal werkende duidelijk naar voren zou kunnen komen is fibromyalgie. Een ziektebeeld waarbij naast de lichamelijke klachten de psychosociale component een rol speelt. Ik hoop in deze scriptie deze toegevoegde waarde aan u duidelijk te maken.
Bij de totstandkoming ben ik professionele wijze begeleid door Dhr. Ron van Deth, van het Europees Instituut, waarvoor mijn hartelijke dank. Tevens wil ik Mw. L. Rodenburg, van de FES ( Fibromyalgie Eendrachtig Sterk ) bedanken voor haar informatie en de verspreiding van de vragenlijsten.

Inleiding
Deze scriptie is geschreven in het kader van de opleiding Psychosociaal Werk, Coaching & Counseling van Het Europees Instituut te Amsterdam.

Onderwerp
Het onderwerp van deze scriptie is fibromyalgie, een ziektebeeld dat zich onder andere kenmerkt door chronische pijnklachten, vermoeidheid, slecht slapen en stijfheid. De klachten hebben grote invloed op het lichamelijk, psychisch en sociaal welbevinden van de patiënt.

Aanleiding
De aanleiding tot het schrijven van deze scriptie is, om te onderzoeken wat de toegevoegde waarde van een psychosociaal werkende, (ook wel counselor genoemd), voor een huisartsenpraktijk kan zijn. Kan counseling en/of coaching een bijdrage leveren aan het vergroten van het lichamelijk, psychisch en sociaal welbevinden van de patiënt?

Probleemstelling
De probleemstelling is opgesplitst in een doelstelling en een vraagstelling. De doelstelling is: het verkrijgen van inzicht in ziektebeeld fibromyalgie en wat de rol van de psychische en sociale component hierin is. De vraagstelling is: wat zou de rol van de counselor bij de ondersteuning van patiënten met fibromyalgie kunnen zijn.

Leeswijzer
Na deze inleiding gaat de scriptie in het eerste hoofdstuk over de kenmerken en de mogelijke oorzaken van fibromyalgie. Het tweede hoofdstuk gaat over het begrip pijn, over de invloed van stress op ons lichamelijk en psychisch welzijn, hoe deze invloed onderdeel is van een model wat we het biopsychosociale model noemen en wat dit model betekent voor fibromyalgie. In hoofdstuk drie kijken we naar het belang van de behandeling op de drie niveaus van het biopsychosociale model. In hoofdstuk vier wordt uitslag gedaan van een enquête onder een aantal patiënten met fibromyalgie. In het vijfde hoofdstuk worden aanbevelingen voor het counselingsproces gedaan. In het zesde hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten van de bevindingen en de aanbevelingen voor de counselor samengevat. Na de literatuurlijst vindt u de vragenlijst voor de bezoekers van de inloopochtenden van de FES (Fibromyalgie Eendrachtig Sterk) en de fibrogym.

 

Inhoud

Voorwoord
Inleiding
1 Fibromyalgie
1.1 Kenmerken
1.2 Prevalentie
1.3 Oorzaken

2 Het biopsychosociale model
2.1 Pijn
2.2 Verschillende benaderingen van pijn
2.3 Het stressconcept
2.4 Het stressconcept en fibromyalgie
2.5 Het biopsychosociale model en fibromyalgie

3 Behandeling volgens het biopsychosociale model
3.1 Motivatie
3.2 Multidisciplinaire aanpak op lichamelijk niveau
3.3 Multidisciplinaire aanpak op psychisch niveau
3.4 Multidisciplinaire aanpak op sociaal niveau

4 Resultaten vragenlijst
4.1 Antwoorden vragenlijst
4.2 Antwoorden stellingen

5 Het counselingsproces
5.1 Visie van de counselor
5.2 Theorie van de counselor
5.3 Het gespreksmodel
5.4 Het gespreksmodel en fibromyalgie

6 Conclusie en aanbevelingen
6.1 Conclusie
6.2 Aanbevelingen voor de counselor
6.3 Overleg
6.4 Biopsychosociaal model

Literatuurlijst
Bijlage

1 Fibromyalgie
In dit hoofdstuk ga ik eerst in op de kenmerken van fibromyalgie, wat de mogelijke oorzaken van fibromyalgie zijn en de laatste stand van zaken wat betreft de fysiologische oorzaak.

1.1 Wat zijn de kenmerken van fibromyalgie?
Fibromyalgie is een chronisch pijnsyndroom van het houding- en bewegingsapparaat.
Daarmee wordt bedoeld: de spieren en het bindweefsel, de zogenaamde weke delen. Fibro betekent bindweefsel, myo spieren en algia betekent pijn. Fibromyalgie wordt ook wel weke delen reuma genoemd. Chronisch wil zeggen dat de aandoening langer dan 3 maanden duurt en van een pijnsyndroom spreekt men als er verschillende pijnsensaties ervaren worden. Er is bij fibromyalgie geen sprake van ontstekingen en vergroeiingen. Het syndroom wordt al langer beschreven maar pas in 1992 bereikt men op een congres in Kopenhagen consensus over de diagnose fibromyalgie.
De aandoening wordt gekenmerkt door de volgende symptomen:
Chronisch gegeneraliseerde pijn. Gegeneraliseerd wil zeggen, wijdverspreid over het lichaam, in de linker en rechter lichaamshelft, boven en onder de navel, in de rug, borst en nek.
Het bestaan van uitgesproken pijnpunten op specifieke lichaamsplekken, ook wel tenderpoints genoemd.
Chronische vermoeidheid.
Niet verkwikkende slaap.
Algehele stijfheid , met name 's morgens.
Dan is er nog een aantal typische fibromyalgie symptomen die bij 40% van de onderzochte patiënten voorkomen, namelijk:
Slaapstoornissen
Hoofdpijn
Tintelingen en gevoelloosheid
Subjectief gevoel van gewrichtszwelling
Spastische dikke darm, soms ook spastische blaas
Pijnlijke menstruatie
Overgevoeligheid voor koude
Fenomeen van Raynaud, dit wil zeggen, dode witte vingers
Rusteloze benen
Verminderde lichamelijke belastbaarheid
Spierzwakte
Angst en depressie
Toename van klachten door:
koud en vochtig weer
lichamelijke inspanning
emotionele spanning.

Voor de diagnose fibromyalgie kijkt men naar twee criteria die allebei aanwezig dienen te zijn.
Ten eerste; ten minste drie maanden gegeneraliseerde pijn. Ten tweede; pijn bij palpatie van 11 of meer van de 18 tenderpoints op het lichaam. Tenderpoints, zijn drukpunten die volgens een vast afgesproken schema verspreid over het lichaam verdeeld zijn en die als pijnlijk ervaren worden. Deze punten liggen o.a. op de schouders, borst, ellebogen, heupen, rug en knieën.

Fibromyalgie kent geen duidelijke begrenzing ten opzichte van een aantal andere aandoeningen.
Zo is er sprake van een grote overlapping met het chronisch vermoeidheidssyndroom.
Staat bij fibromyalgie de pijn voorop, bij het chronisch vermoeidheidssyndroom is het gevoel van totale uitputting de voornaamste klacht. Verder hebben beide ziektebeelden veel overeenkomstige klachten, zoals b.v. het slechte slapen, rug- en nekklachten, hoofdpijn en geprikkelde darmen.
IBS ( irritable bowel syndrome, spastische darm ) wordt gekenmerkt door chronische buikpijnklachten, een opgeblazen gevoel en verstoorde defecatie. Bij lichamelijk onderzoek worden meestal geen afwijkingen gevonden. Veel klachten van patiënten met IBS lijken op die van mensen met fibromyalgie. Depressieve stoornis en angststoornis kent ook een aantal overeenkomsten in het klachtenpatroon met fibromyalgie, zoals vermoeidheid en slaapstoornissen. Het verschil is echter wel dat depressieve patiënten op een toename van lichamelijke inspanning reageren met een vermindering van negatieve stemming, terwijl patiënten met fibromyalgie reageren met toename van negatieve stemming, door de toename van hun pijnklachten.

Heel wat reumatische en niet-reumatische aandoeningen lijken op fibromyalgie. Het is de taak van een reumatoloog, bijgestaan door andere specialisten, om door lichamelijk onderzoek eventuele onderliggende aandoeningen te diagnosticeren. Reumatische aandoeningen vereisen een andere behandeling dan fibromyalgie. Ook sommige neurologische aandoeningen zijn met moeite te onderscheiden van fibromyalgie. Ondanks de moeilijkheden rond het stellen van een diagnose wordt wereldwijd gebruik gemaakt van de diagnose fibromyalgie bij chronische pijn, stijfheid, moeheid en krachtsverlies als men daar geen medische oorzaak voor kan vinden. Voor de patiëntengroep die het betreft, betekent een dergelijke diagnose mogelijk een erkenning voor een al jaren niet begrepen klachtenpatroon. Voor sommige patiënten is dit een reden om een punt te zetten achter de zoektocht naar de oorzaak van dit klachtenpatroon en een beter leren omgaan met de klachten, voor anderen kan dit leiden tot medicalisering en afhankelijkheid.

1.2 Prevalentie
De prevalentie, dat wil zeggen de mate waarin de ziekte voorkomt, was bij een open populatiestudie tussen de 0,6 en 11,2%. Waarbij de ziekte 10 tot 20 maal vaker voorkomt bij vrouwen. Studies naar het natuurlijk beloop van de ziekte wijzen op een constant tot geleidelijk progressief voortzettend klachtenpatroon.

1.3 Oorzaken
Men heeft zich heel lang bezig gehouden met onderzoek naar de oorzaak van deze ziekte, maar er is nog weinig consensus. Al in de tweede helft van de 19e eeuw beschreef men patiënten met chronische pijnklachten. Men noemde dit verschijnsel fibrositis. Deze naam verwijst naar een ontsteking van bind en spierweefsel maar een dergelijke ontsteking is echter nooit aangetoond. Later heeft men de ziekte nog andere benamingen gegeven zoals, weke delen reuma of myofasciaal pijnsyndroom. Omdat er echter geen duidelijke lichamelijke oorzaak voor de ziekte gevonden werd, gaf en geeft, dit voor veel medici aanleiding de oorzaak van deze ziekte vooral te zoeken in psychische factoren. Men baseert zich hierbij op het feit dat er geen lichamelijke afwijkingen vast te stellen zijn en dat nogal wat patiënten met fibromyalgie psychische stoornissen hebben, zoals angststoornissen en depressieve stoornissen.

