
Inhoudsopgave
Inleiding………………………………………………………………………………………………….
1. Een kennismaking met vluchtelingen-nieuwkomers………………….
1.1. Inleiding………………………………………………………………………………………..
1.2. Nieuwkomers……………………………………………………………………………………
1.3. Integratie…………………………………………………………………………………………
1.4. Wet Inburgering Nieuwkomers…………………………………………………………..
1.5. Het inburgeringsonderzoek en het inburgeringsprogramma…………………..
1.5.1. Het inburgeringsonderzoek……………………………………………………………….
1.5.2. Het inburgeringsprogramma……………………………………………………………..
1.6. Samenvatting……………………………………………………………………………………
2. Een kennismaking met vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers.
2.1. De vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer……………………………………………
2.2. Culturele achtergrond………………………………………………………………………..
2.3. Maatschappelijke positie…………………………………………………………………….
2.4. Samenvatting……………………………………………………………………………………
3. De praktijk van de hulpverlening………………………………………………….
3.1. Beroepskrachten en vrijwilligers………………………………………………………….
3.2. Positie trajectbegeleider……………………………………………………………………..
3.3. Werkwijze trajectbegeleider………………………………………………………………..
3.4. Kinderopvang en kinderwens………………………………………………………………
3.5. Samenvatting……………………………………………………………………………………
4. De aanpak………………………………………………………………………………………
4.1. Mijn visie op de Wet Inburgering Nieuwkomers……………………………………
4.2. Aanbeveling methodiek……………………………………………………………………...
4.3. Vrijwilligerswerk………………………………………………………………………………..
4.4. Kinderopvang……………………………………………………………………………………
4.5. Samenvatting……………………………………………………………………………………
5. Conclusies en aanbevelingen…………………………………………………………
5.1. Conclusies…………………………………………………………………………………………
5.2. Aanbevelingen………………………………………………………………………………….
Literatuurlijst…………………………………………………………………………………………..
I Begripsomschrijvingen
Inleiding
Vorig jaar heb ik stage gelopen bij de Vluchtelingenwerkgroep in Leeuwarden (Stichting VVN Leeuwarden, Voor Vluchtelingen en Nieuwkomers, voortaan VluchtelingenWerk genoemd).
VluchtelingenWerk Leeuwarden stelt zich ten doel ‘het geestelijk en maatschappelijk welzijn en welvaren van vluchtelingen in Nederland en in het bijzonder Leeuwarden te bevorderen’. Zij ziet het als haar taak om vluchtelingen te begeleiden binnen hun integratieproces. VluchtelingenWerk wordt gesubsidieerd door de gemeente en is één van de uitvoerende instanties van zowel de gemeente als de centrale overheid.
Mijn werk bij VluchtelingenWerk bestond hoofdzakelijk uit het begeleiden van nieuwkomers bij hun integratieproces. De begeleiding was gericht op het bevorderen van het zelfstandig functioneren van nieuwkomers en het vergroten van hun inzicht op de Nederlandse samenleving.
Tijdens mijn stageperiode heb ik ervaren dat vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers tegen verschillende knelpunten aanlopen die hun integratieproces bemoeilijken. Ook heb ik gezien dat er omtrent dit onderwerp weinig informatie beschikbaar is. Dit was voor mij aanleiding hier aandacht aan te besteden.
‘Hoe kunnen vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers integreren in de Nederlandse maatschappij, welke rol speelt de hulpverlening hierbij en hoe zou dit beter kunnen’.
Deelvragen bij het beantwoorden van deze probleemstelling zijn:
De opzet van de
scriptie ziet er als volgt uit:
- In hoofdstuk 1 wil ik een beeld schetsen van de vluchtelingen-nieuwkomers in Nederland, stel ik het begrip integratie aan de orde en beschrijf ik verder met welke wet vluchtelingen-nieuwkomers te maken krijgen vanaf het moment dat ze zich in een gemeente vestigen.
- In hoofdstuk 2 wil ik een inzicht geven in de groep vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers en geef ik de knelpunten aan waar zij tegenaan lopen.
- In hoofdstuk 3 analyseer ik de praktijk van de hulpverlening, ik ga in op wat er op dit moment gedaan wordt aan de integratie van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers en bekritiseer ik dit.
- In hoofdstuk 4 komt de aanpak aan de orde waarbij ik methodische suggesties voor verbetering aan geef.
- In hoofdstuk 5 kom ik nogmaals op de probleemstelling terug en doe ik een aantal aanbevelingen.
Achter in de scriptie heb ik een literatuurlijst opgenomen en zijn er bijlagen vermeld. Zonodig zal ik naar deze bijlagen verwijzen.
Hoofdstuk 1
Een kennismaking
met vluchtelingen-nieuwkomers
1.1.
Inleiding
Vreemdelingen komen om diverse redenen naar Nederland. Voorbeelden hiervan zijn werk, studie en toerisme. Vreemdelingen kunnen ook naar Nederland komen omdat ze op de vlucht zijn voor oorlog en het risico van vervolging. Ze verlaten hun familie, vrienden, taal en land omdat ze zich onveilig voelen. Het spreekt dan ook voor zich dat vreemdelingen ook wel vluchtelingen worden genoemd.
Ik heb tijdens mijn stage met vluchtelingen mogen werken. Ik heb gezien dat vluchtelingen veel problemen hebben. Vluchtelingen worden bijvoorbeeld meer dan economische migranten geconfronteerd met onzekerheden, onder andere de asielprocedure. Onzekerheid over de asielprocedure en het perspectiefloos wachten leidt vaak tot verlies van identiteit. Daar komen nog eens bij: de onzekerheid over familieleden thuis en de angst voor de lange arm van het regime in het land van herkomst. Vluchtelingen hebben veel meer problemen bij het nemen van initiatieven omdat hen het initiatief door uitsluiting van allerlei voorzieningen ontnomen wordt. Vluchtelingen hebben geen terugkeerperspectief. Arbeidsmigranten kunnen altijd terug voor vakantie. Vluchtelingen weten niet of en wanneer ze terug kunnen naar het land van herkomst. In dit hoofdstuk zal ik een beeld geven vluchtelingen-nieuwkomers. Verder zal ik aandacht besteden aan het begrip integratie en aan de Wet Inburgering Nieuwkomers.
1.2. Nieuwkomers
Vluchtelingen, allochtonen, buitenlanders, vreemdelingen, immigranten, etnische minderheid…zomaar een aantal etiketten die mensen die van buiten Nederland komen afgelopen decennia opgeplakt hebben gekregen. Tegenwoordig wordt het begrip vluchteling of asielzoeker vaak in de mond genomen. Zoals u ziet, gebruik ik af en toe ook het begrip nieuwkomer. Wanneer een asielzoeker c.q. vluchteling een status krijgt, wordt hij nieuwkomer genoemd. De vluchteling vestigt zich in een gemeente en vanaf die tijd is hij een nieuwkomer. Voor cijfers omtrent aantallen nieuwkomers verwijs ik naar bijlage II.
Nieuwkomers komen vanuit allerlei verschillende landen naar Nederland. Ik beperk me in deze scriptie tot vluchtelingen-nieuwkomers. Dit zijn mensen die vanwege oorlog of vanwege een anderszins bedreigde situatie hun land van herkomst zijn ontvlucht. Enkele voorbeelden hiervan zijn politieke vluchtelingen uit Wit-Rusland en redelijk recent zijn de vluchtelingen uit Afghanistan.
1.3.
