Woord vooraf
In 1993 begon ik aan
mijn opleiding aan de H.S.A.O. te 's-Hertogenbosch.
Na het propedeusejaar
koos ik voor de richting Maatschappelijk Werk en Dienstverlening. Het derde
jaar van deze richting bestond uit een stage van tien maanden. Ik ben toen
stage gaan lopen bij het Instituut voor Maatschappelijk Werk (IMW) in Tilburg.
Tijdens dat jaar werd besloten dat mijn stage niet beperkt zou blijven tot de
gebruikelijke tien maanden maar met een jaar verlengd zou worden. Dit bleek geen
overbodige luxe!
Na dat tweede jaar kon
ik mijn stage met veel voldoening afronden en terugkijken op een leerzame,
leuke periode.
Inmiddels ben ik
aanbeland in het vierde, en tevens laatste jaar van mijn opleiding. Om deze af
te kunnen sluiten met een diploma moest er een eindwerkstuk geschreven worden.
Het was een hele bevalling, maar het voor u liggende werk is het eindresultaat
van vijf jaar studeren. Het is een (summiere) weergave van zowel theorie als
praktijk, gericht op het door mij gekozen onderwerp (non-verbaal gedrag van de
cliënt).
Ik wil iedereen bedanken
die mij de afgelopen vijf jaar gesteund heeft in praktische en/of emotionele
zin. Daaronder vallen o.a. mijn familie, mijn vriend, collega's en
werkbegeleiders van het IMW en docenten van de H.S.A.O. Zonder deze steun en
hulp zou de weg naar het diploma een stuk hobbeliger zijn geweest!
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Ter
inleiding
1.1 Keuze van het onderwerp
1.2 De stage-instelling
1.3 Opbouw van deze scriptie
Hoofdstuk 2
Probleemstelling
2.1 Wat kan er mis gaan?
2.2 Praktijkervaringen
2.3 Mijn probleemstelling
Hoofdstuk 3
Non-verbaal gedrag
3.1 Wat is non-verbaal gedrag?
3.2 Vormen van non-verbaal gedrag
3.3 De betekenis en funktie van non-verbaal
gedrag
3.3.1 De accentuerende
funktie van non-verbaal gedrag
3.3.2 Betekenis van
non-verbaal gedrag voor de spreker zelf
3.3.3 De communicatieve
funktie van gebaren tijdens het spreken
3.4 Hoe
neem ik, als visueel gehandicapte maatschappelijk
werker, het non-verbale gedrag van
de cliënt waar?
Hoofdstuk 4
Bruikbare technieken bij gedragsverandering uit de communicatietheorie
4.1 Communicatietheorie
4.2 Wat te doen bij incongruentie?
4.3 Het belang van communicatievaardigheden
4.4 Het aanleren van communicatievaardigheden
4.5 Bewustwording van ineffectief non-verbaal
gedrag
4.6 Weerspiegelen
4.7 Modelfunktie van de maatschappelijk werker
4.8 Registratie
4.9 Feed back en modellen
4.10 Gedragsoefening
Hoofdstuk 5
Reflectie op het geheel
5.1 Mijn werkwijze
5.2 Praktijkvoorbeeld A
5.3 Conclusies
Literatuuropgave
Hoofdstuk 1 Ter
inleiding
Paragraaf 1.1
Keuze van het onderwerp
Waarom koos ik
voor het schrijven over (problemen met) non-verbaal gedrag in deze scriptie? Op
het eerste gezicht misschien verwonderlijk voor iemand die visueel gehandicapt
is. Toch vormde mijn handicap mede de aanleiding tot het onderzoeken van de
rol, betekenis en gevolgen van lichaamstaal in menselijke relaties en
communicatie.
Voordat ik blind
werd, was ik me niet bewust van deze vorm van communicatie. Natuurlijk zag je
het wel wanneer iemand nerveus of gespannen was. Je paste daar je woordkeus en
gedrag op aan om de ander op z'n gemak te stellen. Soms lukte dat, soms niet.
Maar je was er niet mee bezig wat de invloed was van het non-verbale gedrag van
de ander.
Ook nadat ik
blind was geworden hield ik me hiermee niet bezig. Ik had inmiddels geen
visuele waarneming meer maar kon toch het één en ander 'halen' uit de stem en
het stemgebruik. Deze informatie hoort ook tot het non-verbale gedrag.
In 1995 begon ik
aan mijn stage bij het Instituut voor Maatschappelijk Werk in Tilburg. Tijdens
de gesprekken met cliënten werd ik geconfronteerd met het feit dat ik hen niet
kon zien. Ik wist niet hoe ze eruit zagen en miste soms ook hun gezichtsuitdrukkingen.
Zeker op momenten dat er een stilte viel had ik toch wel graag even willen zien
hoe zij erbij zaten en hoe ze keken! Ik was dan genoodzaakt te vragen naar hun
gevoel en naar wat er in hen omging.
Ik ontdekte
echter dat ik ook veel informatie kreeg uit andere aspecten van hun gedrag,
zoals hun houding bij het binnenkomen en weggaan (afwachtend, terughoudend,
aarzelend een hand gevend en dergelijke), hun stem en stemgebruik. Ik ontdekte
dat ik het kon horen als ze nerveus waren. Hierop kon ik vervolgens mijn manier
van praten en vragen stellen afstemmen.
Ik ging me er
bewuster mee bezighouden en concludeerde dat het non-verbale gedrag van de
cliënt relatief veel invloed had op mijn (niet-visuele) beeld van hen, op mijn
houding ten opzichte van hen en op mijn manier van praten.
Weer later had
ik contacten met cliënten waarvan ik vermoedde dat hun non-verbale gedrag een
van de oorzaken kon zijn van (het in stand houden van) problemen die zij hadden
met contacten met andere mensen, zoals vrienden en familie. Het bleek tijdens
die gesprekken dat hun lichaamstaal niet in overeenstemming was met hun
innerlijk. Van binnen schreeuwden ze als het ware om hulp, een luisterend oor
en begrip, maar van buiten (in lichaamstaal) zeiden ze: "Er is niks aan
de hand, ik red me wel!"
Uit onderzoek is
gebleken dat mensen bij discrepanties tussen verbaal en non-verbaal gedrag
hoofdzakelijk letten en ingaan op het non-verbale gedrag.
Het non-verbale
gedrag roept eerder een directe, gevoelsmatige reactie op dan het verbale. De
kans kon bestaan (zo veronderstelde ik) dat vrienden en familieleden ook meer
vertrouwden op de lichaamstaal. Geen wonder dat de cliënt tekort kwam; zijn
behoeften werden op die manier niet vervuld. Uiteindelijk wendden zij zich tot
het maatschappelijk werk omdat hun problemen ondraaglijk werden en zij het
gevoel hadden in de steek gelaten te worden door hun omgeving. Natuurlijk kon
dit andere oorzaken hebben. Hiernaar ben ik op zoek gegaan en heb me tevens
gericht op het zich non-verbaal uiten van de cliënt en onderzocht dit gedrag
met hen.