Omdat het aantal klachten van de lijders aan fibromyalgie het dagelijks leven ernstig belemmert, is er de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar een aantoonbare lichamelijke oorzaak voor deze klachten. Men heeft gekeken naar spierstoornissen. Het mogelijke tekort aan zuurstof in de spieren is onderzocht, evenals de verhoogde spierspanning in de pijnlijke spieren. Er is geen bewijs geleverd dat spierstoornissen een oorzaak van fibromyalgie zijn. Mogelijk zijn spierstoornissen wel een gevolg van chronische pijn.
Er is gekeken naar slaapstoornissen omdat patiënten met fibromyalgie 's morgens niet uitgerust wakker worden. Ook hierin kon men geen verklaring vinden voor fibromyalgie. Wel geldt hier weer dat slaapstoornissen een gevolg van chronische pijn kunnen zijn.
Hormonale stoornissen zijn ook een bron van onderzoek geweest. Men heeft gevonden dat het systeem van de afgifte van groeihormoon verstoord kan zijn, daardoor kunnen spieren minder belastbaar zijn en kunnen ze zich minder goed herstellen na kleine beschadigingen.
Ook het cortisolhormoon dat samenhangt met het verwerken van stress werkt anders dan bij gezonde mensen.
Aangezien de resultaten van onderzoeken naar een lichamelijke verklaring voor fibromyalgie teleurstellend waren, heeft men ook gezocht naar een mogelijke psychische oorzaak. Zo werd als oorzaak van fibromyalgie gezocht naar persoonlijkheidsstoornissen en affectieve stoornissen, zoals angst en depressies. De resultaten van sommige onderzoeken wijzen in de richting van een dergelijke relatie, maar er zijn ook onderzoeken waar deze samenhang niet gevonden wordt.
Het is tot op heden niet duidelijk of psychische problemen ten grondslag liggen aan chronische pijn of dat het omgekeerde het geval is, namelijk dat psychische problemen het gevolg zijn van chronische pijn.

Aan het begin van de 21e eeuw denken steeds meer deskundigen dat fibromyalgie in de kern een stoornis is in de zintuiglijke informatie verwerking. Herhaalde alledaagse en sterke prikkels leiden niet tot habituatie (gewenning), maar tot sensitisatie (onevenredig grote gevoeligheid van de betrokken zenuw). Er treedt allodynie op, dit is de gewaarwording van pijn bij prikkels die normaal gesproken niet tot pijn leiden, zoals strijken, voorzichtig drukken, matige hitte of kou en verandering van houding. Deze gevoeligheid lijkt veroorzaakt te worden door een stoornis in de afferente (opstijgende) pijngeleiding op het niveau van het ruggenmerg. Pijn is het resultaat van stimulerende en remmende invloeden op prikkelgeleiding naar de hersenen, waar pijn bewust wordt waargenomen. Zenuwcellen in het ruggenmerg spelen een belangrijke rol bij deze pijngeleiding. Ze geven afferente (opstijgende) pijnsignalen door naar de hersenen en ontvangen efferente (dalende) pijnremmende signalen vanuit de hersenen en het ruggenmerg. De bron van de gegeneraliseerde pijn ligt waarschijnlijk niet uitsluitend in de veranderde afferente prikkelgeleiding. Ook verminderde activiteit van efferente pijnremmende paden en hormonale processen beïnvloeden pijngewaarwording.

Fysiologische en zintuiglijke dimensies spelen, zoals we gezien hebben, een rol. Pijn heeft echter ook een affectieve en een cognitief-gedragsmatige component. Dat wil zeggen dat hoe we de pijn ervaren ook een rol speelt. Evenals wat we geleerd hebben over pijn in onze jeugd en hoe we ons gedragen als we pijn hebben. Ook hebben sociale omstandigheden invloed op onze pijnervaring. Je kunt pijn dus bekijken vanuit een aantal invalshoeken.
Ten eerste vanuit de biologische dimensie; het centrale zenuwstelsel en het hormonale stelsel. Ten tweede vanuit de psychische dimensie; hoe voelen, denken en gedragen we ons met pijn.
En ten derde vanuit de sociale dimensie; hoe gaat onze omgeving om met onze pijnklachten, het gezin en onze werkomgeving. Al deze factoren hebben hun invloed op onze pijnbeleving.
De medische wetenschap noemt dit het biopsychosociale model. Deze manier van kijken naar het ziektebeeld fibromyalgie doet recht aan de zeer veel verschillende ervaringen, pijnbelevingen, oorzakelijke factoren en omgang met deze ziekte.
In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op het biopsychosociale model.

2 Het biopsychosociale model

In het vorige hoofdstuk is beschreven dat er verschillende invalshoeken zijn om naar chronische pijn te kijken. In dit hoofdstuk gaan we eerst in op het begrip pijn en hoe deskundigen daar in de loop van de tijd anders over zijn gaan denken. Ook kijken we naar de invloed van stress op ons lichamelijk en geestelijk welzijn en hoe deze invloed onderdeel is van een model dat we het biopsychosociale model noemen en wat dit model betekent voor fibromyalgie.

2.1 Pijn
Pijn is een specifieke lichamelijke sensatie die als storend, eventueel ondragelijk en bedreigend wordt ervaren. Langdurige ernstige pijn kan tot lijden uitgroeien en heeft z'n weerslag op heel ons welbevinden. Langdurige pijn blijft niet beperkt tot het lichamelijke, maar heeft invloed op heel het leven en de directe omgeving. De functie van pijn is dat het verwijst naar een lichamelijk letsel of een lichamelijke disfunctie. Maar wat als men die niet kan vinden en de pijn toch voortduurt? Een lange zoektocht is vaak het gevolg, maar ook angst en onzekerheid. " Ik ben toch niet gek, ik voel het toch?" Als artsen, na vaak vele onderzoeken, geen duidelijke lichamelijke oorzaak voor de pijn kunnen vinden valt soms de term " psychosomatisch." Dit wordt vaak populair vertaald met: "het zit tussen de oren." Een betere vertaling is echter, dat bepaalde ervaringen op psychisch of sociaal gebied, uitgedrukt worden in de vorm van lichamelijke klachten. Deze psychosociale factoren spelen een belangrijke voorbeschikkende, uitlokkende en/of onderhoudende of versterkende rol.

2.2 Verschillende benaderingen van pijn
Waarom het voor veel mensen moeilijk is om een verbinding te maken tussen psychisch onbehagen en lichamelijke klachten, wordt misschien verklaard vanuit de geschiedenis.
Al in de vierde eeuw voor Christus hield men zich bezig met de gedachte dat ziekten een psychische oorsprong kunnen hebben. De oude Griekse geneesheer Hippocrates had al de overtuiging dat hevige gemoedsbewegingen de mens ziek konden maken. De filosoof Plato zag pijn als een kwelling van de ziel waar psychologische processen een invloed op hebben.
Later ontstond onder invloed van de christelijke gedachtewereld de idee dat pijn een straf was voor de zonde.
In de 17e eeuw veranderde deze opvatting en begon men het menselijk lichaam te zien als een machine, een prachtige machine weliswaar, maar er kon iets aan haperen. Descartes, over wiens gedachtegoed we hier spreken zag prikkels, ook pijnprikkels, als een mechanische reflex. Kon men niet ontdekken waarom deze prachtige machine niet goed werkte, dan was men dus ook niet ziek. Nog steeds maken veel mensen, bewust of onbewust, een opsplitsing in patiënten met en patiënten zonder afwijkingen. Dit wordt ook wel een dualistische visie genoemd.Van deze dualistische visie zijn ook tegenwoordig nog duidelijk de sporen herkenbaar. Toch is er inmiddels wel iets veranderd. Rond 1950 kregen sommige artsen weer meer oog voor de mens in zijn totaliteit. Het 'systeemdenken" was in opkomst. Deze visie houdt in dat de mens niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van verschillende "systemen" die allemaal hun invloed hebben op elkaar. De werkelijkheid is een continu samenspel van delen binnen grotere gehelen. In deze visie worden ziekten, en dus ook chronische pijnklachten, beschouwd als het resultaat van complexe interacties tussen biologische (lichamelijke), psychische en sociale factoren. In principe maakt geen enkele ziekte hierop een uitzondering. Bovendien wordt nu anders gedacht over oorzaken en gevolg van ziekte. Er wordt namelijk vanuit gegaan dat ze elkaar in een soort kringloop beïnvloeden (circulaire verbanden). De Amerikaanse internist en psychiater George Engel noemde dit biopsychosociale geneeskunde. In deze visie, die dus uitgaat van elkaar beïnvloedende factoren, kan onbegrepen chronische pijn verklaard worden vanuit een circulair model waarbij verschillende factoren een rol spelen.
Deze visie wordt ook tegenwoordig door veel deskundigen verdedigd. Ondanks het feit dat deze visie handvatten geeft voor de verklaring van fibromyalgie, ontmoet deze ook nog de nodige weerstand, met name tegen de psychische component. Veel mensen voelen zich toch niet serieus genomen in hun klachten en voelen zich aangevallen, alsof zij er zelf iets aan zouden kunnen doen als ze dat maar zouden willen. Voor een deel is die reactie ook ingegeven door de eenzijdige benadering van sommige hulpverleners, die de problemen afdoen met de woorden, dat 'het alleen maar tussen de oren zit'. Misschien dat het zogenaamde stressconcept een brug kan slaan tussen de lichamelijke en de psychische kant.

2.3 Het stressconcept
Stress is een noodzakelijke aanpassingsreactie van het hele organisme op een lichamelijke of psychische evenwichtsverstoring. Zodra onze hersenen een gevaar of mogelijke bedreiging registreren, slaat het hele organisme alarm en vindt er in het lichaam een reeks reacties plaats die zorgen voor onze overleving op korte termijn, b.v. door ons klaar te maken om zo hard mogelijk weg te kunnen rennen. Het bijniermerg scheidt adrenaline en noradrenaline af. Hierdoor versnelt het hartritme, dit is nodig om bloed naar je spieren te pompen, de ademhaling wordt sneller en oppervlakkiger, want de spieren kunnen de zuurstof goed gebruiken. De huidbloedvaatjes trekken samen om geen bloed te verspillen. Het bloed stolt makkelijker, zodat je bij een eventuele verwonding minder bloed verliest. De zweetafscheiding neemt toe. Dit alles wordt veroorzaakt door ons sympathische zenuwstelsel. Tegelijk vermindert de activiteit van ons parasympathische zenuwstelsel, dit zenuwstelsel bewaakt de processen die ons voortbestaan op de lange termijn veilig moeten stellen zoals voeding, voortplanting en herstel van letsels. Bijkomend worden ook nog endorfine afgescheiden. Dat zijn stoffen met een morfineachtige structuur, die deel uitmaken van het inwendig pijnstillend systeem van ons lichaam.
Al deze reacties vinden plaats in de alarmfase van het lichaam. Na deze fase komt er een tweede stressfysiologisch systeem op gang waarbij de bijnierschors nauw betrokken is.
Het hormoon dat nu wordt afgescheiden is cortisol, dit hormoon zorgt ervoor dat je op langere termijn het hoofd kan bieden aan de bedreigende situatie.
Een van de ingrijpende gevolgen van de productie van dit hormoon is de onderdrukking van de activiteit van het immuunsysteem. Dit immuunsysteem zorgt ervoor dat we, via ontstekingsprocessen, weerstand bieden tegen lichaamsvreemde stoffen en ook kankercellen bestreden worden. Dit gebeurt niet zonder reden; wanneer je alle energie nodig hebt om te vluchten of te vechten, kunnen herstelprocessen, zoals ontstekingsreacties die de wondgenezing bevorderen, of verdedigingsprocessen op de lange termijn, b.v. tegen tumoren, wel even wachten.
Uit onderzoek is gebleken dat de moderne mens nog steeds op deze fysiologische manier reageert op stresserende gebeurtenissen. Al komt het gevaar nu nog maar zelden van een beer waarvoor we het op een lopen moeten zetten, ook bij een emotioneel ingrijpende levensgebeurtenis komt dit systeem op gang. Een verlieservaring, of het nu een geliefde is of je baan, een ongeval, het ervaren van geweld maar ook krenking van het gevoel van eigenwaarde, dagelijks terugkerende ergernis of frustratie, ons organisme vat dit op als een ernstige bedreiging. Het hart bonkt, de ademhaling wordt sneller en de spieren spannen zich aan, kortom het hele systeem wordt in gang gezet om te kunnen vechten of vluchten. We blijven echter zitten op onze stoel, woelen in bed of ergeren ons op het werk.