Integratie
Om te kunnen vaststellen welke factoren van invloed zijn op de integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving, moet eerst helder zijn wat we onder intergratie verstaan. De ‘Van Dale’ beschrijft integratie als ‘het maken tot of opnemen in een geheel’ en noemt daarbij verschillende toepassingsgebieden. Eén daarvan is de maatschappelijke integratie, die omschreven wordt als het gelijkwaardig opnemen van een andere groep mensen in de samenleving. Hiervoor is naar mijn mening een wederkerige erkenning en acceptatie van elkaar, autochtone Nederlanders en nieuwkomers, nodig. De samenleving moet als het ware de nieuwkomers opnemen als leden, waaraan het recht verbonden is gebruik te maken van de voorzieningen en faciliteiten die voorwaardelijk nodig zijn voor een volwaardig lidmaatschap van de samenleving.
De integratie van nieuwkomers is vastgelegd in een wet, namelijk de Wet Inburgering Nieuwkomers, welke ik in de volgende paragraaf behandel. Voor iedere nieuwkomer geldt dezelfde wet en dus dezelfde regels. Nieuwkomers zijn echter Nederland binnengekomen met een verschillende hoeveelheid emotionele bagage die inhoudelijk uiteraard ook erg varieert. Het geweld dat men heeft meegemaakt en de gedwongen vlucht, leiden vaak tot psychische klachten als concentratiestoornissen, slapeloosheid en onbestemde angsten. Deze verschijnselen kunnen de integratie ernstig belemmeren. Hoe het integratieproces verloopt is ondanks een aantal gemeenschappelijke kenmerken per individu verschillend. Over het algemeen geldt hoe groter de kloof tussen de cultuur die men van oudsher heeft en de Nederlandse cultuur, hoe meer kans er is dat de integratie wordt bemoeilijkt. Door het feit dat de vlucht een gedwongen migratie inhoudt, kunnen nieuwkomers weerstand hebben om te integreren. In grote lijnen maken nieuwkomers bij het integratieproces een aantal fasen door. Men gebruikt hierbij vaak de fasering van cultuurschok volgens Oomkes.
Fase 1: De eerste fase is de zogenaamde ‘honeymoon’-fase. Het is een periode van opgetogenheid. De vlucht is gelukt en men is eindelijk vrij. Er worden veel nieuwe indrukken opgedaan en er ontstaan nieuwe contacten. Hierdoor ziet men de toekomst vaak positief tegemoet.
Fase 2: In deze fase kan frustratie ontstaan over de mensen en de samenleving. Men wordt geconfronteerd met andere waarden en normen en men moet de taal leren spreken. De nieuwkomer ervaart nu duidelijk dat hij een outsider is en loopt tegen problemen in het sociale verkeer aan. Het gestelde doel van zelfstandig functioneren blijkt moeilijker haalbaar dan aanvankelijk werd gedacht.
Fase 3: De derde fase zet veelal in als de nieuwkomer de taal beter leert spreken. Hij krijgt weer grip op zijn nieuwe leefsituatie. De nieuwkomer leert de waarden, normen, gebruiken en omgangsvormen van het gastland beter kennen. Hij krijgt er weer vertrouwen in dat het gestelde doel van zelfstandig functioneren bereikt kan worden.
Fase 4: In deze fase gaat de nieuwkomer de cultuur van het gastland aanvaarden. Sommige waarden van de nieuwe cultuur worden zelfs waardevoller gevonden dan de waarden van de eigen cultuur. Over het algemeen is er een evenwicht gevonden tussen de eigen waarden en normen en die van het gastland. De nieuwkomer kan zich nu goed redden al komen er nog wel steeds misverstanden voor.
Het is niet zo dat elke nieuwkomer alle vier fasen doormaakt of ze doormaakt in deze volgorde. Er zijn natuurlijk individuele verschillen.
Om te kunnen integreren in de Nederlandse samenleving is het dus niet per definitie nodig dat de nieuwkomer assimileert: hij mag zijn eigen identiteit, zijn leefgewoonten, normen en waarden behouden, zolang die de integratie niet in de weg staan. Bepaalde gewoonten zijn in Nederland verboden, zoals de besnijdenis van meisjes. Het dragen van hoofddoeken is een voorbeeld van een gewoonte die langzaam geaccepteerd is door de Nederlandse samenleving.
Om enigszins een structuur te brengen in de integratie van nieuwkomers is de Wet Inburgering Nieuwkomers in het leven geroepen. Meer over deze wet kunt u in de volgende paragraaf lezen.
Op 30 september 1998 is de Wet Inburgering Nieuwkomers in werking getreden. Met deze wet zijn alle nieuwkomers in Nederland verplicht om deel te nemen aan een inburgeringtraject. Het inburgeringtraject is bedoeld voor nieuwkomers ouder dan 16 jaar die zich met een niet-tijdelijk doel in Nederland vestigen en die in een achterstandspositie dreigen te raken. Door het verplicht stellen van het inburgeringtraject kan een grotere groep nieuwkomers bereikt worden en doordat het inburgeringtraject al snel in gang wordt gezet kan achterstand worden voorkomen.
Het huidige traject bestaat uit een educatief gedeelte, een gedeelte maatschappelijke begeleiding en doorgeleiding naar een vervolgtraject. Zo gaat het bijvoorbeeld bij het educatieve gedeelte om een begin te maken met het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van een eerste inzicht in de Nederlandse samenleving (Maatschappelijke Oriëntatie) en het verwerven van een eerste inzicht in de Nederlandse arbeidsmarkt (Beroepen Oriëntatie). Wanneer een nieuwkomer zich meldt voor het inburgeringonderzoek, krijgt de nieuwkomer een trajectbegeleider toegewezen. De trajectbegeleider begeleidt, motiveert en steunt bij eventuele problemen de nieuwkomer persoonlijk tot aan het eind van het inburgeringtraject.
Ik heb tijdens mijn stage bij VVN Leeuwarden in het verlengde van een trajectbegeleider gewerkt. De trajectbegeleider heeft me enkele van haar cliënten overgedragen. Een aantal van mijn cliënten betrof vrouwelijke vluchtelingen. Ik heb toen gezien dat deze groep met een aantal specifieke problemen in aanraking tegenkomt. In deze scriptie wil ik deze problemen nader specificeren en wil ik enkele voorstellen doen om deze problemen te doen verminderen.
Vóór de verplichting van de WIN was de groep vrouwelijke vluchtelingen een moeilijk bereikbare groep. Met name de lager opgeleide vrouwen werden niet bereikt. Nu de vrouwen verplicht het traject moeten volgen, komen de vrouwelijke vluchtelingen in beeld. Over deze groep nieuwkomers en hun ervaringen met inburgering is weinig bekend. In de bestaande gegevens wordt de groep nieuwkomers als geheel bekeken en wordt er geen onderscheid gemaakt naar sekse.
Toen per 30 september 1998 de Wet Inburgering Nieuwkomers in werking trad, betekende dit dat inburgering voor nieuwkomers een verplichting werd. Dit betekent niet dat elke nieuwkomer daadwerkelijk deelneemt aan het inburgeringprogramma. Nieuwkomers die al beschikken over een zekere zelfredzaamheid en die voldoen aan de criteria die hieraan verbonden zijn, zijn niet verplicht tot deelname. Het inburgeringbeleid stelt de nieuwkomers in staat om te komen tot zelfstandige deelname in de maatschappij. De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de WIN. Zij hebben in de meeste gevallen deze taak gedelegeerd aan Bureau Nieuwkomers. Bureau Nieuwkomers en VluchtelingenWerk zijn in de gemeente Leeuwarden beide gehuisvestigd in hetzelfde gebouw en ze werken nauw samen.
1.5. Het inburgeringsonderzoek en het inburgeringsprogramma
Het inburgeringprogramma bestaat uit meerdere onderdelen die aan tijd gebonden zijn. De WIN is op te splitsen in twee onderdelen: het inburgeringonderzoek en het inburgeringprogramma.