Ik ben van
mening dat non-verbaal gedrag te weinig aandacht krijgt in de opleiding. Ook in
de praktijk wordt hierover nauwelijks gesproken. Zo kwam het tijdens mijn
werkbegeleiding niet of nauwelijks aan bod. Als collega's spraken over hun
contacten met cliënten ging het slechts over het inhoudsniveau, dus alleen
over wat de cliënt zei, deed of n
Ik heb dit
onderwerp zo interessant gevonden dat ik middels mijn scriptie meer te weten
wilde komen over de mogelijkheden die de theorie over communicatie en gedragsverandering
biedt om cliënten bewust te maken van hun manier van zich uiten, de gevolgen
hiervan en manieren om gedragsverandering te bewerkstelligen.
Hiertoe
bestudeerde ik het boek 'Gedragsverandering in gezinnen' door Alfred Lange. In
feite is de inhoud van dit boek gericht op cliëntsystemen van twee of meer
personen zoals gezinnen en (echt)paren. Niettemin achtte ik enkele aspecten uit
zijn theorie bruikbaar in de individuele hulpverlening. De problemen die ik
constateerde bij cliënten hadden wel betrekking op hun interactie met mensen
uit hun sociale netwerk maar waren niet uitsluitend te duiden als
relatieproblemen.
Tevens verdiepte
ik me in de literatuur over non-verbaal gedrag. Ik heb echter nauwelijks
literatuur gevonden waarin het door mij geschetste probleem expliciet behandeld
werd. Alleen in het boek van Gerard Donkers (Emancipatie en hulpverlening;
werken met individuen en groepen, 1988) werd hieraan aandacht besteed. In de
overige boeken werd enkel ingegaan op de rol en funktie van non-verbaal gedrag.
Ook in vakliteratuur (over hulpverlening) kwam dit onderwerp slechts
zijdelings aan bod.
Paragraaf 1.2 De
stage-instelling
In september '95
begon ik aan mijn stage bij het Instituut voor Maatschappelijk Werk (IMW) te
Tilburg. Ik was werkzaam op bureau Noord. In de loop van dat jaar werd in
onderling overleg besloten mijn stage met een jaar te verlengen. Dit had met
name te maken met mijn manier van omgaan met mijn blindheid en problemen die
hieruit voortvloeiden. Een tweede stagejaar zou mijn ontwikkeling alleen maar
ten goede komen!
Ik kon binnen
het IMW blijven werken maar kwam nu terecht op bureau Zuid.
Hierdoor kon ik
een frisse start maken in een nieuw team en met andere cliënten. Mijn stage heb
ik als zeer interessant, uitdagend en leerzaam ervaren. Vooral in het tweede
jaar dat ik er werkte, ging mijn ontwikkeling met sprongen vooruit.
De werksoort
(algemeen maatschappelijk werk) spreekt me erg aan. Ik kwam in aanraking met
mensen uit allerlei 'lagen' van de bevolking en met de meest uiteenlopende
problemen. Dit trok me steeds erg aan.
Het probleem dat
ik signaleerde met het non-verbale gedrag van cliënten was overigens niet
leeftijds-, sexe- of statusgebonden.
Paragraaf 1.3
Opbouw van deze scriptie
In het volgende
hoofdstuk (hoofdstuk 2) komt de probleemstelling aan de orde. Ik begin met het
beschrijven van wat er mis kan gaan met de non-verbale communicatie en waarom
deze tot onbevredigende interacties kan leiden. Hierbij geef ik drie
praktijkvoorbeelden uit het tweede jaar van mijn stage (paragraaf 2.2). Het
werken met de cliënten uit de beschreven voorbeelden leidde ertoe dat ik me
verder ging interesseren voor het non-verbale gedrag. Deze interesse wordt in
het laatste deel van dit hoofdstuk samengevat in de vorm van een probleemstelling.
In het derde
hoofdstuk ga ik in op het onderwerp non-verbaal gedrag. Eerst zal ik hiervan
een omschrijving geven. Vervolgens ga ik in op de betekenis en funktie van
non-verbaal gedrag, met name voor de hulpverlening (paragraaf 3.3). Als laatste
onderdeel van dit hoofdstuk beschrijf ik hoe ik, als visueel gehandicapte
maatschappelijk werker, het non-verbale gedrag van de cliënt waarneem.
Hoofdstuk 4 gaat
over technieken die ingezet kunnen worden om gedragsverandering op gang te
brengen. Hierin worden onder andere registratie-opdrachten en
gedragsoefeningen beschreven.
In het laatste
hoofdstuk zal ik een koppeling maken tussen de theorie en mijn werkwijze. Aan
de hand van één van de praktijkvoorbeelden bekijk ik hoe ik in de toekomst zou kunnen
werken met het non-verbale gedrag van de cliënt, waarbij ik gebruik kan maken
van de theorie over communicatie en gedragsverandering.
Aan het eind
trek ik hieruit een negental conclusies. Deze scriptie sluit ik af met vier
stellingen.
Hoofdstuk 2
Probleemstelling
In dit hoofdstuk
wil ik beschrijven op welke manieren problemen kunnen ontstaan die te maken
hebben met non-verbaal gedrag. De lichaamstaal speelt zich grotendeels op een
onbewust niveau af. Zodoende komen cliënten niet met een hulpvraag die verband
houdt met hun non-verbale communicatie. Het kan zelfs gebeuren dat ik, als
maatschappelijk werker, de eerste ben die hen attendeerde op hun gedrag, manier
van praten en dergelijke.
Communicatie
heeft een circulair karakter. Er is sprake van voortdurende wederzijdse
beïnvloeding. Ieder gedrag is een reactie op gedrag van de ander maar deze
reactie is net zo goed een boodschap die
de ander weer laat reageren. Ook de lichaamstaal kan de eerste boodschap zijn
waarop de rest van het communicatieproces is gebaseerd. Het laat zich wel raden
wat de gevolgen kunnen zijn als er in die eerste boodschap al een hapering of
storing zit!
Alvorens mijn
probleemstelling te formuleren, geef ik aan wat er mis kan gaan in het
(non-verbale) communicatieproces (paragraaf 2.1) en licht dit vervolgens met
enkele voorbeelden uit mijn praktijkervaring toe (paragraaf 2.2).
Paragraaf 2.1
Wat kan er mis gaan?
Een probleem met
non-verbaal gedrag kan zijn dat de manier waarop de cliënt zich presenteert
niet in overeenstemming is met zijn innerlijk, zijn ware ik, zijn ware
gevoelens. Dit innerlijk kan tot uiting komen in zijn lichaamstaal doordat zijn
non-verbale reacties wijzen op zijn emoties en ware gedachten en gevoelens. Dat
kan blijken uit zijn stem. Deze klinkt bijvoorbeeld agressief of juist zacht,
nerveus of fel. Ook kunnen zijn echte gevoelens blijken uit lichaamsspanning,
nerveuze trekjes, rode vlekken en dergelijke.