2.4 Het stressconcept en fibromyalgie.
Omstandigheden die invloed hebben op ons emotionele welzijn, of die nu te maken hebben met onze vroege jeugd of latere relaties, de thuissituatie of het werk. ze hebben een invloed op het functioneren van ons lichaam. Klachten zoals pijn, moeheid, hoofdpijn, darmklachten maar ook angst en depressieve gevoelens, kunnen hun oorsprong hebben in stress. Op evenwichtsverstorende gebeurtenissen en situaties reageren we niet alleen psychisch maar ook lichamelijk, zeker als die situaties intens zijn of te lang blijven duren. Deze situaties kunnen evenwichtsveranderingen in het lichaam veroorzaken. Daar kunnen we niets aandoen, zo zitten we nu eenmaal in elkaar. Mogelijk dat hier een verklaring ligt voor de stoornis in de zintuiglijke informatieverwerking. Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen zien veel wetenschappers dit als een verklaring voor de chronische pijn. De evenwichtsverstorende gebeurtenissen kunnen ook slaapstoornissen veroorzaken waar veel fibromyalgiepatiënten last van hebben. Het vermoeden bestaat dat sommige patiënten niet voldoende diep slapen en daardoor lichamelijk en geestelijk minder goed uitrusten. Gedurende de herstelfase van de slaap wordt het spierversterkende groeihormoon afgescheiden. Bij veel patiënten met fibromyalgie is het groeihormoonniveau enigszins verlaagd. Ook is uit verschillende onderzoeken gebleken dat het serotonineniveau in het bloed verlaagd is. Deze stof is belangrijk voor de regulering van slaap, stemming, remming van pijn en de werking van andere hormonen.

2.5 Het biopsychosociale model en fibromyalgie.
Zoals we hiervoor al bespraken spelen bij het biopsychosociale model meerdere factoren een rol. Een van de biologische factoren betreft de mogelijke stoornis in de zintuiglijke informatieverwerking, zoals beschreven in hoofdstuk 1.
Er zijn fysiologische indicatoren gevonden voor een versterkte transmissie van pijnsignalen naar de hersenen. Deze pijngeleiding lijkt overgevoelig te zijn geworden voor pijnprikkels. Prikkels die normaal gesproken niet tot pijn leiden, komen versterkt door en geven een onevenredig grote gevoeligheid van de betrokken zenuwcellen aan. Als een pijnprikkel door de zenuwbanen gaat, komt het uit bij dat gedeelte van de hersenen dat we de thalamus noemen. De thalamus is onderdeel van het limbisch systeem, dit systeem wordt beschouwd als zetel van emoties, motivatie en aspecten van het geheugen. De thalamus speelt een belangrijke rol bij de selectie van prikkels die doorgegeven moeten worden aan de verschillende delen van de hersenschors en wordt daarom wel aangeduid als de poort naar de hersenschors. De thalamus bestaat uit kernen die alle een eigen functie hebben, zij spelen een rol bij het doorgeven van prikkels uit de zintuigen evenals de waarneming van pijn. Wanneer de hersenschors hiertoe opdracht geeft kan de thalamus ook bepaalde prikkels onderdrukken. Er gaat een pijnremmend signaal terug door de zenuwcellen naar het betrokken lichaamsdeel, dit mechanisme lijkt bij fibromyalgiepatiënten verminderd te werken. Tevens is de thalamus betrokken bij de bewustwording van prikkels waaraan de hersenschors een bepaalde betekenis hecht. Het gaat hierbij vooral om de emotionele connotatie die een gebeurtenis oproept. Psychische factoren kunnen de thalamus beïnvloeden en op die manier er voor zorgen dat de poort als het ware wijd open gaat voor pijnprikkels of juist sluit. Men noemt dit ook wel de 'poorttheorie'.
Het pijngeleidingsysteem functioneert niet goed, ook heeft men verhoogde concentraties van pijnversterkende stoffen kunnen aantonen. Tevens zijn afwijkingen gevonden in de twee neuro-endocriene stress-systemen, namelijk in de hypothalamus-hypofyse –bijnieras en het sympatische zenuwstelsel. Beide systemen spelen een rol bij de verwerking van stress, zoals we gezien hebben bij het stressconcept.

Naast de biologische factor, speelt de psychische factor een rol en wel door de cognities over pijn die we in de loop van ons leven hebben opgebouwd. Pijncognitie wil zeggen dat de denkbeelden die men onder invloed van z'n voorgeschiedenis ontwikkeld heeft, mede bepalen hoe men de pijn beleeft, interpreteert en hoe men er mee om gaat. Hoe negatiever iemand denkt over pijn, des te minder mogelijkheden hij of zij heeft om er mee om te gaan. Een voorbeeld van zo'n cognitie is, een catastroferende denkstijl. Dit is een denkstijl waarbij men de toekomst zeer somber inziet, men verwacht in een rolstoel te eindigen. Catastroferen gaat gepaard met een hogere pijnrapportage en meer beperkingen in het dagelijks leven. Een andere cognitie is dat je jezelf goed moet controleren op ongewone en vervelende sensaties. Dit heeft vaak tot gevolg dat men ook erg veel pijn voelt. Sommige mensen hebben vanuit hun leergeschiedenis (de opvoeding) het beeld meegekregen dat als je je niet zo lekker voelt het beter is om naar bed te gaan. Ouders hebben hier een voorbeeldfunctie. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen pijngedrag van hun ouders nabootsen.
Verwachtingen spelen ook een rol, zoals: lichamelijke inspanning zal leiden tot extra pijn en andere klachten, en mogelijk zelfs tot extra beschadiging van het lichaam. Zulke bewegingsvrees leidt tot vermijding van inspanning, wat weer tot gevolg heeft dat de lichamelijke conditie achteruit gaat en men bij de volgende inspanning inderdaad pijn ervaart, wat de verwachting weer bevestigd. Verwachtingen kunnen ook betrekking hebben op de mate waarin men denkt invloed te kunnen uitoefenen op de pijn of de gevolgen van langdurige pijn. Als men verwacht daar controle over te kunnen uitoefenen ervaren mensen minder pijn en beperkingen. Naast gedachten en verwachtingen die men over pijn kan hebben, speelt gedrag ook een rol.
Het gedrag dat vertoond wordt om aan de omgeving te laten merken dat men pijn heeft, noemt men pijngedrag, bijvoorbeeld zuchten, wrijven, gezichten trekken maar ook verplaatsen van het lichaamsgewicht van de ene naar de andere voet. Pijngedrag kan tot gevolg hebben dat pijn tijdelijk vermindert, of dat een aantal vervelende taken of verantwoordelijkheden kunnen worden vermeden. Partners en familieleden van pijnpatiënten worden het meest geconfronteerd met pijngedrag en kunnen door hun aandacht het pijnprobleem mede instandhouden. Als een partner meer belangstelling toont voor de pijnlijder wanneer deze pijngedrag laat zien, dan wordt meer pijn gerapporteerd en neemt het activiteitenniveau af. Door het positieve gevolg van het gedrag gaat iemand zich (onbewust) meer als een zieke gedragen. Bij chronische pijn wordt het pijngedrag vaak beïnvloed door dit soort beloningen. Hoeveel pijn iemand voelt en het pijngedrag worden vaak voor een belangrijk deel bepaald door de gevolgen van het gedrag. Anderzijds komt pijngedrag minder voor bij gezinnen waarin de patiënt voldoende steun van de gezinsleden ervaart. Niet alleen gezinsleden, ook hulpverleners kunnen pijngedrag instandhouden door bekrachtigende interventies zoals: herhaaldelijk diagnostische onderzoeken, verwijzing naar specialisten, voorschrijven van telkens andere medicijnen, of het advies: 'Komt u maar terug wanneer u veel pijn heeft'. De begrippen 'secundaire' en 'tertiaire' ziektewinst worden veel gebruikt in deze context. Secundaire ziektewinst verwijst naar de positieve gevolgen die pijnpatiënten ervaren wanneer zij pijngedrag uiten en die vaak zonder pijngedrag niet worden verkregen. Tertiaire ziektewinst betreft de positieve consequenties die de partner of de familieleden ervaren ten gevolge van de pijnklacht van de patiënt.
Een andere vorm van gedrag is de frequente afwisseling tussen overactiviteit en inactiviteit. Op slechte dagen wordt weinig of niets ondernomen, en op goede dagen wordt de achterstand ingehaald door overactiviteit. Men noemt dit ook wel het zaagtandprofiel.