Om iedere nieuwkomer te bereiken geeft de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) de gegevens van de nieuwkomers die zich vestigen in de desbetreffende gemeente door aan Bureau Nieuwkomers. De nieuwkomer is verplicht om zich binnen zes weken na inschrijving (of uitreiking van het verblijfsdocument) te melden bij Bureau Nieuwkomers. Dit gebeurt door het opsturen van het aanmeldingsformulier dat is uitgereikt bij de inschrijving bij het GBA. Het gebeurt ook vaak dat de medewerkers van het GBA de nieuwkomers doorsturen naar Bureau Nieuwkomers. De nieuwkomer krijgt dan daar het inschrijfformulier uitgereikt en kan eventueel geholpen worden door een medewerker om het formulier in te vullen. Dit was een ook een onderdeel van mijn takenpakket tijdens mijn stage.
Bureau Nieuwkomers gaat aan de hand van het formulier na of de nieuwkomer in aanmerking komt voor een inburgeringonderzoek. Is dat het geval, dan wordt de nieuwkomer uitgenodigd voor een gesprek. Hoe het inburgeringprogramma er uit gaat zien wordt met behulp van het inburgeronderzoek bepaald. Dit onderzoek vormt dus de basis voor het verdere programma.
Het inburgeringprogramma bestaat uit een educatief gedeelte, maatschappelijke begeleiding en de uiteindelijke doorgeleiding naar een vervolgtraject (zie ook schema).
Het educatieve gedeelte bestaat uit drie onderdelen. Als eerste Nederlands als tweede taal (Nt2). Dit programma bestaat uit vijf niveaus. De uiteindelijk behaalde niveaus geven aan in hoeverre mate men het Nederlands beheerst en wat de mogelijkheden zijn voor eventuele doorgeleiding. Het streefniveau van het inburgeringtraject in Nt2-niveau 3. Als de nieuwkomer minimaal dit niveau behaalt kan hij of zijn verder worden doorgeleid naar de arbeidsmarkt of educatie.
Ten tweede de Maatschappelijk Oriëntatie (MO): deze wordt aangeboden in de moedertaal. Doel is het verwerven van praktische toepasbare kennis en vaardigheden.
Ten slotte de Beroepenoriëntatie (BO). Hierbij wordt de nieuwkomer op individuele basis geïnformeerd over zijn of haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
Naast het educatieve gedeelte is maatschappelijke begeleiding een onderdeel van het inburgeringprogramma. De behoefte aan maatschappelijke begeleiding wordt al tijdens het inburgeringonderzoek in kaart gebracht en kan gaandeweg het inburgeringtraject worden bijgesteld. Ook het geven van maatschappelijke begeleiding van een onderdeel van mijn takenpakket tijdens mijn stage. Het is de taak van de begeleider om oog te hebben voor problemen van de nieuwkomer en deze helder te krijgen.
Tot slot de doorgeleiding naar een vervolgtraject. Dit is het laatste onderdeel van het inburgeringprogramma. Het gaat hier met name om doorgeleiding naar instanties die zorg dragen voor verdere scholing of toeleiding naar de arbeidsmarkt. Wil de nieuwkomer doorstromen naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt, dan moet de nieuwkomer het benodigde streefniveau wel bereikt hebben. Nieuwkomers halen niet altijd het minimale streefniveau. Wanneer de nieuwkomer wel de wens heeft om het Nederlands beter te leren, dan kan dat via het reguliere aanbod van Regionale Opleidings Centra. Bij het Friesland College in Leeuwarden is bijvoorbeeld een Regionaal Opleidings Centrum gevestigd. In een eindgesprek met de nieuwkomer vindt de overdracht plaats naar een vervolgtraject. De nieuwkomer krijgt zijn of haar eventueel behaalde certificaat uitgereikt. Als er geen doorgeleiding plaatsvindt, dan is het eindgesprek een afrondend gesprek van het inburgeringtraject
Eind vorig jaar is het inburgeringsprogramma geëvalueerd. Deze informatie heb ik hoofdzakelijk gehaald uit het ‘Voortgangsrapportage Inburgering’. Dit rapport is op verzoek van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid uitgevoerd ten behoeve van het debat ‘Integratie nieuwkomers’ in de Tweede Kamer, op 18 en 20 april 2000. Voor uitgebreidere informatie over de uitval van nieuwkomers en de effectiviteit van inburgeringsprogramma’s verwijs ik naar dit rapport. Het uitvalpercentage ligt tussen de 15 en 20 procent. Belangrijkste argumenten om tussentijds te stoppen met het inburgeringsprogramma zijn: het vinden van werk, persoonlijke omstandigheden waaronder ziekte en persoonlijke problemen, zwangerschap en een gebrek aan kinderopvang. Deze argumenten kunnen als knelpunten in de integratie worden gezien. Bovendien blijkt dat slechts 15% van de nieuwkomers die een inburgeringscursus volgen na afloop voldoende Nederlands spreekt om zich te redden op de arbeidsmarkt. Er wordt aangegeven dat er meer maatwerk nodig is. Iemand die hoog opgeleid is, heeft bijvoorbeeld een ander inburgeringsprogramma nodig dan een analfabeet. Hier kom ik later in de scriptie op terug.
1.6.
Samenvatting
In dit hoofdstuk heb ik de begrippen nieuwkomer en integratie en de Wet Inburgering Nieuwkomers onder de loep genomen. Er is naar voren gekomen dat nieuwkomers, ondanks een aantal gemeenschappelijke kenmerken, de integratie verschillend doormaken. Nieuwkomers hebben individueel een pakket aan emotionele bagage mee naar Nederland genomen. De inhoud en hoeveelheid hiervan spelen beduidend mee in het integratieproces. Ook is het duidelijk geworden dat hoe groter de afstand is tussen de cultuur van het land van herkomst en de Nederlandse cultuur, hoe meer belemmering er tijdens de integratie wordt ervaren.
Ik heb verder in dit hoofdstuk beschreven dat integratie een tweezijdig proces is. Voor dit proces dienen zowel de nieuwkomer als de ontvangende maatschappij zich in te zetten. Naast het geven van een beknopte beschrijving van de Wet Inburgering Nieuwkomers heb ik het percentage uitval van de Wet Inburgering Nieuwkomers benoemd.
De vrouwen
die naar Nederland zijn gevlucht, moeten evenals de mannen het inburgeringstraject volgen. Tijdens mijn stage heb ik een
aantal vrouwen begeleid. Ik heb toen gemerkt dat vrouwen zich in een specifieke
situatie bevinden waar geen of nauwelijks rekening mee wordt gehouden. Dit
heeft mijn verbazing gewekt. Een deel van deze knelpunten heeft te maken met de
culturele achtergrond van de vrouwen en een deel van de knelpunten richt zich
op de maatschappelijke situatie waarin de vrouwen zich bevinden. In dit
hoofdstuk zal ik een beeld geven van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
en de knelpunten beschrijven die zij ondervinden bij hun integratie.
2.1. De vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer
Hoe
groot het percentage vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
is, is niet bekend. De groep vluchtelingen die zich aanmeldt als nieuwkomer is
in de statistieken niet gespecificeerd. In de bestaande gegevens wordt de groep
nieuwkomers als geheel bekeken en wordt er geen onderscheid gemaakt naar sekse.
Op grond van mijn eigen ervaring met nieuwkomers schat ik dat het percentage
ligt op zo’n 40 procent tegen 60 procent mannelijke vluchtelingen. Vrouwen
hebben ook ieder een eigen beweegreden om hun land te ontvluchten. Sommige
vrouwen blijven alleen achter (eventueel met kinderen) wanneer hun man vermoord
is. Weer een andere groep vrouwen komt naar Nederland
in het kader van gezinshereniging. Zij voegen zich bij hun partner of familie
die al langer in Nederland woonachtig is. Zoals ieder mens uniek is, is de
vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer ook uniek.
Sommige vrouwen hebben een hoge opleiding genoten. Daar tegenover staan vrouwen
die nog nooit naar school zijn geweest en dus analfabeet zijn. Vanuit hun
culturele achtergrond zijn de vrouwen ook erg verschillend. Ik heb zelf ervaren
dat vrouwen uit Afrikaanse landen zoals Angola en Burundi mondig kunnen zijn.