Maar soms
verhult zijn lichaamstaal juist zijn werkelijke ik, gevoelens en behoeften. Een
persoon praat bijvoorbeeld op een onverschillige toon en zit er onderuit
gezakt, ongeïnteresseerd bij. Deze houding weerspiegelt echter niet zijn
werkelijke gevoel. Maar het kan zijn dat hij, bijvoorbeeld uit angst, niet zijn
ware gevoel durft te laten zien, bang is om gekwetst te worden. Hij wil
zijn ware ik wel laten zien maar zijn angst is te groot. Daarom neemt hij een
houding aan die mensen eerder afstoot. Op die manier kan hij in ieder geval
niet gekwetst worden. Het probleem is echter dat hij met zijn gevoel blijft
zitten en dat zijn behoeften niet vervuld worden. In dat geval speelt zijn lichaamstaal, zijn
non-verbale boodschap, een rol in het ontstaan en voortbestaan van problemen.
De omgeving (het sociale systeem) heeft immers geen weet van de werkelijke
behoeften en gevoelens van de persoon. Vervolgens zal men hierop niet ingaan,
gewoonweg omdat ze dat niet kunnen.
In deze situatie
is het van belang dat hij leert zich op een effectievere, meer congruente
manier te gedragen waarbij zijn lichaamstaal eerder een ondersteunende funktie
heeft ten aanzien van het uiten van zijn gevoelens en behoeften. Ik wil niet
veronderstellen dat de lichaamstaal de enige oorzaak kan zijn voor het
probleem.
Wel kan het
ertoe bijdragen dat problemen in stand gehouden worden en soms zelfs gaan
ontstaan. Een andere oorzaak is bijvoorbeeld subassertiviteit. Maar hierop wil
ik verder niet ingaan.
Paragraaf 2.2
Praktijkervaringen
Voorbeeld A
Vorig jaar
ontmoette ik tijdens mijn stage een meisje dat nogal opvallend gedrag vertoonde.
Marja was in haar gedrag onverschillig, een beetje stoer en deed zich heel
zelfverzekerd voor. Dit viel me voornamelijk op aan haar manier van praten. Ze
had een sterk dialect, praatte vrij hard en snel. Ook legde ze op bepaalde
woorden een nadruk, op een felle, bitserige toon. Verder kwam ze door haar
manier van praten heel dominant en agressief over. Ik vond haar zo'n type waar
je maar beter geen ruzie mee kon krijgen!
Ondertussen
vertelde Marja wel over heel aangrijpende gebeurtenissen in haar leven en de
problemen die ze daarmee had. Haar vader was onlangs gestorven (euthanasie) en
ze woonde weer bij moeder. De relatie met haar was slecht. Haar moeder schold
en tierde en regelmatig deelde ze klappen uit. Het gedrag van mijn cliënt c.q.
haar houding was op dat moment niet in overeenstemming met haar innerlijke
wereld en de inhoud van haar woorden. Zou ik af zijn gegaan op haar gedrag, dan
zou ik waarschijnlijk over de letterlijke inhoud van haar woorden heen zijn
gestapt, waardoor ik hier mogelijk niet op in was gegaan. Lette ik alleen op de
verbale boodschap, dan zou ik geen verband hebben kunnen leggen tussen Marja's
gedrag, uitingsvorm, en problemen met contacten met vrienden, kennissen,
klasgenoten en dergelijke. Misschien zelfs met het contact met haar
moeder.
Mogelijkerwijs
vertoont Marja zulk gedrag ook als ze bij haar vrienden is. Het is niet
ondenkbaar dat haar vrienden ingaan op wat ze zien, op haar gedrag. Ze wekt
daarmee de indruk dat het allemaal wel gaat, dat er niks aan de hand is, dat ze
zich wel redt. De werkelijkheid is echter anders. Ze heeft grote behoefte aan
hun aandacht, begrip en interesse. Ze wil het liefst met hen praten over haar
problemen. Natuurlijk kan Marja dit aangeven door het te zeggen maar dat
vermogen is niet iedereen gegeven!
Voor mij vormde
deze discrepantie tussen verbaal en non-verbaal gedrag de aanleiding om in te
gaan op haar non-verbale gedrag en op hoe ze op mij overkwam. Daarbij gaf ik
aan dat ik uit haar verhaal kon opmaken dat ze veel pijn en verdriet had en dat
de behoefte aan een luisterend oor en begrip groot was. Ook vertelde ik dat ik
dit niet zou zeggen als ik alleen af zou gaan op haar gedrag en manier van
praten (het 'hoe'). Ik heb hier uitleg over gegeven en Marja begreep wat ik
bedoelde. In eerste instantie was ze stil, toen begon ze te huilen. Eigenlijk
wist ze niet eens meer wie ze was en wat ze nou voelde. In ieder geval was ze
thuis gewend om zo te praten. Je moest bijna schreeuwen of gillen om aandacht
te krijgen, zo vertelde ze.
We zijn daarna
samen gaan bekijken hoe ze, op een meer constructieve en effectieve manier,
ervoor kon zorgen dat ze zich ging gedragen in overeenstemming met haar
werkelijke aard, behoeften en gevoelens.
Voor haar was
het bedreigend om zich kwetsbaar op te stellen. Dit kwam niet zomaar, maar had
oorzaken die in haar jeugd lagen. Daaraan moest toen eerst gewerkt worden
alvorens zij zich 'anders' kon opstellen. Wel kon alvast geoefend worden met
'nieuw' gedrag. Dit kon Marja tevens inzicht geven in haar gevoelens en
behoeften en de manier waarop ze die uitte. Daarom wees ik haar er op wanneer
ze weer verviel in haar oude patroon. Op dat moment kon ze bij zichzelf nagaan
wat er precies in haar speelde en waarom ze zich uitte zoals ze deed.
In dit voorbeeld
komt een vorm van incongruentie (zie paragraaf 4.2) naar voren maar er zijn ook
andere vormen van non-verbaal gedrag die problemen kunnen geven.
Vaak is het
gedrag dat afwijzend, onverschillig, ongeïnteresseerd overkomt. Dit hoeft zo
niet bedoeld te zijn maar kan voortkomen uit bijvoorbeeld onzekerheid,
verlegenheid of subassertiviteit. Ook dan is het zaak de cliënt bewust te maken
van de invloed die uitgaat van zijn lichaamstaal en welke gevolgen dat heeft op
zijn contacten en relaties met andere mensen. Deze gevolgen kunnen naar mijn
idee namelijk bekrachtigend, versterkend werken op het gedrag, maar met name op
het zelfbeeld en op hun onzekerheid.