Naast de eigen gedachten, verwachtingen en gedragingen speelt ook de sociale omgeving een rol bij de pijnbeleving.
Fibromyalgie heeft vrijwel altijd gevolgen voor de verhoudingen in het gezin, voor het uitvoeren van huishoudelijke taken, het uitvoeren van werk en recreatieve activiteiten. De omgeving kan overbeschermend zijn, wat aanzet tot te grote inactiviteit.
De omgeving kan ook suggereren dat men zich aanstelt zodat de patiënten mogelijk pijn en vermijdingsgedrag zullen verhevigen om te laten zien dat ze echt ziek zijn. Het zoeken naar een lichamelijke oorzaak voor de klachten kan hierdoor versterkt worden.
De invloed van informatie die via de media tot ons komt is ook niet te onderschatten.
Populaire tijdschriften geven soms een verkeerd beeld over het ontstaan van de ziekte,. Zo wordt de invloed van onbekende virale infecties gesuggereerd, of de metafoor waarbij de fibromyalgiepatiënt vergeleken wordt met een te snel leeglopende batterij die onvoldoende instaat is om zich op te laden. Deze veronderstellingen zorgen ervoor dat de patiënt de symptomen veel meer toeschrijft aan oncontroleerbare gebeurtenissen. Dit gebrek aan een gevoel van controle leidt tot een grotere pijngevoeligheid en verminderde pijntolerantie. Dit speelt een belangrijke rol bij hoe we met de pijn omgaan, de pogingen om de pijn te reduceren of beheersbaar te maken, ook wel pijncoping genoemd.
De term coping wordt ook gebruikt om aan te geven hoe men met stress omgaat, en hoe de persoonlijke beleving van een stressvolle situatie is. Dat de ene mens daar makkelijker mee omgaat dan de ander is duidelijk. Het is afhankelijk van het karakter, de ene mens is vanaf de geboorte gevoeliger dan de ander. Kinderen die, tijdens hun opvoeding, in alles hun zin krijgen zullen later minder goed tegen frustratie kunnen en dus emotioneel en lichamelijk heftiger reageren op stress. Kinderen die in hun vroege jeugd al een teveel aan stress hebben meegemaakt, b.v. door verwaarlozing of andere vormen van mishandeling, zijn ook gevoeliger voor stress. Situaties die onvoorspelbaar zijn leiden bij de meeste mensen tot stress, evenals het gevoel geen controle over de zaak te hebben. Het niet kunnen beïnvloeden van een situatie roept diverse negatieve gevoelens op zoals frustratie, ongenoegen, ergernis en ontgoocheling. Controle vermindert het gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid. Ook van belang hierbij is hoe de sociale omgeving is. Is er een zekere mate van ondersteuning of moet je het alleen uitzoeken. Sociale steun blijkt een belangrijke buffer te zijn tegen de schadelijke invloed van stress op ons lichaam.

De biologische, de psychische en de sociale factoren hebben alledrie hun invloed op fibromyalgie, in het volgende hoofdstuk gaan we in op wat de behandeling zou kunnen inhouden.

3 Behandeling volgens het biopsychosociale model

In dit hoofdstuk gaan we eerst in op het belang van een behandeling op de drie niveaus van het biopsychosociale model. Vervolgens kijken we naar wat de bij het niveau passende behandeling zou kunnen zijn.
Veel patiënten met fibromyalgie komen na de diagnose terecht bij de fysiotherapie.
Deze richt zich vaak op het losmaken van de spieren en een breed scala aan behandelingen gericht op het verminderen van de pijn.Omdat gebleken is dat fysiotherapie alleen op de chronische pijnklacht gericht geen verbetering geeft zullen we naar andere benaderingen moeten zoeken, niet zozeer om de klachten weg te nemen maar op het leren omgaan met, en het verminderen van de beperkingen in het dagelijks leven. Hierbij kijken we weer naar de drie invalshoeken, namelijk de lichamelijke, de psychische en de sociale.
Het biopsychosociale model kan verklaren waarom de veranderingen in moeten grijpen op de drie niveaus: De patiënt heeft veel pijn. Deze pijn wordt heviger bij beweging, het gevolg is dat de patiënt minder gaat bewegen. De lichamelijke conditie gaat achteruit, evenals de stemming want als je thuis op de bank moet zitten neemt de kwaliteit van leven af. Je krijgt geen positieve reacties vanuit je omgeving meer, bijvoorbeeld van vrienden of van collega's. Je beleeft minder leuke dingen want de pijn belemmert je. Daar komt nog eens de angst bij dat de pijn en vermoeidheid zouden kunnen leiden tot verergering van de ziekte. Cognities over hoe om te gaan met ziekte kunnen tot nog grotere inactiviteit leiden. Sociale factoren kunnen dit proces ook beïnvloeden, het gezin en de werkomgeving reageren ook op ziekte en pijngedrag. De fysieke deconditionering en de depressieve stemming die daarop volgt kunnen neuro-endocriene veranderingen veroorzaken, zoals beschreven bij het stressconcept. Dit alles beïnvloedt de ervaring van pijn, en kan mogelijk de stoornis in de zintuiglijke informatieverwerking in gang zetten. Pijn en een slechte stemming zorgen weer voor slaapstoornissen en een nog grotere vermoeidheid. Alle factoren hebben invloed op elkaar en leiden tot een zichzelf versterkende negatieve spiraal. Hieruit volgt dat veranderingen op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak moeten worden nagestreefd om een zo groot mogelijk resultaat te bereiken. Voor dit alles is grote motivatie van de patiënt nodig.

3.1 Motivatie
Van groot belang is dat de patiënt zich erkend voelt in zijn klachten en dat dit ook als zodanig uitgesproken wordt, door b.v. de huisarts. Zonder deze erkenning zal de patiënt blijven zoeken naar een lichamelijke oorzaak en zo belemmerd worden in het zetten van de volgende stap, namelijk het zo goed mogelijk omgaan met de consequenties van de klachten.
Voor deze stap gezet kan worden, is het van belang dat de patiënt inziet dat het geen zin heeft te blijven zoeken naar de oorzaak van de ziekte. Op deze manier legt hij het zwaartepunt buiten zichzelf, is het iets wat hem overkomt. Door in te zien dat je, door er op een andere manier mee om te gaan, invloed op uit kan oefenen zal dat de motivatie tot gedragsverandering verhogen. Gedragsverandering kan dus leiden tot een vermindering van klachten.

3.2 Multidisciplinaire aanpak op lichamelijk niveau
In het voorafgaande zagen we dat veel fibromyalgiepatiënten lichamelijke inspanning gaan vermijden omdat dit aanleiding geeft tot meer pijn. Voor de verbetering van het welbevinden is het belangrijk dat de conditie verbetert zodat ook de neuro-endocriene veranderingen normaliseren.

Doordat bewegingen snel tot pijn leiden, is het vrijwel onmogelijk dat patiënten aan spierkracht winnen zonder niet ook pijn te lijden: no pain, no gain. Wel moet men oppassen niet te veel hooi op de vork te nemen bij het oefenen, waardoor de pijn en moeheid na de inspanning zo uitgesproken zijn dat de patiënt meer motivatie en spierkracht verliest dan wint.
Een schema van dagelijkse trainingen waarbij de intensiteit geleidelijk wordt verhoogd lijkt het beste advies. Revalidatie instellingen, pijn en fitnesscentra bieden vaak trainingen van lage intensiteit voor deze doelgroep. Dit kan in de vorm van speciale oefentherapieën zoals Cesar of Mensendieck. Deze oefentherapieën richten zich op het verminderen van spier en gewrichtsklachten en vermoeidheid door een juiste manier van bewegen. Belangrijk is dat de oefeningen ook thuis worden uitgevoerd en dat ze toenemen in intensiteit. Bij fitnesscentra is het vaak mogelijk om low-fitness te volgen onder begeleiding van een fysiotherapeut. Deze stelt een oefenprogramma samen toegespitst op de mogelijkheden van de patiënt. Ook hierbij is het weer van belang dat de intensiteit toeneemt. De patiëntenvereniging FES (Fibromyalgiepatiënten Eendrachtig Sterk) organiseert fibrogym. Dit is een speciaal voor fibromyalgiepatiënten ontwikkelde gymnastiek. Naast aandacht voor meer bewegen is het ook van belang dat de patiënt leert zich te ontspannen. Het doel kan zijn om activiteit en rust beter te doseren, dit kan ook gunstige gevolgen hebben voor slaap en pijn. Ontspanningstraining kan ook gebruikt worden als hulpmiddel bij stresshantering of ter voorkoming van stressreacties. Ergotherapie kan helpend zijn bij het vinden van praktische oplossingen voor problemen van uiteenlopende aard, b.v in het huishouden maar ook bij het vinden van een voor de fibromyalgiepatënt geschikte dagindeling. De ergotherapeut kan bovendien adviseren over mogelijke hulpmiddelen en aanpassingen gericht op het zo optimaal mogelijk omgaan met de beschikbare mogelijkheden en energie.

3.3 Multidisciplinaire aanpak op psychisch niveau
Voor de psychologische behandeling is uit onderzoek gebleken dat cognitieve-gedragstherapie resultaten bereikt. Deze vorm van therapie kan patiënten begeleiden bij het formuleren van realistische levensdoelen, bij het omgaan met de pijn en andere symptomen en de stapsgewijze manier waarop deze bereikt kunnen worden. Deze therapievorm is een combinatie van cognitieve therapie en gedragstherapie. Cognitieve therapie gaat uit van het belang van denkschema's van mensen over zichzelf, anderen en de buitenwereld. Niet zozeer de gebeurtenis is belangrijk, maar het belang dat wij er met onze manier van denken aan hechten. Een persoon verwerkt op actieve wijze informatie van zichzelf en de omgeving. Op grond daarvan en van de voorafgaande ervaringen (leergeschiedenis) heeft hij bepaalde verwachtingen van de gevolgen van het eigen gedrag. Maar ook reacties uit de omgeving, door b.v. de echtgenoot of de huisarts, kunnen een rol spelen. Gedachten (cognities) kunnen leiden tot het veranderen van gedrag, terwijl omgekeerd emoties, lichamelijke verschijnselen en gedragingen op hun beurt invloed uitoefenen op de gedachten. Er kan b.v. door de dagboekmethode inzicht verkregen worden in de pijngerelateerde gedachten. Met dit inzicht als uitgangspunt kunnen de aandacht voor pijn en veronderstellingen over pijn en pijngedrag ter discussie gesteld worden. Eén van de door de therapeut gehanteerde cognitieve technieken betreft de Rationele Zelf Analyse ontleend aan de Rationele Emotieve Therapie (RET). Deze techniek kan aangewend worden om aandachtsprocessen te leren reguleren, door de aandacht te leren richten op iets anders dan pijnverschijnselen of het opsporen van storende gedachten. Een storende gedachte heeft altijd te maken met dingen die 'moeten', b.v. 'ik moet mijn werk perfect doen' of 'iedereen moet mij aardig vinden'. Waar het om gaat is dat men zich daarvan bewust wordt en zich af vraagt of deze gedachte gebaseerd is op de werkelijkheid, en of de gedachte helpend is bij het zich goed voelen of het oplossen van de problemen. De therapie heeft ook betrekking op allerlei veronderstellingen rond pijn. De geëigende methode voor een effectieve aanpak van deze veronderstellingen is deze in gesprekken met de patiënt, en eventuele belangrijke anderen, ter discussie te stellen. Eenvoudig te corrigeren veronderstellingen over pijn (b.v. pijn is gevaarlijk voor het lichamelijk functioneren) kunnen worden gecorrigeerd door uitleg te geven. Dit ter discussie stellen van (storende) gedachten die sterk leven bij de patiënt, kan ook aangewend worden om andere vaak voorkomende eigenschappen bij de fibromyalgiepatiënt te bespreken. Eigenschappen die vaak genoemd worden zijn: perfectionisme, een sterk plichtsbesef, veeleisendheid voor zichzelf en anderen en de neiging te veel hooi op de vork te nemen.
Met name wanneer er sprake is van een langdurige pijnproblematiek, kan er bij het begin van de behandeling sprake zijn van een toestand van demoralisering. De negatieve verwachtingen van pijnbehandeling dienen doorbroken te worden door deze te bespreken. Vaak komen hierbij al veronderstellingen, in de vorm van een soms expliciete overtuiging, naar voren die een negatieve uitwerking hebben op pogingen iets aan de situatie te veranderen. Met empathie en geduld worden zulke veronderstellingen geanalyseerd.
De cognitieve therapie wordt gecombineerd met gedragstherapie, deze therapievorm beschouwt psychische moeilijkheden als aangeleerd gedrag, wat men dus ook weer af kan leren. Men onderzoekt wanneer het gedrag voorkomt, wat de onmiddellijke oorzaken zijn of wat het gedrag uitlokt. Dit gedrag kan men door concrete oefening trachten te veranderen, b.v. hoe je probleemsituaties anders of beter zou kunnen aanpakken. Tevens heeft men tot doel 'gezond' gedrag opnieuw aan te leren en pijngedrag af te leren. Pijngedrag betreft de communicatie tussen de pijnlijder en zijn omgeving. Dit kunnen vocale (huilen, zuchten), verbale (klagen over pijn) en non-verbale (slecht looppatroon, wrijven over pijnlijke lichaamsplekken) gedragingen zijn. Deze gedragingen kunnen onder invloed staan van directe gevolgen van dat pijngedrag. Hiermee wordt bedoeld dat wanneer pijngedrag direct gevolgd wordt door een verandering in de situatie die als positief wordt ervaren, de kans toeneemt dat het pijngedrag zich herhaalt.
Bij gedragstherapie staat het hier-en-nu centraal, dit wil zeggen dat men niet zoekt naar oorzaken voor problemen in de jeugd van de patiënt maar dat men kijkt naar de problemen waar de persoon op dat moment mee geconfronteerd wordt. De sessies hebben meer een probleemoplossend dan een inzichtgevend karakter. De patiënt speelt een actieve rol en neemt zelf verantwoordelijkheid door zich bereid te verklaren taken te verrichten, zoals het maken van huiswerk, het systematisch observeren van eigen gedrag en het geleidelijk uitproberen van nieuwe vaardigheden. Partner en/of familie wordt zoveel mogelijk betrokken.