Vrouwen uit Irak en Iran zijn weer meer ingetogen. Vrouwen uit Afrika hebben
minder vaak een opleiding genoten dan vrouwen uit bijvoorbeeld Afghanistan. Ik
heb meer dan eens gemerkt dat vooral uit Afghanistan hoog opgeleide vrouwen
komen.
Gezien de verscheidenheid in deze bovengenoemde kenmerken, zal het u niet verbazen dat de gebieden waarin de problemen zich bevinden verschillen. Ik heb deze gebieden in twee hoofdgebieden opgedeeld. Het eerste gebied beslaat problemen die betrekking hebben met de culturele achtergrond. Het andere gebied heeft te maken met de maatschappelijke situatie.
De culturele achtergrond heeft invloed op de integratie van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. De cultuur en de samenleving waarin iemand opgroeit en leeft, bepalen voor een groot deel hoe iemand tegen dingen aankijkt en hoe iemand zich gedraagt of zich denkt te moeten gedragen.
De meeste vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers komen uit niet-Westerse samenlevingen. De Westerse samenlevingen, waaronder ook de Nederlandse, zijn anders georganiseerd dan de meeste niet-Westerse samenlevingen. Er is een aantal belangrijke verschillen:
Individu
De mate waarin sekserollen gescheiden zijn: In Westerse samenlevingen overlappen de sekserollen elkaar veelal. In landen die zich bevinden in Azië ziet men over het algemeen echter een strikte scheiding tussen de sociale sekserollen. De vrouw zorgt voor de kinderen en houdt zich bezig met activiteiten die binnen in haar huis plaatsvinden. De man is de kostwinnaar en houdt zich bezig met activiteiten die buiten het huis plaatsvinden.
Machtsafstand: De mate waarin mensen accepteren dat macht ongelijk verdeeld is, is
in niet-Westerse samenlevingen hoger dan in Westerse
samenlevingen. In Afrika is dit bijvoorbeeld goed te zien aan de verschillen in
stammen die zich daar in landen zoals bijvoorbeeld Som
Het begrip tijd: In niet-Westerse samenlevingen vindt men een precies tijdstip of een datum niet zo belangrijk. Ons strakke tijdschema is dan ook voor veel nieuwkomers vreemd.
Communicatie: Ook op het gebied van verbale en non-verbale communicatie kunnen verschillen bestaan. De Nederlandse directe manier van communiceren is niet in alle samenlevingen gebruikelijk.
De bovenstaande verschillen zijn algemene kenmerken die bij vrouwelijke vluchtelingennieuwkomers voorkomen. Voor de ene vrouw geldt een kenmerk echter sterker dan bij een andere vrouw en het ene kenmerk sluit het andere kenmerk niet uit. Dit hangt van de omgeving af waarin de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer opgegroeid is en bovendien kunnen niet alle culturele verschillen over één kam worden geschoren. Bovenstaande verschillen zijn tevens categorieën die gebruikt kunnen worden om een beeld te vormen van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer. Ze kunnen als instrumenten gezien worden die het gedrag van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer in kaart brengt.
In
veel landen waar vluchtelingen vandaan komen is er een scherpere rolverdeling
tussen mannen en vrouwen dan in Nederland het geval is. Dit heeft invloed op de
machtsverhoudingen binnen het gezin. De man regelt zaken met de ‘buitenwereld’
en de vrouw draagt de zorg voor de kinderen en het huishouden. De partner heeft
bijvoorbeeld al een inburgeringsproces doorlopen. In
bepaalde culturen is de vrouwenwereld zelfs gescheiden van de mannenwereld, met
name voor vrouwen die niet zijn opgegroeid in grote steden. Het leven van de
vrouw is meer gericht op binnenshuis en dat van de man op buitenshuis. Willen
de vrouwen inburgeren, dan moeten zij zich buitenshuis begeven. Het volgen van
onderwijs, het hebben van werk en het aangaan van sociale contacten zijn
activiteiten die buitenshuis plaatsvinden. De mate waarin het inburgeringsproces verloopt is mede afhankelijk van de mate
waarin de familie en de partner bereid en hulpvaardig
zijn. Ik heb tijdens mijn stage gemerkt, dat de genoten opleiding van de vrouw
een grote rol speelt in het de mate waarin sekserollen gescheiden zijn. Vrouwen
met een hoge opleiding hebben doorgaans meer activiteiten buitenhuis ondernomen
en staan meer gelijk aan de man. Vrouwen die analfabeet zijn, hebben zich in
het land van herkomst meer gericht op activiteiten die binnen en rondom huis
zich afspelen. De sekserollen zijn in dit geval ook meer strikt gescheiden.
Op het gebied van communicatie bestaan ook culturele verschillen4. Ik heb ondervonden dat vrouwen uit bepaalde Afrikaanse landen, bijvoorbeeld Angola en Burundi, zich verbaal durven te uiten. Vrouwen uit landen zoals Irak en Iran zijn het meer gewend ingetogen te zijn. Wanneer een vrouw het niet gewend is direct te reageren zal ze wanneer ze de les niet goed kan volgen, veelal niet er voor kiezen hier iets van te zeggen. Ze is het immers niet gewend om direct te communiceren en assertief te reageren.
Zoals
hierboven ook al genoemd is, neemt de groep een centrale plaats in. De loy
Deze
kinderwens van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
is van invloed op het verloop van het inburgeringsproces.
De prioriteit voor deze vrouwen ligt bij het opvoeden van hun kinderen. Het
volgen van een opleiding en werken is van latere zorg. Natuurlijk zijn niet
alle vrouwen gelijk als je kijkt naar achtergrond, opleiding en motivatie.
Vrouwen met een hogere opleiding stellen andere prioriteiten. De vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers die naar Nederland komen zullen
ondanks deze verschillen in culturen een weg moeten vinden in de Nederlandse
samenleving.
De
situatie die gericht is op de knelpunten die voortvloeien uit de culturele
achtergrond, ben ik tegengekomen in mijn stage. Ik heb deze situatie in de
volgende casus beschreven.
Vrouw: Jinan, 33 jaar
Dochter: Suraya, 3 jaar
Dochter: Alia, 2 jaar
Land van
herkomst: Iran
Toen ik mevrouw
ging begeleiden, waren de meeste praktische zaken al goed geregeld. Dit was
gedaan door de vorige begeleidster. Toen deze vorige begeleidster stopte met
haar begeleiding heb ik het overgenomen. In het verslag van de vorige
begeleidster las ik, dat de begeleiding van mevrouw Hussein,
alleenstaande moeder, intensief was geweest. Onwetendheid, onbekendheid,
onbegrip, angst en frustratie, onvoldoende taalkennis naast het ingewikkelde
ambtelijke taalgebruik en de veelheid en complexiteit van regels maakte dat
mevrouw in het begin van de vorige begeleiding veel materiële hulpvragen had.
Het langs elkaar heen werken van instanties en de fouten die er bij instanties
werden gemaakt, maakten dat het regelen van al deze zaken veel tijd in beslag
hadden genomen. Hierdoor had het accent in de begeleiding gelegen op het
regelen van deze praktische zaken.
Op het moment
dat ik de begeleiding overnam, waren de meeste praktische zaken dus goed
geregeld. Wat echter niet was geregeld was het naar school gaan van mevrouw Hussein. Mevrouw Hussein was
gezien de Wet Inburgering Nieuwkomers verplicht om Nederlandse lessen te
volgen. Toen ik dit onderwerp op tafel bracht, merkte ik dat de communicatie
met mevrouw moeilijk werd. Mevrouw zei me niet meer te kunnen volgen en
bovendien hoofdpijn te hebben. Iedere keer als we het over het onderwerp school
hadden, wilde mevrouw er niet over praten. Ik heb na een drietal pogingen
mevrouw haar gedrag met haar besproken. Mevrouw gaf toen aan dat ze haar
kinderen niet weg wilde brengen naar de kinderopvang. Volgens haar beleving zou
ze dan een slechte moeder zijn. Haar kinderen behoorden bij haar te blijven.