Voorbeeld B
In het begin van
het tweede jaar dat ik stage liep hield ik een intake met een jonge vrouw,
Marij (30 jaar). Al meteen viel me op dat ze bedeesd, een beetje verlegen of
onzeker overkwam. Ik kon toen nog niet zeggen wat het precies was of waaruit
het voortkwam. In de volgende gesprekken veranderde er niks aan haar houding,
ook niet nadat we er al zo'n 10 gesprekken op hadden zitten. Marij bleef altijd
een beetje in de deuropening staan drentelen en kwam pas binnen als ik zei dat
ze wel binnen mocht komen. Haar jas trok ze pas uit als ik erom vroeg en gaan
zitten deed ze ook niet uit zichzelf. De hand die ze gaf was slap en aarzelend.
Dat alles bij elkaar gaf me al een indruk. Maar was die wel juist?
In haar praten
bleek ze niet veel anders te zijn. Uit zichzelf iets vertellen deed ze niet. Ik
moest alles er zo ongeveer uittrekken. Marij praatte zachtjes. Ze kwam niet op
me over als iemand die vol energie zit en wil werken aan haar leven en
problemen. Ze was erg onzeker over haar mogelijkheden c.q. capaciteiten.
Daarbij verwees ze steeds naar haar jeugd waarin ze veel niet had geleerd en
het daarom 'dus' ook nu niet zou kunnen. Vrienden had Marij niet. Met een paar
collega's had ze contact, maar alleen tijdens werktijd. Wel zou ze graag wat
meer contacten willen.
Ik ging bij
mezelf na welk gevoel Marij me gaf, welke indruk ik van haar had. Het stoorde
me soms dat er geen initiatief kwam vanuit haar richting en dat ze niks uit
zichzelf vertelde. Op mijn vragen gaf ze vaak ook maar korte antwoorden, alleen
het hoognodige.
Zou ze dit
alleen bij mij doen, vond ze het onderwerp moeilijk of was ze gewoon zo?
Marij's ware
aard werd voor een deel weerspiegeld in haar non-verbale gedrag. Dit ging
echter niet op voor haar behoefte aan contact, vriendschap, aandacht.
Alles wat ik me
hierbij afvroeg kwam voort uit haar non-verbale communicatie en vormde voor mij
de aanleiding dit nader te onderzoeken om te bekijken in hoeverre er
mogelijkheden waren daar verandering in aan te brengen.
Zodoende ging ik
na hoe haar sociale contacten eruit zagen, hoe ze reageerde als iemand haar het
voorstel deed samen iets leuks te gaan doen, of ze zelf wel eens iets
dergelijks voorstelde, enz. Ook ging ik na of ze zelf ooit het initiatief nam
tot contact. Haar antwoorden waren vervolgens aanknopingspunten om in onze
gesprekken aandacht aan te besteden. Toch miste ik de houvast die ik zou kunnen
ontlenen aan een theorie of methodiek.
Natuurlijk komt
het ook voor dat het non-verbale gedrag wel in overeenstemming is met de
verbale communicatie. Dit neemt niet weg dat ook in die gevallen de
lichaamstaal voor 'problemen' kan zorgen. Vaak is het dan nodig te werken aan
de oorzaken van bepaald gedrag, waardoor het non-verbaal gedrag, op den duur,
vanzelf verandert.
Toch ben ik van
mening dat de lichaamstaal aandacht hoort te krijgen. Mensen reageren vaak op
dat (non-verbale) gedrag. En deze reactie kan afwijzend zijn wanneer een
persoon onverschillig of ongeïnteresseerd overkomt. In werkelijkheid komt die
houding voort uit onzekerheid, verlegenheid of gevoelens van minderwaardigheid
(voorbeeld C). En die gevoelens worden versterkt en bekrachtigd als een ander
persoon afwijzend op hen reageert ("Zie je wel dat ze me niet mogen en dat
ik niet leuk genoeg ben!"). Je krijgt dan een soort self fullfilling
prophecy. Daarom is het belangrijk dat de cliënt zich bewust wordt van hetgeen
zijn gedrag oproept bij de ander.
Voorbeeld C
Een cliënt van
me, Eva, voelde zich minderwaardig. Ze was onzeker over zichzelf, haar gedrag,
haar mening, haar uiterlijk en dergelijke. Ze wist alles wat positief was zo om
te keren dat het alsnog negatief werd. Daarbij projecteerde ze erg veel van
haar eigen manier van denken en doen op andere mensen. Haar innerlijk werd in
Eva's geval niet overschaduwd door een stoere, zelfverzekerde houding.
In Eva's
non-verbale gedrag kwam haar onzekerheid juist tot uiting. Dit maakte ik op uit
haar manier van praten (aarzelend, zacht, naar bevestiging vragend) en uit haar
houding (ze kwam niet zelfverzekerd de kamer binnen maar bedeesd, zichzelf
bijna verontschuldigend).
Het is te
begrijpen dat de houding en het gedrag van Eva effect hadden op mensen in haar
omgeving. Vriendinnen van school werden soms moe van haar geaarzel en
voortdurende vraag om bevestiging. Ook hadden zij er moeite mee dat Eva
twijfelde aan hun oprechtheid ten aanzien van hun contact met haar.
In dit voorbeeld
was het noodzakelijk te werken aan haar gevoelens van onzekerheid en
minderwaardigheid. Eva had al ooit meegedaan aan een cursus sociale
vaardigheden maar dit had haar niet verder geholpen. In haar geval zat haar
onzekerheid echt van binnen en kon niet veranderd worden door uitsluitend te
'sleutelen' aan haar non-verbale communicatie en door haar communicatieregels
te leren.
Eva's
non-verbale gedrag was immers in overeenstemming met haar innerlijk, haar
binnenwereld. En daar lag dus het aangrijpingspunt.
Toch heb ik wel
met Eva gekeken naar haar manier van praten. Zo vroeg ik of er zaken in haar
leven waren waarover ze erg tevreden was of waar ze zich zeker over voelde. Die
bleken er te zijn. Ik heb haar hierover laten vertellen en goed geluisterd of
haar stem en manier van praten nu anders klonken. Dit was inderdaad het geval.
Ik heb haar gewezen op dit verschil en zelf had ze het ook zo ervaren. Daarna
zijn we gaan oefenen met het aanleren van dit 'nieuwe gedrag', wat dus
voornamelijk bestond uit een andere manier van praten, waarin ze zichzelf meer
liet horen.
Paragraaf 2.3
Mijn probleemstelling
De voorbeelden
uit paragraaf 2.2 leidden ertoe dat ik wilde onderzoeken welke mogelijkheden de
theorie biedt om, met behulp van het non-verbale gedrag, gedragsverandering te
bewerkstelligen. Tot op heden ging ik af op mijn intuïtie en op de
(theoretische) basis die zich intussen had gevormd. Ik hoopte echter dat de
theorie structuur zou kunnen aanbrengen in mijn werkwijze.
Al doende kwam
ik tot de volgende probleemstelling:
Hoe kan ik, als
visueel gehandicapte maatschappelijk werker bij het amw, met behulp van enkele
aspecten uit de communicatietheorie, werken met het non-verbale gedrag van
cliënten teneinde een veranderingsproces op gang te brengen?