Van belang in de therapie lijkt ook aandacht voor de gezondheidsbevorderende rol van emotionele expressie. Het niet uiten of ontkennen van emoties en/of interpersoonlijke conflicten, geeft vaak aanleiding tot depressieve gevoelens. Tevens geven deze persoonlijke stressoren een verhoging van de spiertonus, deze verhoogde spierspanning veroorzaakt meer pijn. Wanneer de stressoren langdurig aanwezig blijven, wat bij fibromyalgie vaak het geval blijkt te zijn, kan dit weer aanleiding geven tot neuro-endocriene veranderingen. Zoals eerder vermeld bij het stressconcept.

Fibromyalgie en depressie gaan vaak hand in hand. Pijn en negatieve cognities, zoals b.v. catastroferen, versterken elkaar. Ook het wegvallen van essentiële bekrachtigers, zoals werk, hobby en sociale contacten, door chronische pijn kunnen depressiviteit versterken.

Ook het onderdrukken van negatieve gevoelens, een slechte partnerrelatie en veel onbegrip in de omgeving lijken bij fibromyalgiepatiënten belangrijke factoren te zijn die het ontstaan van een depressie kunnen bevorderen. Uit onderzoek is gebleken dat depressie het meest voorkomt bij patiënten die een weinig begripsvolle houding ontmoeten bij medisch-sociale instanties.
Ook angst kan een versterkende of onderhoudende rol spelen bij chronische pijn. Angstige onzekerheid over de toekomst, neiging tot catastroferen, angst voor bewegen, depressieve gevoelens zijn allemaal factoren die elkaar via een vicieuze cirkel versterken. Medicatie met antidepressiva kunnen depressieve gevoelens en angsten verminderen. Tevens hebben ze een gunstige uitwerking op de pijn en de slaapstoornissen. Antidepressiva worden door een arts voorgeschreven. Naast medicatie zullen therapeutische gesprekken toegespitst op de persoonlijke situatie van de patiënt helpend zijn.

Bij de toepassing van de tot nu toe genoemde technieken kunnen zich onvoorziene hindernissen voordoen. Heel vaak gaat het om praktische problemen die de verbetering van de kwaliteit van leven in de weg staan zoals financiële problemen, het vinden van geschikte of aangepaste arbeid of vrijetijdsbesteding. Daarnaast kan andere psychische problematiek, die schuil ging achter de pijnklachten, actueel worden. Aanbevolen wordt om deze zo open mogelijk te bespreken en in hanteerbare onderdelen op te splitsen.
Het probleemoplossingsmodel is hiervoor zeer geschikt. Het uitgangspunt is dat problemen bij het dagelijks leven horen en dat het belangrijk is om goed met problemen om te gaan. In dit model worden de volgende stappen onderscheiden: eerst wordt stilgestaan bij de definitie van het probleem. Waar bestaat het probleem precies uit? Vervolgens worden verschillende alternatieve oplossingen op een rij gezet alvorens er een te kiezen en toe te passen. Tenslotte wordt geëvalueerd en nagegaan of het doel is bereikt.

Naar aanleiding van het eerder besproken stressconcept zal na exploratie van de persoonlijke situatie van de patiënt mogelijk aandacht besteed moeten worden aan stressmanagement. Van belang hierbij zijn de begrippen draaglast en draagkracht, het belang van het stellen van grenzen en het aanleren van sociale vaardigheden om deze grenzen te bewaken. Groepseducatie kan helpend zijn, met name lotgenotencontacten. De belangenvereniging van patiënten met fibromyalgie (Fibromyalgiepatiënten Eendrachtig Sterk, FES), speelt hier een belangrijke rol in door het houden van inloopochtenden waarbij lotgenoten elkaar kunnen ontmoeten.

3.4 Multidisciplinaire aanpak op sociaal niveau
Van belang in de therapie is dat er aandacht is voor de sociale omstandigheden van de patiënt, zowel de partnerrelatie als de relatie met kinderen, ouders, andere familie, vrienden maar ook de eventuele werkgever. Een van de omstandigheden is het thuisfront, binnen de partnerrelatie kan veel veranderen, rolpatronen veranderen. Het zou kunnen dat een partner te snel taken overneemt en zo onbedoeld pijngedrag in stand houdt. Er moet gezocht worden naar een nieuw evenwicht tussen zelfstandigheid en het aanvaarden van hulp. De partner betrekken in de therapie kan hierbij helpend zijn. Ook de werksituatie moet aandacht krijgen, misschien kunnen bepaalde werkzaamheden niet meer uitgevoerd worden. Verandering van functie of takenpakket, eventueel met behulp van loopbaanbegeleiding, moet besproken worden. Omdat de patiëntengroep met fibromyalgie zeer divers is en ook zeer verschillende oorzaken een rol kunnen spelen in het ontstaan en in stand blijven van fibromyalgie vereist het inschatten van de lichamelijke, psychische en sociale factoren in de pijnbeleving van de patiënt, een grondige exploratie van de levenssfeer, geschiedenis en achtergrond van deze persoon. Aanknopingspunten voor eventuele therapeutische raadgevingen of ingrepen kunnen alleen op deze wijze worden verkregen.
Van groot belang is, het kan niet genoeg benadrukt worden, dat men aan de patiënt duidelijk maakt dat er geen twijfel is aan de echtheid van de pijn. De therapeut is iemand die helpt zoeken naar oplossingen om beter te kunnen functioneren maar de patiënt weet zelf het best wat goed voor hem is. Therapie geven is niet het overnemen van de verantwoordelijkheden van wie om 'hulp' komt vragen. Een therapeut moet respect tonen voor de positieve mogelijkheden van iemand die bij hem te rade komt. Tenslotte komt het erop aan dat de pijnlijder zelf wat aan de omgang met de pijn verandert.

4 Een enquête

In dit hoofdstuk worden de resultaten van een vragenlijst gepresenteerd. De vragenlijsten zijn ingevuld door mensen die een inloopochtend van de FES ( Fibromyalgiepatiënten Eendrachtig Sterk) bezochten, of een speciale bewegingsgroep voor patiënten met fibromyalgie, fibrogym genaamd. De lijsten zijn uitgedeeld door de contactpersoon van de inloopochtenden. Van de 20 uitgedeelde lijsten zijn er 15 teruggekomen. De resultaten zijn van beperkte reikwijdte omdat slechts met een kleine steekproef gewerkt is. Dit onderzoek is gedaan om te toetsen of mijn vooronderstellingen betreffende het ontbreken van sociale ondersteuning kloppen met de beleving van de patiënten met fibromyalgie. Evenals de vooronderstelling dat er ook weinig behoefte aan psychosociale ondersteuning bestaat omdat veel van hen het nog uitsluitend als een lichamelijke aandoening zien en nog erkenning zoeken voor hun klachten. Het onderzoek is in samenspraak met de contactpersonen van de FES in de vorm van een vragenlijst gedaan omdat de verwachting was dat dit de grootst mogelijke respons zou opleveren.

4.1 De vragenlijst
Onder de respondenten op de vragenlijst waren 14 vrouwen en één man. De gemiddelde leeftijd was begin 40 jaar, één van de respondenten was 33 jaar en één was 55 jaar. De diagnose: fibromyalgie, was tussen de 8 maanden en 4 jaar geleden gesteld, bij één was dat 7 jaar geleden gebeurd.

Welke behandelingen?
Elf van de vijftien respondenten slikten pijnstillers, veertien personen gingen naar fysiotherapie en zes personen gebruikten er slaaptabletten bij. Shiatsu, acupunctuur, mensendieck, haptonomie, homeopathie en iriscopie werden genoemd. Twee personen gebruikten antidepressiva (Amitryptiline), één persoon gebruikte Sint Janskruid. Vijf keer werd melding gemaakt van begeleiding door maatschappelijk werk of een psycholoog.

Waarvan het meeste baat?
Zes personen antwoordden dat zij het meeste baat hadden van pijnstillers, over het algemeen in combinatie met fysiotherapie of fibrogym. De twee mensen die antidepressiva gebruikten hadden daar het meeste baat bij, waarvan één ook pijnstillers en manuele therapie als aanvulling vermeldde. Van de vijf mensen die psychosociale begeleiding hebben of hebben gehad, meldden er drie dat zij daar het meest baat bij hebben gehad. Een mevrouw noemde nog expliciet een vriendin als helpend. Ook de persoon van de alternatieve therapie heeft deze als het meest helpend ervaren.

Van welke hulpverlener het meeste baat?
Het merendeel van de mensen (zeven) heeft het meeste baat gehad van de fysiotherapeut, meestal in combinatie met de huisarts. Van de drie mensen die het meest baat hadden van de psychosociale begeleiding, meldt slechts één de psycholoog als het meest helpend. Twee personen vermeldden dat je zelf je beste hulpverlener bent. Eén mevrouw meldde van niemand baat te hebben gehad omdat zij zich absoluut niet begrepen voelde.