Bovendien was ze er van overtuigd dat kinderen tot hun
vierde jaar niet naar een instelling zoals de kinderopvang mochten. Haar
kinderen moesten vrijheid tot ontwikkeling hebben. Dit was haar geleerd toen ze
in Iran woonde.
Ik stuitte hier
op een grote barrière. Mevrouw was niet van haar standpunt af te brengen. Na empathisch, betrokken, duidelijk te hebben gereageerd was
het alleen nog mogelijk om mevrouw direct te confronteren met de sancties die
haar mening tot gevolg zou hebben. In haar geval betrof dit een inhouding op
haar uitkering. Vanaf dat moment kreeg mevrouw nog meer last van hoofdpijn. De
situatie werd zo erg, dat mevrouw in de loop der tijd hartkloppingen kreeg en
flauwtes. Op deze manier was het voor haar werkelijk niet mogelijk naar school
te kunnen en bleef de situatie zoals mevrouw zich dat wenste; haar kinderen
bleven bij haar thuis.
Vrouwen en allochtonen hebben over het algemeen een minder goede maatschappelijke positie dan de ‘Nederlandse man’. Een voorbeeld hiervan is de positie op de arbeidsmarkt. Vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers behoren tot beide groepen. Daarbij komt nog dat vrouwen die in verband met gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen een achterstandspositie hebben ten opzichte van hun echtgenoot. Dat maakt dat ze ook in gezinsverband in een erg afhankelijke positie verkeren. De vrouw heeft vaak een minder hoge opleiding genoten in het land van herkomst dan haar man. Wat het hiervoor beschrevene nog eens versterkt, is het feit dat door de hogere opleiding die de man heeft genoten, zijn Engels vaak beter is dan dat van zijn echtgenote. Ook spreekt hij vaak al een beetje Nederlands. Voor communicatie met de buitenwereld is de vrouw daarom in eerste instantie afhankelijk van de man.
Mocht in het gunstige geval de vrouw in staat zijn om mee te doen aan het inburgeringsprogramma, dan stuit zij op het grote probleem; wie past er op mijn kinderen? De kinderopvang sluit niet aan bij de grote vraag naar opvang. Bovendien zijn de inburgeringsprogramma’s niet op vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers aangesloten. Het hebben van kinderen geniet een hoge prioriteit bij vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers. Doordat de lessen alleen overdag worden gegeven, is de vrouw erg beperkt in haar mogelijkheid een andere oppas te vinden dan de kinderopvang. Haar afhankelijkheid van de kinderopvang kan als een knelpunt gezien worden omdat de kinderopvang niet kan voldoen aan de vraag. Er is in Nederland een groot capaciteitstekort binnen de kinderopvang.
Ik ben tijdens mijn stage meerdere malen tegen dit knelpunt aangelopen. Ik heb deze situatie in onderstaande casus beschreven.
Man: Araz, 29 jaar
Vrouw: Daiba, 23 jaar
Dochter: Layka, 3 jaar
Land van herkomst: Burundi
Opleiding vrouw: geen
Toen
ik Daiba en Araz ging begeleiden
waren de meeste materiële zaken ook net geregeld door hun vorige begeleidster. Daiba en Araz woonden sinds een
half jaar in een huurwoning. Beiden hadden een half jaar geleden een A-status
ontvangen. Tijdens onze eerste ontmoeting bracht Daiba
het onderwerp school ter sprake. Daiba wilde dolgraag
beginnen met het volgen van Nederlandse lessen. Layka,
haar dochter, was volgens haar zeggen een druk en vrolijk meisje wat behoefte
had aan contact met andere kinderen. Daiba en Araz woonden in een flat twee hoog en in hun omgeving
woonden geen kinderen waar Layka mee kon spelen. Daiba vertelde ook dat ze depressief werd door alsmaar
binnen te zijn en niets om handen te hebben. Ze had hier en daar geïnformeerd
naar werk. Maar doordat ze zeer slecht Nederlands sprak, had ze geen werk
kunnen vinden. Ze wilde vandaag nog liever met Nederlandse lessen beginnen dan
morgen. Araz wilde ook graag dat Daiba
naar school ging. Door Daiba haar depressieve buien
werd de sfeer in huis er niet beter op en volgens Araz
zou het een stuk beter met haar gaan als ze naar Nederlandse les kon gaan.
Ik sprak met Daiba af, dat ik voor
haar kinderopvang ging regelen. Zodra dat geregeld was, ging ik haar
inschrijven bij het Friesland College. Eenmaal terug op kantoor belde ik de kinderopvang
om te vragen hoe ik het meisje Layka in kon
schrijven. Het inschrijven van Layka was geen
probleem. Wat echter een enorm probleem was, was het plaatsen van het meisje.
De kinderopvang kon me vertellen dat het minstens een jaar zou duren voordat het
meisje geplaatst kon worden. Hiermee was het einde bericht.
2.4. Samenvatting
Ik heb in dit hoofdstuk een beeld
geschetst van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer.
Vervolgens heb ik de knelpunten die vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
ervaren tijdens hun inburgeringsproces in twee
hoofdgebieden onderverdeeld, namelijk knelpunten die te maken hebben met de
culturele achtergrond en knelpunten die te maken hebben de maatschappelijke
positie. Beide gebieden heb ik verhelderd met het geven van casussen die op
werkelijke feiten berusten. Het is duidelijk geworden dat naast de algemene
culturele verschillen, iedere vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer
ook afzonderlijk bekeken moet worden. Niet elke
cultureel verschil heeft dezelfde sterkte per individu.
Hoofdstuk
3
De
praktijk van de hulpverlening
De gemeenten van
Nederland zijn belast met de uitvoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers. Het
is de taak van de gemeente om nieuwkomers op de hoogte te brengen van hun rechten
en plichten ten aanzien van de inburgering en mogelijkheden te scheppen om de
inburgering te voltooien. Omdat ik mijn stage heb gevolgd bij VluchtelingenWerk Leeuwarden beperk in me in dit hoofdstuk
tot de uitvoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers in de gemeente Leeuwarden.
Met de invoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers is in de gemeente
Leeuwarden een samenwerking ontstaan tussen de gemeente, VluchtelingenWerk
Leeuwarden en het Friesland College om het inburgeringstraject
van de nieuwkomers te kunnen stroomlijnen en profession
Gedurende het totale inburgeringsprogramma heeft iedere nieuwkomer een persoonlijke trajectbegeleider, die op de hoogte is van de situatie van de
nieuwkomer. De trajectbegeleider is een professionele begeleider in dienst van Bureau Nieuwkomers.
3.1.
Beroepskrachten en vrijwilligers
Tijdens mijn stage bij VluchtelingenWerk Leeuwarden heb ik gedurende het gehele jaar verschillende cliënten begeleid. Hierbij waren ook cliënten die onder de Wet Inburgering Nieuwkomers vielen. De trajectbegeleider had binnen de instelling contact met één van de coördinatoren die voor VluchtelingenWerk werkzaam is. Gemiddeld één keer per drie weken had ik de mogelijkheid de vorderingen met betrekking tot mijn cliënten door te nemen met de coördinator. Verder vond er één keer per maand een cliëntoverleg plaats met het zogenaamde cliëntgroepje. Dit groepje bestond uit twee stagiaires en twee vrijwilligers en een coördinator.
Binnen de instelling zijn namelijk ook veel vrijwilligers actief. In negentig procent van alle gemeenten in Nederland is een lokale stichting van VluchtelingenWerk actief. Deze VluchtelingenWerkgroepen variëren van kleine stichtingen met slechts een enkele vrijwilliger, tot grote organisaties met meer dan dertig betaalde medewerkers en een veelvoud aan vrijwilligers. Vrijwilligers krijgen, evenals de stagiaires, scholing aangeboden.