Hoofdstuk 3
Non-verbaal gedrag
Om het thema
'non-verbaal gedrag' handen en voeten te kunnen geven, heb ik me verdiept in de
literatuur. Hierna was ik in staat een omschrijving te geven van lichaamstaal.
Vervolgens zal ik ingaan op de betekenis en funktie van lichaamstaal in de
hulpverlening.
Als laatste
onderdeel geef ik aan hoe ik, als visueel gehandicapte
maatschappelijk
werker, het non-verbale gedrag van de cliënt waarneem, wat mijn mogelijkheden
en beperkingen daarin zijn. Hierbij zal ik ter verduidelijking enkele
praktijkvoorbeelden geven.
Paragraaf 3.1
Wat is non-verbaal gedrag?
Non-verbaal
gedrag is alle gedrag wat weerspiegeld wordt in hoe iemand iets zegt.
Het gaat daarbij dus niet om de inhoud van iemands woorden. Wel gaat het om
bijvoorbeeld de toon en het tempo waarmee iemand spreekt. Ook gebaren, die de
woorden ondersteunen, en gezichtsuitdrukkingen zijn vormen van non-verbaal
gedrag. In paragraaf 3.2 zal ik deze op een rijtje zetten.
Wanneer iemand
iets tegen een ander zegt is dat de zender en de aangesprokene de ontvanger.
Datgene wat de zender aan de ontvanger overbrengt is de boodschap. Bij
communicatie spelen deze drie elementen een centrale rol. Wanneer de zender van
de taal gebruik maakt, is er sprake van verbale communicatie. Worden er andere
middelen gebruikt zoals gebaren en afbeeldingen, dan noemen we dat non-verbale
communicatie.
De ontvanger is
in geen geval passief. Hij kent betekenis toe aan zijn omgeving, inclusief aan
de tekens die in deze omgeving voorkomen en die al dan niet door de zender
beschikbaar worden gesteld voor hem of voor anderen. Zowel bij de verbale als
non-verbale informatie doet de ontvanger
veel meer dan gewoon maar ontvangen. Door zijn actieve inbreng of zelfs
ingreep bepaalt hij in sterke mate het resultaat van het communicatieproces.
In een algemeen
communicatie-theoretisch perspectief is menselijke of sociale communicatie een
proces waarbij een zender door middel van een kanaal tekens en signalen,
gegevens tracht ter beschikking te stellen aan de ontvanger met de intentie
deze door hem te laten verwerken tot informatie met een door de zender bedoelde
betekenis.
Maar soms zijn
deze signalen en tekens niet bedoeld. Ze worden door het lichaam (onbewust)
uitgezonden en zijn niet altijd in overeenstemming met de werkelijke
bedoelingen van de zender.
Paragraaf 3.2
Vormen van non-verbaal gedrag
In de literatuur
vond ik verschillende voorbeelden van vormen van de lichaamstaal.
Deze heb ik
geordend en hieronder puntsgewijs weergegeven:
* lichamelijk
gedrag zoals houding, gebaren, wijze van bewegen
*
gezichtsuitdrukkingen zoals glimlachen, fronsen, opgetrokken wenkbrauwen,
opeengeperste lippen
* stemgebruik
zoals timbre, toonhoogte, volume, intensiteit, stembuigingen, pauzes tussen
woorden, nadruk, stiltes en het al dan niet vloeiende verloop van de
uitgesproken zinnen
* waarneembare
autonome, fysiologische responsen zoals een versnelde ademh
* fysieke kenmerken
zoals het al dan niet in goede conditie zijn, lengte, gewicht, gelaatskleur, en
dergelijke
* algeheel
voorkomen zoals het verzorgen van het uiterlijk en de wijze van kleden.
Paragraaf 3.3 De
betekenis en funktie van non-verbaal gedrag
Het is belangrijk
na te gaan op welke wijze lichaamstaal aanwezig is in hulpverleningsgesprekken
en te onderzoeken wat mensen in feite met hun lichaamstaal doen. Niet alleen in
gesprekken tussen hulpverlener en cliënt, maar in alle contacten spreekt het
lichaam zijn eigen taal.
Toch is er in
verband met maatschappelijk werk betrekkelijk weinig systematische aandacht
geschonken aan het onderwerp.
Deze
verwaarlozing is ook te vinden in verwante disciplines. Freud heeft zelden iets
over non-verbale communicatie gezegd, ondanks zijn opmerking dat "wie oren
heeft om te horen en ogen om te zien" zich ervan kon overtuigen dat geen
sterveling in staat is een geheim te bewaren. Als zijn mond zwijgt praat hij
met zijn vingertoppen, zelfverraad sijpelt door al zijn poriën naar buiten.
In de
psychologie en psychiatrie is enige tijd geleden aandacht aan het onderwerp
besteed maar de ontwikkeling van een systematisch onderzoek werd gehinderd door
het ontbreken van een techniek die het mogelijk maakt non-verbale communicatie
te vangen voor analyse. In het algemeen is het onderzoek van non-verbale
communicatie verder gevorderd met betrekking tot de beschrijving en codificatie
van gedrag dan in het vaststellen van de betekenis van dit gedrag (zie
Kadushin).
In de gevallen
waarin taal en lichaamstaal elkaar tegenspreken wordt het lichaam eerder
geloofd dan de gesproken woorden. Ook uit onderzoek blijkt dat mensen bij
incongruentie van verbale en non-verbale informatie eerder op de non-verbale
informatie zullen vertrouwen. Mehrabian (1971) meldde in zijn onderzoeken dat
mensen slechts voor 7% vertrouwden op de letterlijke inhoud van een boodschap,
voor 38% op stemeigenschappen, zoals intonatie, stemhoogte en spreeksnelheid,
en voor 55% op informatie die ze via lichaamstaal verkregen. De lichaamstaal
verschaft betrouwbaarder informatie dan de letterlijke woorden.
Opvallend in het
onderzoek van Mehrabian zijn niet zozeer de percentages maar wel het feit dat
non-verbaal gedrag duidelijk belangrijk is in het communicatieproces.
Sarcasme is een
voorbeeld waarbij iemand iets tegenovergestelds zegt van hetgeen hij werkelijk
bedoelt. De werkelijke bedoelingen worden dan met behulp van intonatie
aangegeven.
Ook hier is
meteen weer duidelijk dat mensen sterker reageren op non-verbale signalen dan
op de letterlijke inhoud van de woorden.
Immers, de
meeste volwassenen hebben niet veel moeite om een sarcastische opmerking te
onderscheiden van een serieus bedoelde boodschap.
Gewoonlijk
spreken taal en lichaamstaal elkaar niet tegen. maar ook als beide overeenkomen
bepaalt de manier waarop en de kracht waarmee het lichaam de taal begeleidt in
belangrijke mate de bereidheid van mensen om ook daadwerkelijk iets met een
boodschap te doen.
De
belangrijkheid van lichamelijke communicatie wordt bewezen door de talloze op
het lichaam betrekking hebbende uitdrukkingen die metaforisch worden gebruikt,
zoals een uitnodigende glimlach, een dodelijke blik, sprekende ogen.