Behoefte aan behandeling?
Acht mensen hebben geantwoord dat zij niet van plan zijn nog een behandeling te gaan volgen. Eén persoon meldt een behandeling door een combinatie van fysiotherapeut, ergotherapie, maatschappelijk werk en /of psycholoog te overwegen. Nog een ander denkt aan de combinatie homeopathie, ergotherapie en psycholoog, Een cursus pijnbestrijding, infrarood sauna, shiatsu en orthomoleculaire geneeskunde wordt genoemd. Er lijkt geen verband tussen hoe lang je al fibromyalgie hebt en of je er nog iets mee wilt gaan doen. De persoon die de biopsychosociale aanpak noemt heeft al 7 jaar fibromyalgie. Anderen die nu geen overwegingen maken hebben 1, 2,5, of 4 jaar fibromyalgie. Ook het met elkaar op fibrogym zitten lijkt geen aanleiding te geven tot gezamenlijke plannen of juist geen plannen meer.

Reden voor geen behoefte aan behandeling?
Van de elf mensen die deze vraag beantwoord hebben, melden vier geen behoefte aan een behandeling te hebben, twee personen verwachten van de huidige hulpverleners niets meer. De anderen hebben geen financiële middelen of hebben nog personen geen geschikte behandeling gevonden. In de vorige vraag wordt duidelijk dat de meerderheid van de patiënten niet van plan is om aan een behandeling, anders dan ze nu volgen, te beginnen en uit deze vraag kan ik alleen concluderen dat een kleine groep daar ook geen behoefte aan heeft en twee mensen het vertrouwen in hun behandelaars verloren heeft. Voor het trekken van een conclusie hieruit meen ik toch dat er te weinig gegevens zijn.

Behoefte aan psychosociale ondersteuning?
Zeven respondenten hebben geen behoefte aan psychosociale ondersteuning, zes hebben soms behoefte aan ondersteuning en slechts twee respondenten hebben op deze vraag met ja geantwoord. Vijf personen melden dat de counselor deze ondersteuning het best kan geven. Drie personen hebben op deze vraag geantwoord dat ze geen idee hebben wie de ondersteuning het best kan geven. Verder zijn er nog twee personen die vinden dat een vriendin of echtgenoot het beste kan ondersteunen of iemand die in je gelooft en die je vertrouwt. Ook de huisarts, de specialist en de ergotherapeut worden genoemd. Op de vraag op welke gebieden men psychosociale steun zou kunnen gebruiken denken acht personen aan het omgaan met pijn, vermoeidheid en slaapproblemen.Depressieve stemming wordt driemaal genoemd evenals overbelasting, het omgaan met emoties, angst en zelfwaardering wordt slechts tweemaal genoemd. Slechts één persoon zou graag ondersteuning willen bij relatieproblemen en seksualiteit. Het omgaan van onbegrip van de omgeving wordt ook één keer genoemd. Zoals eerder opgemerkt zoekt men de ondersteuning vooral op het gebied van de lichamelijke klachten.

4.2 De stellingen:
Aansluitend op de vragen zijn er 4 stellingen aan de respondenten voorgelegd, met deze stellingen hoop ik te achterhalen waar men de attributie (oorzaak) van fibromyalgie zoekt en of men iets verwacht van psychosociale ondersteuning.

Kunnen psychosociale problemen een oorzaak van chronische pijn zijn?
Acht van de vijftien respondenten zijn het gedeeltelijk met deze stelling eens. Uit de vragenlijst bleek dat dit ook de mensen waren die bevestigend geantwoord hadden op de vraag of ze psychosociale ondersteuning wilden. Vijf personen zijn het niet met deze stelling eens en wilden ook geen psychosociale ondersteuning. Twee personen zijn het met de stelling eens en hebben ook behoefte aan ondersteuning.

Psychosociale begeleiding overbodig?
De volgende stelling was: "omdat fibromyalgie een lichamelijke aandoening is, heb ik alleen iets aan een medische behandeling en is psychosociale begeleiding overbodig." Van de veertien mensen die op deze stelling gereageerd heeft is slechts één het met deze stelling eens. De anderen zijn het er niet of gedeeltelijk mee eens. Deze stelling lijkt een positief beeld voor psychosociale ondersteuning te geven.

Biopsychosociale aanpak?
"Omdat fibromyalgie verschillende (lichamelijke, psychische en sociale) oorzaken heeft, moet deze aandoening door een team van deskundigen zoals een arts, een fysiotherapeut en een psycholoog / counselor behandeld worden", met deze stelling waren negen invullers het eens en vijf invullers het gedeeltelijk eens. Waarbij dus duidelijk is dat de meerderheid het meest verwacht van een gecombineerde behandeling.

Gebrek aan kennis?
Opvallend is de grote mate van instemming met de laatste stelling. "Er is een groot gebrek aan kennis bij hulpverleners over de aard en aanpak van fibromyalgie."Van de veertien reacties op deze stelling zijn dertien personen het eens met de stelling en één het er gedeeltelijk mee eens. Uit de toegevoegde opmerkingen blijkt ook dat men een tekort aan begrip ervaart, zowel bij de hulpverlening als bij de omgeving. Ook vergoeden de zorgverzekeraars weinig psychische begeleiding. Eén mevrouw vermeldt nog het belang van goed naar jezelf luisteren, een ander wil graag het belang van de patiëntenvereniging benadrukken omdat je daar echt begrepen wordt.
Op grond van de stellingen meen ik te kunnen constateren dat de mensen die hierop gereageerd hebben het meest verwachten van een multidisciplinaire behandeling, het biopsychosociale model sluit daar goed op aan. Waar men de oorzaak van fibromyalgie zoekt wordt uit de stellingen niet duidelijk, al vindt het merendeel wel dat stress er een rol bij kan spelen. Wat opvalt is de nagenoeg unanieme ervaring dat de hulpverleners niet voldoende op de hoogte zijn van het ziektebeeld van fibromyalgie. De diversiteit van de klachten zal hier zeker een rol bij spelen.

Conclusie
Conclusie naar aanleiding van deze vragenlijst is dat er in het algemeen een lichamelijke gerichtheid is. Dit spreekt uit het feit dat de respondenten nagenoeg allemaal pijnstillers en slaaptabletten gebruiken en het meeste baat hebben gehad bij de behandeling van de fysiotherapeut. Het merendeel van de invullers heeft baat bij de behandeling en ervaart de fysiotherapeut ook als het meest helpend en is niet van plan nog een andere behandeling te gaan volgen. Mocht men dit toch overwegen gaat de voorkeur uit naar een gecombineerde behandeling door de huisarts, de fysiotherapeut en een psycholoog of een counselor. Van de vijf mensen die psychosociale begeleiding hebben gehad hebben er drie dit als helpend ervaren. De behoefte aan psychosociale ondersteuning ligt het meest op het gebied van het omgaan met de pijn en de vermoeidheid. Nagenoeg alle respondenten ervaren een groot gebrek aan kennis van de hulpverleners over fibromyalgie. In het volgende hoofdstuk wil ik ingaan op wat de rol van de counselor in deze gecombineerde aanpak zou kunnen zijn.

5 Het counselingsproces

In dit hoofdstuk wil ik aanbevelingen doen voor het counselingsproces van fibromyalgiepatiënten. De opleiding Psychosociaal werk, coaching en counseling biedt kennis en vaardigheden die de counselor in staat stellen vanuit een eclectische behandelvorm te werken, dit wil zeggen dat gedragstherapeutische, cognitieve, humanistische en psychodynamische methoden gecombineerd worden. De nadruk zal steeds liggen op de gezonde aspecten van het functioneren, het welbevinden en het al aanwezige potentieel bij de cliënt. Om deze reden zal ik niet meer spreken van patiënt maar van cliënt.

Zoals beschreven in het vorige hoofdstuk gaat de voorkeur van de mensen die de vragenlijst hadden ingevuld uit naar een gecombineerde aanpak van de problematiek. Ook het biopsychosociale model gaat uit van deze manier van behandelen. Van belang is dus dat de counselor samenwerkt met de behandelaar, de huisarts of de specialist en de fysiotherapeut. Het lijkt zinvol om in een vroeger stadium dan nu gebruikelijk een start te maken met het counselingsproces. Als bij chronische pijnklachten de diagnose fibromyalgie gesteld is (en misschien zelfs al wel voor dat deze definitief gesteld is maar wel duidelijk is dat de cliënt verminderd functioneert) kan psychische ondersteuning de cliënt helpen bij het omgaan met de problemen ten gevolge van pijnklachten, slecht slapen en vermoeidheid. Bij het counselingsproces hoort ook samenwerking met de fysiotherapeut om in overleg met hem de behandeling niet zozeer op pijnvermindering te richten maar op herstel van dagelijks functioneren en eventueel werkhervatting. Door de cliënt te informeren over de samenhang tussen lichamelijke, psychische en sociale oorzaken en hoe deze samenhang het klachtenpatroon kan veroorzaken en in stand houden, kan een aanzet zijn tot het doorbreken van de somatische gerichtheid. Wat niet op het pad van de counselor ligt is de behandeling van ernstige psychische problematiek. Voor de behandeling hiervan dient de counselor te allen tijde de patiënt te verwijzen naar de huisarts. In hoofdstuk 3 zagen we dat cognitieve gedragstherapie helpend kan zijn bij de psychologische behandeling van fibromyalgie, deze bevindingen geven aanleiding in het behandelplan te werken vanuit deze theoretische visie. Verder lijkt het mij zinvol aandacht te besteden aan het, door nagenoeg alle respondenten gedeelde gevoel, niet begrepen te worden. Respect voor de cliënt als persoon, voor de door hem/haar ervaren klachten en de manier waarop men zich met deze klachten staande houdt in het dagelijks leven, moet ten grondslag aan de therapie liggen. Zoals eerder beschreven zal een grondige exploratie van de levensomstandigheden nodig zijn omdat het verschil in de ervaren klachten en wat daarbij op de voorgrond staat groot is. Toch lijkt de grootste behoefte aan ondersteuning te liggen op het gebied van pijn en vermoeidheid. In de begeleiding zullen cliënt en counselor samen moeten kijken naar de beste manier van omgaan met deze twee probleemgebieden. Tevens is het zaak dat de counselor aandacht besteed aan de psycho-educatie van de cliënt en, in overleg, ook met de directe familieleden. Hiermee wordt bedoeld het geven van informatie of advies teneinde te komen tot zo optimaal mogelijk functioneren van de cliënt. Uitgaande van deze vertrekpunten vind ik het gespreksmodel zoals beschreven in het boek Psychologische gespreksvoering van Prof Dr G. Lang en Prof Dr H.T. van der Molen zeer passend voor de beschreven problematiek.