Alhoewel de vrijwilligers training en scholing krijgen aangeboden binnen de instelling, ben ik van mening dat zij te veel verantwoordelijkheid op hun schouders hebben. Ik vind dat de weg naar integratie niet door vrijwilligers mag worden bijgestaan. De procedures die de nieuwkomers door moeten lopen zijn dermate belangrijk dat enkel en alleen professionele begeleiding hier op zijn plaats is. Ik ben tijdens de cliëntoverleggen meerdere malen tegen het feit aangelopen dat vrijwilligers niet adequaat handelden doordat ze niet voldoende geschoold zijn. De schuld mag hier niet gelegd worden bij de vrijwilliger, omdat deze persoon hoogstwaarschijnlijk zijn uiterste best doet. Eén van de belangrijkste redenen dat vrijwilligers aangetrokken worden bij VluchtelingenWerk is dat vrijwilligers onbetaalde krachten zijn. Ik vind het niet correct dat nieuwkomers vanwege financiële tekorten begeleid worden door vrijwilligers. De wachtlijsten in de gezondheidszorg zijn toch ook niet een reden om in deze sector meer vrijwilligers aan te trekken. En zeg nu eerlijk, zou u bereid zijn om u te laten behandelen door een vrijwilliger terwijl uw geestelijke toestand dermate ernstig is dat u een maatschappelijk werker nodig heeft?
3.2. Positie
trajectbegeleider
Om de integratie van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers te bevorderen is er dus van uit het mesoniveau de Wet Inburgering Nieuwkomers in het leven geroepen. Na een periode dat het begrip multiculturele samenleving hoogtij heeft gevierd, is het nu tijd voor integratie. Een aantal jaren geleden was men van mening dat respect voor elkanders cultuur een belangrijk gegeven was. Integratie moest zich absoluut niet gaan conformeren met assimilatie. Vanuit de maatschappij kwam hier weerstand tegen. Het was nog niet zo dat men terug wilde naar ‘eigen volk eerst!’, maar dat een samensmelting van verschillende culturen naar één multiculturele samenleving niet vanzelfsprekend ging, werd wel duidelijk. Tegenwoordig wil men dan ook dat vreemdelingen gaan integreren. De Wet Inburgering Nieuwkomers heeft hiervoor regels opgesteld, welke beschreven zijn in hoofdstuk 1.
Nieuwkomers
die zich niet aan deze regels houden, krijgen een sanctie in de vorm van een
financiële boete. Uit de praktijk blijkt echter dat de trajectbegeleider zelden
een sanctie uitvoert. Het dreigen met sancties door de trajectbegeleider kan
leiden tot wrijving en dit kan de vertrouwensrelatie met de nieuwkomer
verstoren. De trajectbegeleider draagt in principe twee petten; naast dat hij
de vertrouwenspersoon is van de nieuwkomer is hij ook degene die de sancties
uitvoert. Verder vinden trajectbegeleiders het vaak niet rechtvaardig om de
sanctie uit te voeren, omdat ze van mening zijn dat het aanbod van de Wet
Inburgering Nieuwkomers niet op orde is. Hiermee wordt bedoeld dat de Wet
Inburgering Nieuwkomers niet op maat gesneden is en
dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen.
3.3.
Werkwijze trajectbegeleider
De
trajectbegeleider is niet verplicht met een bepaalde methodiek te werken. Hij
is vrij zijn begeleiding in te richten op de manier die hij wil. Uiteraard moet
hij zijn doelen bereiken en de regels van de Wet Inburgering Nieuwkomers
handhaven, maar een uitgekristalliseerde functieomschrijving is niet aanwezig.
De aard van zijn werkzaamheden vergt naar mijn mening wel een gestructureerde
taakstelling en taakbelasting, waarin een vastgestelde methodiek op zijn plaats
is. Wanneer ik zie dat nieuwkomers zowel in het asielzoekerscentrum als bij VluchtelingenWerk door mensen begeleid worden die volgens
een vastgestelde methodiek moeten werken, vind ik het onprofessioneel dat
trajectbegeleiders dit niet hoeven.
De
trajectbegeleider die werkzaam is in een asielzoekercentrum werkt sinds ruim
een jaar met een nieuwe methodiek genaamd ‘trajectbegeleiding’. Mevrouw M. Oomens heeft ruim tien jaar gewerkt om deze methodiek tot
stand te brengen. Trajectbegeleiding is de kernmethodiek die gebruikt wordt bij
de opvang en begeleiding van vluchtelingen. Met deze methodiek worden
asielzoekers op een zakelijke, klantgerichte manier geholpen met hun toekomst
bezig te zijn. Trajectbegeleiding is gedefinieerd als ‘een methode om samen met
de asielzoeker in kaart te brengen wat zijn mogelijkheden zijn voor de toekomst
en te kijken hoe reëel hij daarin is en of de plannen die hij maakt haalbaar
zijn’. Concrete activiteiten van trajectbegeleiding zijn: gesprekken voeren;
met de asielzoeker uitzoeken wat voor hem mogelijk en haalbaar is op het vlak
van betaald en onbetaald werk, stages, beroepenoriëntatie, scholing en cursussen;
een plan opstellen; een dossier bijhouden en de uitvoering van het plan volgen.
De rol van de trajectbegeleider is dus zakelijk en de trajectbegeleider legt
het initiatief bij de asielzoeker. De vorm van outreachend
werken is bijvoorbeeld ondenkbaar binnen deze methodiek.
Hoewel
de methodiek structuur brengt in de werkwijze van de trajectbegeleider op het
asielzoekercentrum, vind ik de methodiek ‘trajectbegeleiding’ een verarming voor
de hulpverlener. Het beleid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers5 is in de loop der jaren flink
veranderd. De humane benadering heeft inmiddels plaatst gemaakt voor een
zakelijke houding. De methodiek ‘trajectbegeleiding’ past binnen deze verzakelijking
en daarom vind ik het een verarming. Deze methodiek loopt de geestelijke
toestand van de asielzoeker voorbij. Bovendien dicht deze methodiek de
asielzoeker een grotere assertiviteit toe, dan zij in werkelijkheid heeft.
Trajectbegeleiding is een zakelijke manier van hulpverlening. Een methodiek die
naar mijn mening haaks staat op de behoefte van een asielzoeker.
Een
asielzoeker heeft veelal problemen die te maken hebben met haar verleden (de
traumatische ervaringen die ze heeft ondervonden in haar land van herkomst of
tijdens de vlucht naar Nederland), haar heden (ze bevindt zich in een
achterstandssituatie op zowel het financiële als het maatschappelijke vlak) en
haar toekomst (positie arbeidsmarkt). Juist voor deze
doelgroep is het belangrijk dat er oog is voor de psychische problematiek die
aanwezig is. De hulpverlener moet naar mijn mening de ruimte hebben om samen
met de asielzoeker te kunnen werken aan deze problematiek. De hulpverlener is
de persoon die de asielzoeker begeleidt in haar weg naar de integratie. Wanneer
er dan geen oog mag zijn voor de psychische situatie van de asielzoeker en
wanneer er verwacht wordt dat de asielzoeker zelf de eerste stappen richting
inburgering gaat zetten, wordt de behoefte en het kunnen van asielzoekers
totaal over het hoofd gezien.
VluchtelingenWerk werkt volgens de zogenaamde CODA-methodiek. De letters CODA staan
voor:
C= contact leggen, kennis maken, uitleg
geven over VluchtelingenWerk
O= onderzoek, de hulpvraag vaststellen
D= doelstelling,
wat is het doel van de cliënt
A= actie, aanpak, wat moet er gebeuren om
het doel van de cliënt te bereiken
De CODA-methodiek is een dynamisch model. De valkuil hierbij
is dat begeleiders na de fasen ‘contact leggen’ en ‘onderzoek’ meteen door gaan
naar de fase ‘actie’. De CODA-methodiek is een
eenvoudige maar efficiënte methodiek.