Ook in andere
uitdrukkingen spelen delen van het lichaam een rol. Vaak duiden ze op gevoelens,
die gesymboliseerd worden door het lichaam. Voorbeelden hiervan zijn: tegen het
zere been, er de buik vol van hebben, een gebroken hart, het gaat me na aan het
hart, m'n hart maakte een sprongetje.
Een ander soort
uitdrukkingen waarin het lichaam een rol speelt zijn:
een oogje
toeknijpen, uit het oog uit het hart, het niet voor de kiezen krijgen, met de
billen bloot gaan, op de knieën smeken, met de hakken over de sloot, op de
tenen moeten lopen.
Het non-verbale
gedrag kan informatie geven over de ervaringen en de beleving daarvan die in
woorden niet of nauwelijks tot uitdrukking komt, of zelfs tegengesproken wordt.
Volgens Watzlawick communiceert een persoon
altijd non-verbaal omdat zijn lichaam altijd iets uitdrukt. In die zin
communiceert een persoon permanent iets, ook al zegt hij niks (met andere
woorden: je kunt niet niet communiceren). Stilte op zichzelf heeft vaak ook een
betekenis. Bij stiltes is het goed om het non-verbale gedrag waar te nemen. Dit
gedrag kan dan informatie geven over wat er binnenin de persoon gebeurt.
Zogezegd kan een
persoon dus niet niet communiceren. In woorden kun je iets ontkennen, gedrag
kan dat echter niet. Woorden kunnen iets beweren over woorden, maar gebaren
kunnen niet iets beweren over gebaren. Ze kunnen hooguit tegenstrijdig zijn
(Bos, 1991).
Zo kan iemand
bijvoorbeeld wel zeggen dat hij niet boos is maar in zijn gedrag kan hij niet
aangeven dat hij niet boos is. Hij kan deze boodschap in ieder geval niet
bewust uitzenden door middel van zijn lichaamstaal. Hiervoor zijn we aangewezen
op de verbale communicatie.
Als iemand
reageert op een vraag die hem gesteld wordt, maakt hij non-verbaal een proces
door. Zodoende kun je altijd antwoord krijgen op je vragen zolang je maar
beschikt over voldoende zintuiglijke waarneming om de reacties op te vangen. En
vaak is het verbale of bewuste gedeelte van de reactie niet relevant. Alle
informatie die iemand je verbaal geeft zou totaal overbodig zijn als je in
staat zou zijn de non-verbale reactie op de oorspronkelijke vraag gade te
slaan.
Alles wat iemand
verbaal weergeeft wordt non-verbaal veel verfijnder gepresenteerd. De
moeilijkheid hierbij is echter dat het non-verbale gedrag voor meerdere uitleg
vatbaar is. Ervaring kan ertoe bijdragen dit gedrag op de juiste manier te
interpreteren.
Voorzichtigheid
is geboden omdat ieder mens uniek is en niet ieder signaal op hetzelfde
(bijvoorbeeld dezelfde emotie) duidt.
Helaas bestaat
er geen eenvoudige handleiding voor het waarnemen en daarna interpreteren van
non-verbaal gedrag.
Het is van groot
belang de context waarin het bewuste gedrag zich afspeelt in het oog te houden.
Je moet dan ook luisteren naar de hele context van het hulpverleningsgesprek
(het verhaal, het contact, de sfeer, de positie van de cliënt, de situatie en dergelijke)
en je niet al te zeer op details in het gedrag van de cliënt richten. Het
non-verbale gedrag staat namelijk nooit op zichzelf!
Het non-verbale
gedrag van iemand laat als het ware boodschappen uitlekken naar de ander. Juist
het spontane van non-verbaal gedrag draagt hieraan bij. Het is niet makkelijk
voor mensen om non-verbaal gedrag te tonen dat niet echt is. De echte
boodschappen zullen meestal daardoor zichtbaar blijven.
Paragraaf 3.3.1
De accentuerende funktie van non-verbaal gedrag
Behalve dat
non-verbaal gedrag op zichzelf een bron van communicatie is, vormt
lichaamstaal, zoals iemands gezichtsuitdrukking, manier van bewegen en
stemgebruik, vaak een accentuering van de boodschap die onder woorden wordt
gebracht. Het is eigenlijk te vergelijken met vraagtekens, uitroeptekens,
komma's en het onderstrepen van woorden in geschreven taal.
Door non-verbaal
gedrag kan de communicatie tussen mensen op een aantal manieren geaccentueerd
of genuanceerd worden.
* Op de eerste plaats kan non-verbaal
gedrag wat gezegd is bevestigen of herhalen.
* Op de tweede plaats kan non-verbaal
gedrag wat gezegd wordt ontkennen of verwarren. Zo kan het non-verbale gedrag
de werkelijke boodschap overbrengen.
* Op de derde plaats kan met non-verbaal
gedrag wat gezegd is bevestigen of benadrukken. Het non-verbale gedrag kan zo
de verbale boodschap onderstrepen. Non-verbaal gedrag voegt emotionele kleur
en intensiteit toe aan verbale boodschappen.
* Op de vierde plaats worden non-verbale
aanwijzingen vaak gebruikt in gesprekken om wat gebeurt in de hand te houden of
te reguleren.
Wanneer in een
groepsgesprek een deelnemer naar een andere deelnemer kijkt en uit alles laat
blijken dat ze iets gaat zeggen tegen de ander, dan zal ze misschien aarzelen
of van gedachten veranderen wanneer degene tegen wie ze van plan is iets te
zeggen van haar wegkijkt.
Paragraaf 3.3.2
Betekenis van non-verbaal gedrag voor de spreker zelf
Gebaren zijn
onlosmakelijk verbonden met praten. Op alle mogelijke manieren zetten we onze
woorden kracht bij. Toch zijn veel van die bewegingen helemaal niet bedoeld
voor de gesprekspartner, maar dienen ze de spreker zelf: om zijn gedachten te
bepalen.
Sprekende mensen
maken vrijwel altijd gebaren, zelfs al kan de luisteraar hen niet zien. Vaak
zetten zelfs mensen die in een telefooncel staan hun verhaal druk gebarend
kracht bij, terwijl de ontvanger toch echt alleen de woorden meekrijgt.
Op het eerste
gezicht lijkt er een noodzakelijk verband tussen spreken en gebaren te bestaan.
Zo gebaren we voornamelijk tijdens het praten en nauwelijks tijdens het
luisteren. Daarnaast heeft geen mens van zichzelf het gevoel dat hij
betekenisloos in het wilde weg zit te gebaren onder het praten!
Paragraaf 3.3.3
De communicatieve funktie van gebaren tijdens het spreken
Niet alle
gebaren hebben dezelfde funktie voor de spreker. De Ruiter onderscheidt, in
navolging van de Amerikaanse psycholinguist D. McNeill, vier verschillende
soorten:
* Ten eerste de zogeheten wijsgebaren:
daar, hier, links, rechts. Daarmee wordt een richting of plek aangegeven.