5.1 Visie van de counselor
Elke counselor zal werken vanuit een mensbeeld dat het best bij hem/haar past. Meerdere visies zijn mogelijk en de één hoeft niet beter te zijn dan de ander. Wel kan het zijn dat een probleem soms een andere benadering vraagt.
In het boek Psychologische gespreksvoering van Lang/v.d. Molen, vertrekt men vanuit de visie van Carl Rogers aangevuld met ideeën uit de cognitieve psychologie. In de werkwijze van Rogers speelt de kwaliteit van de therapeutische relatie een grote rol. Deze relatie wordt gekenmerkt door een onvoorwaardelijke acceptatie door de therapeut van de cliënt. Deze onvoorwaardelijke acceptatie en zorg voor de persoon die voor ons komt maakt dat deze kan groeien naar een bij deze persoon passende optimale persoonlijkheid. Naast acceptatie is empathie een noodzaak. Onder empathie verstaat Rogers het inleven in de cliënt zonder uit het oog te verliezen dat het zijn belevingswereld is en niet overeen hoeft te komen met de jouwe. In samenhang hiermee kan men nog echtheid noemen, waar mee bedoeld wordt dat de counselor de eigen gedachten en gevoelens kent zodat men deze opzij kan zetten of kan gebruiken waar nodig. Deze drie pijlers van de visie van Rogers kunnen een grote bijdrage leveren aan het bevorderen van een goede werkrelatie tussen de cliënt en de therapeut. Deze relatie kan ervoor zorgen dat de cliënt zich erkend voelt.

5.2 Theorie van de counselor
Als iemand voor psychosociale ondersteuning bij de counselor komt heeft deze naast een visie een theoretisch vertrekpunt nodig waarmee deze persoon zo effectief mogelijk kan worden ondersteund. Zoals we zagen lijkt cognitieve gedragstherapie hier voor in aanmerking te komen. De cognitieve gedragstherapie geeft aandacht aan de wijze waarop mensen informatie verwerken en op welke wijze ze deze informatie inpassen in hun eigen denksysteem en hoe mensen gedrag aanleren. Denken en gedrag hebben invloed op hoe iemand in het leven staat en hoe deze persoon met z'n omgeving om gaat. Om deze theorie handen en voeten te geven heeft men een gespreksmodel ontwikkeld dat de counselor kan gebruiken om de problemen van een fibromyalgiepatiënt te exploreren en daarna samen naar een oplossing te zoeken.

5.3 Het gespreksmodel
Het doel van een hulpverleningsgesprek is het verminderen van persoonlijke problemen. Om dit te bereiken zal de hulpverlener zich per gesprek een aantal doelen opleggen. Het scheppen van een sfeer van vertrouwen en rust aan het begin van een gesprek kan zo'n doel zijn. In de loop van de gesprekken zal de hulpverlener ook verschillende rollen aannemen. Deze kunnen naar gelang het gesprek vordert wijzigingen ondergaan. Een rol kan zijn die van vertrouwensfiguur, de hulpverlener schept duidelijkheid en rust in het contact, toont aandacht en begrip en stimuleert de cliënt vrijuit te praten. Een andere rol kan zijn die van de docent waarbij de hulpverlener een meer effectieve kijk op de problemen uit en ook achtergrondinformatie geeft. De doelen en de verschillende rollen vertonen een logische opbouw tijdens de verschillende fasen van het model. Deze fasen zijn: probleemverheldering, probleemnuancering, probleembehandeling. Probleemverheldering, tijdens deze fase staat contact leggen voorop en een duidelijk beeld krijgen van de problemen die er zijn en hoe de cliënt deze beleeft.
Probleemnuancering, in deze fase herformuleert en ordent men de problemen en kiest men een probleem om op te lossen of een voorbereiding van een oplossing.
Probleembehandeling, in deze fase stelt men zich doelen en onderneemt actie om concreet geformuleerde problemen tot een oplossing te brengen.

5.4 Het gespreksmodel en fibromyalgie
Het gespreksmodel toegespitst op de fibromyalgiepatiënt zou als volgt kunnen verlopen:

Probleemverheldering
In de fase van de probleemverheldering heeft de counselor als eerste doel het creëren van een klimaat van vertrouwen zodanig dat de cliënt zich gerespecteerd en erkend voelt in zijn klachten, zich vrij voelt om zich te uiten en zijn problemen in samenwerking met de counselor te verkennen. Veelal zal de pijnklacht het eerste element van de behandeling zijn. Als we spreken over pijn is het van belang alle facetten goed te exploreren. Wanneer treedt het bijvoorbeeld op, wat gebeurt er dan, hoe reageert de omgeving, wat doet de cliënt die pijn heeft. Kortom er wordt geprobeerd een zo duidelijk mogelijke kijk op het begrip pijn te krijgen, welke feiten, gevoelens en handelingen spelen een rol. Waar zoekt de cliënt de oorzaak, wat is de overtuiging van de cliënt en waar is hij bang voor? In deze fase is het nog niet de bedoeling al de invloed van b.v. denkprocessen op pijn te behandelen. Ook kan men op deze manier vermoeidheid exploreren. Voor de counselor is het van belang een duidelijk beeld te krijgen van de problemen, maar ook van de manier waarop de cliënt ze beleeft en al geprobeerd heeft ze zelf op te lossen. Hulpmiddel bij de exploratie van het psychosociaal functioneren van iemand, in dit geval iemand met chronische pijn, is het toekennen van een aantal deelgebieden in deze persoon. Deze deelgebieden, ook wel modaliteiten genoemd, geven een aspect van het functioneren van een persoon aan. Met behulp van deze modaliteiten kan men een probleem concreet maken door te onderzoeken op welke modaliteit het probleem speelt. Alle modaliteiten hebben invloed op elkaar en beïnvloeden elkaar als een kettingreactie (circulair). De modaliteiten zijn: gedrag, dat wat men doet of laat zien, dit zou pijngedrag kunnen zijn. Gevoel, de emoties die men ervaart, blijdschap, verdriet en angst. Ook het niet kunnen uiten hiervan hoort tot deze modaliteit. Gewaarwording, bij deze modaliteit gaat het om wat men waarneemt op lichamelijk gebied, zoals spanning of vermoeidheid. Voorstelling, beelden die iemand heeft bij bepaalde situaties, van zichzelf of anderen, met betrekking tot de toekomst, ideaalbeeld of juist angstbeeld. Gedachten (cognities), tot deze modaliteit behoren de denkprocessen. Een catastroferende denkstijl, een negatief zelfbeeld of irrationele gedachten horen tot deze modaliteit. Tot slot de modaliteit van de lichamelijke toestand, gezondheid, ziekte, handicap en uiterlijk, maar ook hartslag en spierspanning.

Probleemnuancering
In de fase van de probleemnuancering zal men overgaan van het exploreren van het probleem naar het ontwikkelen van een andere meer genuanceerde kijk op het probleem. Samen met de cliënt kan men onderzoeken met welke modaliteit het probleem te maken heeft. Uitgaande van de cognitieve gedragstherapie kan de counselor een vorm van interventie toepassen die hierbij aansluit. Bijvoorbeeld: als men kijkt naar de modaliteit gedachten (cognities), kan informatie gegeven worden over wat de invloed van gedachten op het gevoel is. Een andere techniek is de Socratische dialoog. Dit houdt in dat de counselor de cliënt uitgebreid zal vragen naar zijn pijnbeleving. De counselor zoekt daarbij naar hoe denkt, voelt en doet de cliënt en wat zijn de opvallende punten in zijn denk-, belevings- en handelswijzen. Hierbij kan men denken aan catastroferende gedachten of andere storende gedachten. De counselor kan de verkregen informatie samenvatten om te controleren of hij de cliënt goed begrepen heeft en daarna samen met de cliënt zoeken naar een andere meer effectieve gedachte. Voor de cliënt is het van belang dat hij de visies van de hulpverlener overweegt en verwerkt en daarmee zoekt naar een nieuwe omgang met de pijn en vermoeidheid. De modaliteit van iemands voorstelling, het beeld of angstbeeld over wat er vast gaat gebeuren kan men ook toetsen aan de realiteit, en eventueel vervangen door een meer realistisch beeld. Kijkt men naar de modaliteit gedrag dan kan men denken aan de volgende interventie: informatie over pijngedrag en hoe dat in stand kan blijven en hoe men kan werken aan een andere manier van omgaan met pijn. In dit stadium kan men de cliënt ook vragen zijn dagbesteding eens bij te houden in de vorm van een dagboek. Op deze manier kan men zicht krijgen op eventuele onbalans tussen activiteit en ontspanning. In dit dagboek kan men ook proberen te achterhalen op welke momenten de cliënt last heeft van een depressieve stemming of andere onprettige of storende gedachten. Samen met de counselor kan de cliënt onderzoeken met welke situatie of gedrag dit te maken kan hebben.
De modaliteit gevoel kan aanleiding geven het belang van emotionele expressie te bespreken. Bij de informatie over het belang van het uiten van boosheid of verdriet zou ook informatie over een goede communicatie gegeven kunnen worden.
Bij de modaliteit van de waarneming kan men denken aan het aanleren van ontspanningstechnieken, dit kan in samenspraak met de fysiotherapeut. Deze zal ook de modaliteit van de lichamelijke toestand behandelen in de vorm van het verbeteren van de conditie en het aanleren van gezond gedrag.
De explorerende rol van de counselor hoeft zich niet te beperken tot de problematiek rond pijn en vermoeidheid maar kan zich uitbreiden tot die gebieden die de cliënt aangeeft of die gebieden waarvan de counselor meent dat ze een rol spelen bij het probleem of het in stand houden hiervan.