Ik heb
zowel met de CODA-methodiek als met de methodiek
‘trajectbegeleiding’ gewerkt. Tijdens mijn stage heb ik met de CODA-methodiek gewerkt en ik heb zelf dan ook ervaren dat
deze methodiek past bij de doelgroep. De cliënt staat in deze methodiek
centraal en er is ruimte om stil te staan bij de geestelijke problematiek van
de cliënt. Nu ik sinds een aantal maanden als trajectbegeleider werkzaam ben
bij het asielzoekercentrum in Franeker, heb ik
ervaring opgedaan met de methodiek ‘trajectbegeleiding’ en daarom durf ik ook
te beweren dat deze methodiek een verarming is voor de hulpverlening omdat deze
methodiek geen ruimte biedt stil te mogen staan bij de geestelijke problematiek
van asielzoekers. Ook mag ik als hulpverlener niet een stap richting de
asielzoekers zetten en moet ik op mijn kantoor blijven wachten tot dat de
cliënt naar mij toe komt.
Los
van het feit dat een methodiek door de trajectbegeleider als een verrijking of een verarming wordt ervaren, is
het een gegeven dat een methodiek structuur brengt in de werkwijze. Ik vind dit
een belangrijk gegeven en daarom ben ik van mening dat voor de
trajectbegeleiders die werken met nieuwkomers een methodiek in het leven moet
worden geroepen. Enkele ideeën die ik hieromtrent heb, zijn uitgewerkt in het
volgende hoofdstuk.
3.4.
Kinderopvang en kinderwens
Kinderen
spelen een belangrijke rol bij vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers.
De meeste vrouwen die zwanger zijn stoppen met het volgen van Nederlandse
lessen. Zwangerschap is een veel voorkomende reden van uitval. De inburgeringstrajecten zijn hier niet op ingericht.
Bovendien betekent het oppakken van het traject na de zwangerschap voor vrouwen
het weer opnieuw beginnen op een lager niveau. Naast het weer oppakken van de
taal komt er nu ook de verzorgingstaak van het kind bij.
Verder is de huidige kinderopvang onvoldoende en zijn er wachtlijsten. Dit ondanks dat nieuwkomers voorrang krijgen. Door deze wachtlijsten kunnen vrouwen niet optimaal deelnemen aan het inburgeringsproces. Ik verwijs hiervoor graag naar de casusomschrijving in hoofdstuk 1.
3.5.
Samenvatting
Het is mogelijk dat
nieuwkomers begeleid worden door vrijwilligers. Ik vind dit geen goede zaak
omdat naar mijn mening de situatie waarin de nieuwkomers zich bevinden dermate
complex is, dat professionele begeleiding hier op zijn plaats is. Verder heeft
de trajectbegeleider een dubbelrol, waardoor de vertrouwensband tussen
trajectbegeleider en cliënt verminderd wordt en de positie van de
trajectbegeleider niet helder is. De trajectbegeleider werkt niet volgens een
vastgelegde methodiek. Zijn taken en zijn positie zijn niet wettelijk
vastgelegd. Hierdoor worden keuzes die de organisatie zou moeten maken, gemaakt
door de trajectbegeleider. Dit is niet correct. Trajectbegeleiders die bij het
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers in dienst zijn en medewerkers van VluchtelingenWerk werken beiden wel met methodieken. Ik
vind het dan ook erg belangrijk dat er een methodiek gere
Sinds de Wet Inburgering Nieuwkomers in werking is getreden, krijgt de doelgroep vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers steeds meer een gezicht. Het is duidelijk geworden dat vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers tegen een aantal knelpunten aanlopen. Het tekort aan kinderopvang, de culturele verschillen met Nederland zijn slechts een aantal punten waar tegen aan wordt gelopen. In dit hoofdstuk geef ik mijn voorstellen van hoe ik denk dat het beter kan.
4.1.
Mijn visie op de Wet Inburgering Nieuwkomers
‘Veranderingen met betrekking tot integratie van vluchtelingen’…een onderwerp wat tegenwoordig een hot item is, nu de landelijke verkiezingen net geweest zijn (zie bijlage III). Over één ding is iedereen het eens; de multiculturele samenleving is uit en er moet geïntegreerd worden. Over de invulling van deze omslag verschillen de politieke partijen ruimschoots van mening. De partijen die meer links geörienteerd zijn, geven er de voorkeur aan dat nieuwkomers zelf een grote rol spelen binnen de integratie. Met de komst van de nieuwe politieke partijen Leefbaar Nederland en Lijst Pim Fortuyn is de discussie over het asielbeleid verhard. Lijst Pim Fortuyn pleit voor een verharde sanctionering wanneer nieuwkomers niet integreren zoals de wet het vastlegt. Op de vraag wat te doen wanneer ook verharde sanctionering geen effect heeft, wist de lijsttrekker geen antwoord te geven behalve dan de zin: ‘Dat zien we dan wel weer’. De tekst van het verkiezingsprogramma van Leefbaar Nederland luidt als volgt: ‘Nederland is niet vol maar het is wel erg druk in ons landje. Binnen een Europees beleid zullen wij een verhoudingswijze bijdrage moeten leveren aan de opvang van politieke vluchtelingen. Het geld dat daarmee bespaard wordt, wordt geïnvesteerd in de opvang van vluchtelingen in hun eigen regio. Procedures worden ingekort tot maximaal zes maanden. De integratie van vluchtelingen is een voorwaarde voor een verder verblijf.’ 6
De vraag is of dwang van uit de politieke hoek nodig is om de integratie te bevorderen. Naar mijn mening is dwang een goede manier om nieuwkomers aan te sporen mits men ook overgaat tot het belonen van positief gedrag of goede prestaties. Verder vind ik het van belang dat de Wet Inburgering Nieuwkomers zich meer richt op maatwerk. Er wordt op dit moment geen rekening gehouden met de rol van de vrouw in het land van herkomst en haar toekomst in Nederland. Wanneer een vrouw na de bevalling van haar kind, niet naar school wenst te gaan omdat ze zich verplicht voelt om op haar kind te passen, zal hier geen begrip voor opgebracht worden. Van de vrouw wordt verwacht dat ze haar normen en waarden richting de opvoeding van kinderen veranderd en dat ze zich aanpast aan de Nederlandse manier van doen en laten. Het zou een vooruitgang zijn als er voor de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer een aanbod geformuleerd wordt, dat aan haar situatie aangepast is. Hierbij valt te denken aan avond- en weekendonderwijs, meer mogelijkheden tot kinderopvang. Vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers zouden zich niet verplicht mogen voelen te kiezen tussen opleiding of de zorg voor hun kinderen.
Over het algemeen vind ik dan ook dat de uitvoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers nog veel te wensen over laat. De tegenstelling tussen het gedwongen nietsdoen van asielzoekers tijdens de asielprocedure en het verplichte inburgeren na toelating is erg groot. Er is te veel nadruk op deelname aan onderwijs en arbeid en te weinig op deelname aan andere maatschappelijke terreinen.
4.2. Aanbeveling
methodiek
Zoals
ik in het vorige hoofdstuk aangaf, vind ik het belangrijk dat
trajectbegeleiders volgens een methodiek gaan werken. Ik vind het belangrijk
dat deze methodiek elementen bevat van de methodieken Taakgerichte
Hulpverlening en Psychotherapie. Ik ben me ervan bewust dat het takenpakket van
de trajectbegeleider flink uitgebreid wordt. Naast het bewaken van het inburgeringstraject moet de trajectbegeleider nu ook oog
hebben voor de psychische problemen van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer.