* Ten tweede emblemen. Dit zijn gebaren
met een specifieke betekenis die min of meer cultureel vastligt. Op het
voorhoofd wijzen om 'gek' aan te geven, de vinger op de lippen leggen om iemand
zachtjes te laten doen. Dit soort gebaren wisselt vaak per cultuurgebied.
* Verder gebruiken sprekers iconische
gebaren. De spreker geeft dan uitleg bij wat hij zegt door het in de lucht uit
te tekenen: met de wijsvinger een spiraalvormige beweging maken als hij praat
over een wenteltrap.
* De meest voorkomende spreekgebaren
behoren echter tot de vierde soort: de beats; ritmische bewegingen van de hand
die geen duidelijke betekenis hebben. Er is een theorie die zegt dat deze
bewegingen altijd samenvallen met bepaalde klemtonen in zinnen, maar of dat
inderdaad zo is, is nooit bewezen.
Paragraaf 3.4
Hoe neem ik, als visueel gehandicapte maatschappelijk werker, het non-verbale
gedrag van de cliënt waar?
Het waarnemen
van non-verbale communicatie behoeft niet uitsluitend door middel van de ogen
te gebeuren. Ook het gebruik van andere zintuigen is hiervoor belangrijk. Het
belangrijkste informatie- en communicatiekanaal in het gesprek is (voor mij)
het gehoor, de uitzending en ontvangst van geluiden die de deelnemers maken.
Auditieve interactie omvat veel meer dan de woorden zelf.
De betekenis van
het gesproken woord kan een wijziging ondergaan door de toonhoogte,
intensiteit, snelheid, nadruk, intonatie, stembuiging, articulatie.
Vocale
non-verbale communicatie zegt mij hoe iemand zegt wat hij zegt! Dit zijn
taalklanken die de woorden vergezellen maar die geen eigenschappen van de
woorden zelf zijn. Zelf ben ik, als visueel gehandicapte maatschappelijk
werker, erg gevoelig voor de vocale non-verbale communicatie.
Voornamelijk tijdens
de twee jaar dat ik stage liep heb ik me erin getraind me bewust te worden en
blijven van deze vorm van communicatie. Non-verbale communicatie verschaft mij
informatie over gevoelens en houdingen waarvan de cliënt zich slechts vaag of
helemaal niet bewust is. En ik ben me hiervan, als maatschappelijk werker,
terdege bewust!
Hierbij wil ik
opmerken dat een aantal vormen van non-verbaal gedrag voor mij niet
toegankelijk zijn. Wel is het zo dat ik, door middel van het auditieve aspect
van lichaamstaal, de hieruit verkregen informatie als het ware omzet in
beelden. Zo zie ik de cliënt niet staan drentelen in de deuropening maar
hoor ik hem drentelen. Hetgeen ik hoor wordt door mij geïnterpreteerd
waarna ik de cliënt vervolgens (bij wijze van spreken) in de deuropening zie
drentelen! Aan het 'beeld' of de indruk die ik van de cliënt krijg, gaat dus
een proces vooraf waarin de auditieve waarneming de hoofdrol speelt.
De meeste
informatie krijg ik uit de stem. In de stem liggen vaak veel emoties verscholen,
zoals angst, spanning, nervositeit, onzekerheid, woede, etc. Daarnaast kunnen
veranderingen in het stemgebruik een indicatie zijn dat er iets gebeurt. Op
zo'n moment is het vaak niet eens relevant wat iemand zegt; hij
communiceert al met zijn stemgebruik! Een voorbeeld hiervan is een cliënt die
vrij toonloos en vlak aan het praten is. Op mijn vraag over cliënt's relatie
met zijn moeder begint hij sneller en harder te praten. De stem alleen al vormt
voor mij op dat moment een indicatie dat hier meer aan de hand is!
Wat ook van
belang is, is hoe iemand zich presenteert. Hoe komt hij binnen? Afwachtend,
terughoudend, druk pratend, agressief? Hangt hij uit zichzelf zijn jas op om
vervolgens te gaan zitten of doet hij alles op mijn aanwijzingen en vragen? Is
hij het type dat zelf het gesprek beëindigt of zou hij, bij wijze van spreken,
na 4 uur praten nog netjes blijven zitten?
Kortom op veel
verschillende manieren krijg ik een beeld van de cliënt.
Hoe ga ik
hiermee om?
Deze vraag is
niet eenvoudig te beantwoorden. Wanneer ik merk dat een cliënt zenuwachtig is,
probeer ik hem op z'n gemak te stellen, hem rustig te krijgen. Afhankelijk van
de cliënt en de duur van ons contact (bijvoorbeeld intake of het vijfde
gesprek) heb ik hiervoor mijn manieren. Zo wil ik bij een van de eerste
gesprekken met een cliënt nog wel eens iets over mezelf vertellen. Ik vertel
bijvoorbeeld iets over mijn achtergrond, over mijn handicap, mijn opleiding,
het werk.
Ik kan moeilijk
precies aangeven wat ik dan vertel omdat dat, zoals gezegd, per situatie en
cliënt verschillend is. Ik denk dat het soms een gevoelskwestie is; aanvoelen
wat je bij deze cliënt op dit moment het beste wel en niet kunt vertellen
(intuïtie?).
Een andere
manier is de cliënt iets laten vertellen over een niet al te beladen onderwerp.
Ik informeer bijvoorbeeld naar het afgelopen weekend, hoe het op het werk was,
naar zijn hobby en dergelijke.
Soms ook benoem
ik wat ik hoor. Zo vraag ik dan of de cliënt het moeilijk vindt om bij het
maatschappelijk werk te komen. Of ik vraag of hij het moeilijk vindt te praten
over zijn problemen. Dit werkt vaak erg goed. Mensen geven toe dat zij
inderdaad nerveus zijn. Vaak wordt daar nog het één en ander aan toegevoegd.
Sommige cliënten hebben het idee dat hun problemen niks voorstellen, dat ze bij
het maatschappelijk werk niet thuishoren, dat het eigenlijk niks voorstelt. Als
zij hun gedachten en gevoelens hierover uitspreken krijg ik de kans om hen
hierin gerust te stellen. Dit lucht hen dan op waardoor hun nervositeit wegebt!
Ondertussen levert het mij informatie op over de cliënt en krijg ik alvast een
(beetje een) beeld van deze persoon, hoewel ik hieruit niet al teveel
conclusies trek.
Voor mij is een
stilte erg lastig vanwege mijn blindheid. Een stilte ervaar ik als een leegte
omdat ik dan weinig tot niks kan waarnemen. In zo'n situatie moet ik dan
overstappen op het verbale communicatiekanaal door de cliënt te laten
verwoorden wat er in hem omgaat. Hiernaar vraag ik expliciet omdat de kans
anders bestaat dat ik over iets heenstap wat belangrijk is.