Probleembehandeling
In de laatste fase komen we toe aan de probleembehandeling. Hiermee wordt bedoeld de fase waarin men iets gaat doen. Bij het zoeken naar hoe dat doen gestalte krijgt kan de cliënt zelf aangeven welk probleem het eerst aangepakt zal gaan worden. Belangrijk is dat de cliënt daarin de regie heeft en zich vrij voelt daarin zijn tempo aan te geven. De hulpverlener is daarin de ondersteunende coach. De coach/hulpverlener overlegt met de cliënt zo duidelijk en concreet mogelijk hoe het gewenste doel kan worden bereikt en welk (nieuw) gedrag daar voor nodig is. Belangrijk is ook dat de hulpverlener nagaat hoe de cliënt dat nieuwe gedrag in de praktijk heeft uitgevoerd en wat voor ervaringen hij met zijn nieuwe gedrag in zijn eigen omgeving heeft opgedaan. Wat ontdekte de cliënt aan zijn nieuwe beleving en wekte het zoals verwacht of werd het een mislukking? De evaluatie van de gemaakte keuzen tegen de achtergrond van de bereikte resultaten is van belang. In dit stadium kan het een nuttige aanvulling zijn de directe familie van de cliënt in het proces te betrekken. Bij het uitproberen en aanleren van 'gezond' gedrag kan een partner die te snel taken uit handen neemt belemmerend werken. Ook de werksituatie kan in dit stadium aan bod komen. Misschien moet het takenpakket van de cliënt in overleg met de werkgever veranderd of aangepast. Het is van belang dat de cliënt geactiveerd wordt zelf een effectieve andere instelling te krijgen ten aanzien van zijn problemen die volgen uit zijn aandoening. De counselor zal er op toe zien dat de doelen die de cliënt zichzelf stelt realistisch en haalbaar zijn. Vanzelfsprekend is het gespreksmodel slechts een hulpmiddel om te komen tot het verhelpen van moeilijkheden. Er kunnen zich situaties voordoen waarin fasen in het model óf zeer worden bekort óf zelfs worden overgeslagen. Dit kan worden veroorzaakt door de cliënt of de aard van het probleem. Een cliënt die door beperkte capaciteiten niet in staat is te praten over zijn probleem, er niets over kan zeggen, is weinig gediend met langdurige en vruchteloze pogingen van de counselor tot een goed gesprek te komen. In zo'n geval zal de hulpverlener al in het begin meer initiatief moeten nemen dan bij een vlotte prater. Hij zal moeten proberen zo goed mogelijk aan te sluiten bij de leefwereld van de cliënt. Veelal zal dit inhouden dat er minder gepraat wordt over de problemen en mogelijke oplossingen. De counselor zal door het stellen van een aantal doelgerichte vragen informatie verzamelen en vervolgens proberen de cliënt te helpen andere gedragspatronen aan te leren. Bij dit alles heeft de counselor de inzichten uit de cognitieve therapie evenals de theorie van het sociaal leren nodig. Bij het creëren van een vertrouwensrelatie en inzicht in de belevingswereld van de cliënt, heeft de cliënt-gerichte theorie van Rogers het meeste accent. Gedurende het counselingsproces is het nodig contact te houden met de fysiotherapeut over de voortgang van het revalidatieproces om de conditie te verbeteren, het aanleren van ontspanningstechnieken en in overleg met de cliënt andere zaken op het terrein van de lichamelijke conditie. Ook kan het nodig zijn met de huisarts te overleggen over andere fysieke problemen en/of farmacologische interventies. Dit alles om het biopsychosociale model in het oog te houden teneinde te komen tot de meest optimale behandeling van fibromyalgie. Een behandeling waarin de mens met fibromyalgie, wat zo ingrijpt in het dagelijks leven, zich volwaardig en met respect behandelt voelt.

6 Conclusie en aanbevelingen

In dit hoofdstuk wil ik de belangrijkste resultaten van de bevindingen over fibromyalgie en de aanbevelingen voor de counselor beschrijven.

6.1 Conclusie
In de vorige hoofdstukken zijn we allereerst ingegaan op de lichamelijke kant van fibromyalgie. We hebben gezien dat dit ziektebeeld zeer veel klachten geeft, waarbij chronische pijn, vermoeidheid en slecht slapen op de voorgrond staan. Deze klachten geven aanleiding tot krachtverlies en verminderd functioneren. Het niet altijd direct herkend, en erkend, worden van dit ziektebeeld door de huisarts en de sociale omgeving veroorzaakt bij veel patiënten een gevoel van frustratie. Deze frustratie kan leiden tot een lange zoektocht naar een aantoonbare lichamelijke oorzaak van fibromyalgie, om op deze manier een erkenning voor de ervaren klachten te krijgen. Een aantal lichamelijke oorzaken heeft men inmiddels gevonden zoals: een overgevoeligheid van het pijngeleidings-systeem en een verstoring van de neuro-endocriene stress-systemen. Uit een klein onderzoek naar aanleiding van een vragenlijst is gebleken dat de meeste fibromyalgiepatiënten uitsluitend lichamelijk gericht zijn op de behandeling van hun klachten. Pijnstillers, slaaptabletten en fysiotherapie is de meest voorkomende behandeling. In deze scriptie wordt een aanbeveling gedaan om in navolging van professor Van Houdenhove op een andere manier naar dit ziektebeeld te kijken. Lichamelijke oorzaken spelen een rol maar een mens bestaat niet slechts uit een lichaam, de geest, dat wat we denken en ervaren maar ook de reactie van onze omgeving kunnen hun invloed hebben op ons stress-systeem en op deze manier veranderingen veroorzaken in het lichamelijk functioneren. Deze manier van kijken naar de klachten van de patiënt noemt men het bio-psycho-sociale model. Biologische, psychische en sociale oorzaken spelen een rol en hebben invloed op elkaar. Dit impliceert dat men bij de behandeling van fibromyalgiepatiënten vertrekt vanuit het standpunt dat deze drie componenten even belangrijk zijn en aandacht behoeven. In de praktijk lijkt het zinnig om al in een vroeg stadium een multidisciplinaire behandeling te starten, waarbij naast de huisarts of de specialist ook de fysiotherapeut en een psycholoog, maatschappelijk werker of een counselor betrokken zijn. Dit om te voorkomen dat de behandeling slechts uit symptoombestrijding bestaat, de conditie achteruit gaat en de patiënt in een neerwaartse spiraal geraakt. Vanuit de zorg voor de patiënt kan men een actievere manier van omgaan met de ziekte stimuleren, het gevoel van controle bevorderen en op die manier komen tot een situatie waarbij men, ondanks het feit dat er lichamelijke klachten zijn, zich toch wel voelt in het leven en zich staande houdt in de maatschappij.
Om dit doel te bereiken werkt de fysiotherapeut aan het verbeteren van de conditie en het terugdringen van het functieverlies waarbij het mogelijk is dat in het begin de pijnklachten zullen verergeren. Ook is het aanleren van ontspanningsoefeningen belangrijk.

6.2 Aanbevelingen voor de counselor
Goede therapeutische relatie.
Voor de counselor is het van belang dat er in eerste instantie gewerkt wordt aan een goede therapeutische relatie. Een goede relatie tussen cliënt en counselor kan bijdragen aan het vertrouwen van de cliënt dat de counselor de ernst van de klachten begrijpt maar ook de kennis en kunde heeft om hem bij te staan op de weg naar het beter leren omgaan met deze klachten. Het gedachtegoed van Carl Rogers kan een visie zijn waaruit men werkt. Acceptatie, empathie en echtheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.

Motivatie
Belangrijk is dat de cliënt gemotiveerd is om vanuit een actieve instelling aan de problemen te werken. Goede motivatie is nodig om gedragsverandering te realiseren en in stand te houden, temeer daar in het begin de klachten kunnen toenemen. Het stapsgewijs plannen en uitvoeren van realistische doelen kan de motivatie behouden.

Cognitieve gedragstherapie
Voor een theoretisch kader van de behandeling is uit onderzoek gebleken dat cognitieve-gedragstherapie helpend kan zijn. Deze therapievorm, die uitgaat van de invloed van denkprocessen op het gevoel en het gedrag en tevens de mogelijkheid om ander gedrag aan te leren, kan vertrekpunt zijn bij het aanbrengen van nuance in de beleving van de cliënt.

Gespreksmodel
Voor een logische opbouw van het hulpverleningsgesprek kan men werken volgens een gespreksmodel. Dit gespreksmodel kan een hulpmiddel zijn bij het concreet werken aan de omschrijving en de oplossing van een probleem. Een goede exploratie van de problematiek is nodig zodat de counselor een duidelijk beeld krijgt hoe de cliënt het ziektebeeld ervaart, er mee om gaat, en hoe de omgeving van de cliënt er mee om gaat. Helpend hierbij kan zijn dit zogenoemde psychosociaal functioneren te verdelen in verschillende deelgebieden namelijk: het gedrag, het gevoel, de gewaarwording , de voorstelling, de cognitie en de lichamelijke toestand. Dit verkrijgen van een duidelijker beeld op de problemen zowel bij de counselor als bij de cliënt wordt ook de eerste fase van het gespreksmodel genoemd namelijk de probleemverheldering. Hierna volgt de tweede fase, die van de probleemnuancering. In deze fase wordt de cliënt een andere visie op zijn problemen aangereikt vanuit een cognitief-gedragstherapeutisch vertrekpunt. Hierbij kan men onder andere denken aan het veranderen van cognities over pijn en pijngedrag. Het bespreken van overtuigingen en storende gedachten, het bespreken van een betere balans tussen activiteit en ontspanning en stress-management. Ook in deze fase staat een goede therapeutische relatie voorop omdat de cliënt de visie van de counselor moet durven overnemen. In de derde fase, de probleembehandeling, staat het ondernemen van actie en het aanleren en uitproberen van nieuw gedrag op de voorgrond, de counselor zal de cliënt ondersteunen om een gunstig verloop te bevorderen en de cliënt te motiveren om het vol te houden.

6.3 Overleg
Overleg met de behandelend arts is van belang om eventuele aanvullende problematiek te behandelen. Waarbij de counselor in het oog moet houden dat bij ernstige psychische problematiek altijd verwezen moet worden naar de huisarts. Regelmatig overleg tussen de verschillende disciplines zal de voortgang van het biopsychosociale welbevinden moeten bewaken.

6.4 Biopsychosociaal model
Het biopsychosociale model maakt met zijn uitgangspunten een einde aan de controverse tussen de verschillende inzichten over de oorzaak van fibromyalgie. Fibromyalgie heeft niet alleen een lichamelijke oorzaak, fibromyalgie zit niet alleen tussen de oren, het vindt z'n oorsprong in neuro-endocriene veranderingen veroorzaakt door omstandigheden, cognities, life-events waar het stresshormoon een rol bij speelt.

Literatuuur.

Hoofdstuk 1 is vooral gebaseerd op:
"Geen dag zonder leven met pijn Leven met fibromyalgie"
Aty van Galen
NIGZ

Psychopraxis Jaargang 3 nummer 6, december 2001
Fibromyalgie een stoornis in zintuiglijke informatieverwerking
R. Geenen, J.W.G. Jacobs

Hoofdstuk 2 en 3 zijn gebaseerd op:

De pijn voorbij
Dr. Bart Leroy, Mark van Tongele
Lannoo / Terra

Ziek zonder ziekte Beter begrijpen van psychosomatische klachten
Boudewijn van Houdenhove
Lannoo

Psychologie van onbegrepen chronische pijn
J. Passchier, R.W. Trijsburg, R. de Wit, S.L.C. Eerdmans-Dubbelt (redactie)
Van Gorcum

Psychopraxis Jaargang 3 nummer 6, december 2001
Fibromyalgie:Een stoornis in zintuiglijke informatieverwerking
R. Geenen, J.W.G. Jacobs

Hoofdstuk 5 is gebaseerd op:
Psychologische gespreksvoering Een basis voor hulpverlening
Prof. Dr. G. Lang, Prof. Dr. H.T.van der Molen
H. Nelissen Baarn

Basismodel voor methodisch hulpverlenen in het maatschappelijk werk
Ad Snellen
Coutinho

Mocht u vragen of opmerkingen hebben over bovenstaande scriptie, dan kunt u terecht bij de schrijfster hiervan: mevr. Ineke Stoop jja.stoop@tref.nl