Hier tegenover vind ik het belangrijk dat het uitvoeren van de sancties uit het
takenpakket van de trajectbegeleider gehaald moet worden. Dit verheldert de
positie van de trajectbegeleider. De Taakgerichte Hulpverlening draagt er toe
bij dat praktische problemen kortdurend, doelgericht en systematisch aangepakt
kunnen worden. De problematiek van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
is vaak complex en doordat er ook praktische problemen spelen, denk ik dat het
hanteren van deze methodiek binnen de hulpverlening, de hulpverlening mogelijk
kan optim
Doordat de trajectbegeleider een vertrouwensrelatie met de vluchtelingen-nieuwkomer heeft opgebouwd is het naar mijn mening best mogelijk vanuit het gegroeide vertrouwen verbanden te gaan leggen tussen de problemen van nu met het recente traumatische verleden en met de levensgeschiedenis van de nieuwkomer. Omdat het praten over psychische problemen en de link leggen van problemen vanuit het verleden naar de problematiek van vandaag de dag relatief nieuw zal zijn voor de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer, is het des te meer belangrijk dat de trajectbegeleider zich aansluit bij de problemen waar de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer mee komt. Wanneer de trajectbegeleider zowel met de Taakgerichte Hulpverlening als met Psychotherapie mag werken is er ruimte om verschillende aspecten aan de orde te laten komen. Er is nu bijvoorbeeld ruimte traumatische ervaringen te verwerken.
Door de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer kennis te laten maken met Psychotherapie zal ze zich tevens een stukje Nederlandse cultuur eigen maken. In de Nederlandse samenleving is het een gegeven dat de oplossing van problemen gedeeltelijk ligt in het praten er over. Buiten de Westerse cultuur is dit veelal niet het geval. Voornamelijk in Azië is men het niet gewend problemen te delen met mensen die geen familie zijn. Door Psychotherapie op te nemen in het inburgeringsproces zal de integratie in de Nederlandse samenleving dan ook bevorderen.
Ik ben
me ervan bewust dat mijn bovenstaande suggesties slechts een druppel op de
gloeiende plaat zijn. Het ontwikkelen van een methodiek heeft nog al wat voeten
in de aarde. De ontwikkeling van de methodiek ‘trajectbegeleiding’ nam
bijvoorbeeld in totaal tien jaar tijd in beslag. Het is voor mij dan ook niet
mogelijk een geheel nieuwe methodiek in deze scriptie tot stand te brengen.
Nader onderzoek en verdere uitwerking zijn noodzakelijk voor een
methodiekontwikkeling. Ik hoop dat ik door het geven van mijn suggesties een
methodiekdiscussie tot stand kan brengen, die binnen de uitvoerende instanties
van de Wet Inburgering Nieuwkomers gevoerd zou moeten worden.
4.3. Vrijwilligers
Ik
vind dat vrijwilligers geen plaats hebben binnen het inburgeringstraject.
Wel vind ik dat vrijwilligerswerk een plaats moet krijgen binnen inburgeringsprogramma’s. De rollen moeten dus omgedraaid
worden. Door vrijwilligerswerk te doen, leren vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
de taal in de praktijk, maken ze kennis met Nederlanders en hun gewoonten en
ervaren ze hoe er in Nederlandse organisaties wordt samengewerkt. De
vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers die het inburgeringsprogramma met succes hebben doorlopen, zouden
als vrijwilligers ingezet kunnen worden. Deze nieuwkomers kunnen als ervarings-deskundigen beschouwd worden en kunnen de brug
tussen de trajectbegeleider en de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer
die aan het begin van haar traject staat, verkleinen. Zo worden er twee vliegen
in één klap geslagen.
Ik
denk dat in re
4.4. Kinderopvang
Capaciteitstekort
in de kinderopvang wordt gezien als één van de oorzaken van knelpunten in de
inburgering van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers.
Het is een absolute noodzaak dat dit tekort wordt opgeheven. Op dit terrein
kunnen zowel autochtone als allochtone vrijwilligers worden ingezet.
Vrijwilligers kunnen onder supervisie van een professionele beroepskracht de
kinderen van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
opvangen. Het is wel belangrijk dat
vrijwilligers getraind worden. Ze moeten kennis hebben van
cultuurverschillen en van de gebruiken en de gewoonten van vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers. Dit geldt zowel voor de
allochtone vrijwilligers als de autochtone vrijwilligers.
Het is verder uitermate belangrijk dat vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers geïnformeerd worden over de mogelijkheden en over de gang van zaken omtrent kinderopvang. In verband met cultuurverschillen kan de drempel voor de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomer hoog liggen om haar kind naar de kinderopvang te brengen. Vrouwen uit Iran hebben bijvoorbeeld geleerd dat het belangrijk is dat haar kinderen tot vier jaar de vrijheid krijgen zich te ontwikkelen. Het is binnen deze cultuur niet gepast kinderen streng te straffen wanneer ze jonger zijn dan vier jaar. Het is daarom belangrijk dat deze vrouwen weten dat er hier in de kinderopvang rekening mee gehouden kan worden. Zoals ik al eerder heb geschreven vind ik het belangrijk dat vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers zich niet verplicht mogen voelen te kiezen tussen opleiding of de zorg voor hun kinderen. Daarom vind ik dat het mogelijk moet zijn dat zij tevens kan kiezen voor avond- en weekendonderwijs.
4.5. Samenvatting
Het is
een goede zaak dat er dwang wordt geplaatst binnen het inburgeringsprogramma,
mits positief gedrag en goede prestaties beloond worden. Het inburgeringstraject zou meer op maat gesneden moeten zijn.
Voor elke cursiste zou een apart inburgeringsplan
moeten worden gemaakt dat aansluit bij haar opleidingsniveau, culturele
achtergrond en maatschappelijke situatie. De taken en positie van de
trajectbegeleider zijn niet wettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat hierin
verandering wordt gebracht. De trajectbegeleiders zouden volgens een
gezamenlijke methodiek moeten gaan werken. Deze methodiek moet elementen uit de
Taakgerichte Hulpverlening en de Psychotherapie bevatten. Vrijwilligers binnen VluchtelingenWerk en Bureau Nieuwkomers moeten van het toneel
verdwijnen. Vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers die
het inburgeringstraject met succes hebben afgerond
moeten hun plaats innemen. Als ervarings-deskundigen
zijn zij van onschatbare waarde. Professionele hulpverleners moeten eveneens de
plaats innemen van vrijwilligers. Tot slot moet de kinderopvang uitgebreid
worden door vrijwilligers en moet er meer informatie over de kinderopvang
gegeven worden aan vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
om zo de drempel tot de kinderopvang te verlagen.
Hoofdstuk
5
Conclusies
en aanbevelingen
In de afgelopen vier hoofdstukken zijn vluchtelingen-nieuwkomers, de doelgroep vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers, de Wet Inburgering Nieuwkomers, positie trajectbegeleider, werkwijze trajectbegeleiders, vrijwilligerswerk en kinderopvang aan bod gekomen. Ik heb dit gedaan door belangrijke informatie en samenvattingen te geven en dit alles toe te passen op door mij beschreven praktijksituaties.
Nog één keer de probleemstelling:
‘Hoe
kunnen vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers
integreren in de Nederlandse maatschappij, welke rol speelt de hulpverlening
hierbij en hoe zou dit beter kunnen’.
5.1. Conclusies
Als ik het geheel bekijk dan zie ik een aantal ontwikkelingen op verschillende niveaus. Op macroniveau, het niveau van de overheid en de Nederlandse samenleving, komt naar mijn idee steeds meer de nadruk te leggen op zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de vrouwelijke vluchtelingen-nieuwkomers. De discussie over integratie is losgebarsten en de weg naar een zakelijke en efficiënte manier van aanpak is in gang gezet. Tevens is er een verschuiving van verantwoordelijkheden en bevoegdheden te zien, van landelijke overheden naar gemeentelijke overheden. Ook is er een groei van het aantal nieuwkomers in Nederland, die als toekomstperspectief