De letterlijke
woorden bepalen in eerste instantie het gespreksonderwerp. De manier waarop die
woorden worden uitgesproken bepaalt hoe ik die boodschap interpreteer. En vaak
vormt dit een aanleiding om hierop in te gaan en me uit te spreken over wat ik
meende te horen.
Ik vind deze
indrukken en signalen erg belangrijk. Ze hebben invloed op hoe ik met de cliënt
omga, welke vragen ik stel, hoe ik ze stel, hoe ik mezelf opstel etc. Het is
een wisselwerking.
Ik denk dat het non-verbale
gedrag van de cliënt en mijn reactie hierop niet op zichzelf staan. Ik probeer
het te plaatsen in een breder verband. Misschien ben ik wel niet de enige die
deze indruk van deze persoon heeft. Mogelijk vormt dit zelfs een oorzaak voor
problemen met sociale contacten, het opbouwen en in stand houden van relaties
en vriendschappen en dergelijke.
Het verschil
tussen mij en andere mensen in het leven van de cliënt is echter dat ik
maatschappelijk werker ben en zij niet. Mijns inziens is dit verschil van
essentiëel belang. Zo zal ik het contact niet afbreken als ik de cliënt niet
graag mag, hem te overheersend, agressief of iets dergelijks vind. Mijn
professionele houding vraagt van me dat ik hiermee op een zinvolle, methodische
en 'productieve' manier omga. Iemand anders uit het leven van de cliënt heeft
(en maakt) wel de keus om het contact al dan niet voort te zetten.
In ieder geval
maakt dat ik dit als een punt van aandacht ga beschouwen en waarmee ik
vervolgens aan de slag ga.
Hoofdstuk 4 Bruikbare
technieken bij gedragsverandering uit de communicatietheorie
Voor dit
hoofdstuk heb ik hoofdzakelijk het boek Gedragsverandering in gezinnen van
Alfred Lange gebruikt. In het kort zal ik ingaan op de systeembenadering, die
deels aan dit boek ten grondslag ligt. Daarna beschrijf ik enkele technieken
waarvan ik verwacht ze in te kunnen zetten als ik in de toekomst te maken krijg
met cliënten wiens lichaamstaal onbevredigend is.
De
achterliggende gedachte van de systeembenadering is, dat het individu als
geïsoleerd verschijnsel niet bestaat. Er is altijd wisselwerking tussen het
individu en zijn omgeving, zowel in biologisch als in sociaal opzicht. De
wisselwerking is zelfs bestaansvoorwaarde; door Watzlawick wat statig
uitgedrukt: 'Communicatie en existentie zijn onafscheidelijke begrippen.' De
wisselwerking in sociaal opzicht vindt zijn uitdrukking in de communicatie.
Communicatie moet ook weer breed worden opgevat: het is zowel verbaal (wat je
tegen elkaar zegt) als non-verbaal (wat je in je gedrag of houding ten opzichte
van de ander tot uitdrukking brengt). (Individuele hulpverlening, Eric Behrend,
Nora van Riet, 1995.)
Paragraaf 4.1
Communicatietheorie
De deelnemers
variëren telkens in aard en aantal en ook de boodschap, vorm en de middelen zijn
telkens verschillend. Maar steeds gaat het fundamenteel om hetzelfde gebeuren,
namelijk communicatie. De studie van dit alledaagse, ogenschijnlijk simpele
proces wordt communicatietheorie genoemd. De algemene grondslagen,
onderliggende factoren en elementen die bepalen wat communicatie is of niet is,
die uitleggen wat er bij het communiceren precies gebeurt en die doen inzien
waarom communicatie slaagt of niet slaagt, worden in de communicatietheorie in
een algemeenheid onderzocht.
Door te
communiceren met anderen manifesteert de mens zichzelf en zijn eigen
persoonlijk bestaan, niet alleen tegenover de anderen, maar ook tegenover
zichzelf. Bovendien ontwikkelt hij daardoor een concept over zichzelf, een
zelfbeeld. Communicatietheoretisch inzicht kan leiden tot een betere kennis van
het eigen ik en de manier waarop dit ik in relatie staat tot zijn omgeving en
tot zichzelf. De communicatietheorie vat een symptoom op als een non-verbaal
bericht; ikzelf ben niet degene die dit niet (of wel) wil doen maar iets dat
buiten mijn macht ligt, bijvoorbeeld mijn zenuwen, mijn angst, mijn opvoeding.
Paragraaf 4.2
Wat te doen bij incongruentie?
Een vorm van
non-verbaal gedrag die tot uiting komt in de stem is incongruentie. Wat de
cliënt vertelt is niet in overeenstemming met hoe hij het zegt (zie paragraaf
2.2, voorbeeld A). Bij mensen die incongruent communiceren is er geen
overeenstemming tussen hun binnen- en buitenwereld. Als gehele personen kunnen
ze niet communiceren. Dat is het resultaat van hun innerlijke verscheurdheid.
Ze proberen
zichzelf in hun verhouding met de ander sterk vast te houden aan een bepaalde
rol. Die rol is echter niet in overeenstemming met hun werkelijke ik. Zo kunnen
ze in die rol proberen hun onzekerheid te maskeren. Het sterk vasthouden aan
een bepaalde rol belemmert het tot stand komen van een werkelijke persoonlijke
binding tussen mensen.
Bij
incongruentie kun je iets zeggen over de ongerijmdheden die je hebt waargenomen
en de cliënt daarmee confronteren.
De toon van de
stem (klagend, zuchtend, verveeld, fluisterend) is niet altijd in
overeenstemming met de verbale inhoud van zijn uitspraak en dan juist meer
indicatief voor de overheersende emoties.
In zo'n geval
kun je proberen de stem in overeenstemming te brengen met de bewuste
bedoelingen van de cliënt door hem aan te sporen anders te spreken en eventueel
voor te doen hoe een adequate expressie zou klinken.
Kom je
incongruentie tegen dan zou je een aantal keuzemogelijkheden bij de hand moeten
hebben. Een vorm van metacommunicatie is een mogelijkheid, maar het is maar één
keuzemogelijkheid. Je moet de mogelijkheid hebben het non-verbale te
overdrijven, de ander een leugenaar te noemen, zijn incongruentie te negeren,
te weerspiegelen en incongruent te zeggen: "Oh, wat voel ik me goed!"
met samengeknepen lippen en hoofdschuddend.
Als er
tegenstrijdige boodschappen binnenkomen kun je bijvoorbeeld de moeilijkheid
oplossen door een van de dimensies, de verbale inbreng, de tonale inbreng, de
lichaamsbewegingde tastzin of de visuele inbreng letterlijk af te sluiten,
buiten het bewustzijn te sluiten.
Het is hierbij van belang dat je weet welk resultaat je wil bereiken. Je moet soepel kunnen zijn in je gedrag omdat je allerlei soorten gedrag moet kunnen uitvoeren om erachter te komen welke reacties je krijgt. Verder moet je beschikken over genoeg zintuiglijke ervaring om in de gaten te hebben wann